Bestuursrecht overig

Rechtbank Rotterdam · Eerste aanleg - enkelvoudig · Bestuursrecht overig

Rechtbank Rotterdam, 8 mei 2026

Zaakgegevens

Op 8 mei 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
8 mei 2026
Datum publicatie
6 mei 2026
Zaaknummer
ROT 25/3934
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:5204
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

NTB, n-o

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 25/3934


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 mei 2026 in de zaak tussen


[eiser], uit Rotterdam, eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, het college.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat het college volgens hem niet op tijd heeft beslist op de aanvraag van 10 maart 2025.

1.1.

Op 1 januari 2025 heeft eiser een bewonersinitiatief bestrijding eenzaamheid ingediend bij de wijkraad Afrikaanderwijk.

1.2.

Op 27 februari 2025 heeft eiser het college in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag.

1.3.

Op 10 maart 2025 heeft het college een besluit op de aanvraag genomen en heeft het college besloten om geen subsidie toe te kennen.

1.4.

Eiser heeft op 12 mei 2025 beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag.

1.5.

Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling door de rechtbank


Is het beroep ontvankelijk?

2. De rechtbank stelt vast dat het college met het besluit van 10 maart 2025 op de aanvraag van eiser heeft beslist. Eiser heeft het beroep niet tijdig beslissen dus ingesteld, nadat al een besluit was genomen. Dit betekent dat eiser geen procesbelang heeft bij het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit.

3. De rechtbank stelt vast dat ten tijde van het indienen van het beroep op
12 mei 2025 geen sprake was van het niet tijdig nemen van een besluit op aanvraag als bedoeld in artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb nu het college reeds op 10 maart 2025 een besluit op de aanvraag heeft genomen.

4. Gelet hierop is het college niet aan het beroep van eiser tegemoetgekomen en bestaat er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding en een dwangsom. Nu het college niet aan het beroep van eiser is tegemoetgekomen, is het college eveneens niet gehouden het griffierecht te vergoeden.

5. Het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op de aanvraag is kennelijk niet-ontvankelijk.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Klomp, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Blokhuis, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.