Bestuursrecht overig

Varia. Subsidieregeling bonus zorgprofessionals. Beroep gegrond. Gelet op de uitlatingen van de minister gaat…

Rechtbank Rotterdam, 26 juni 2026

Zaakgegevens

Op 26 juni 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
26 juni 2026
Datum publicatie
11 augustus 2026
Zaaknummer
ROT 25/4890
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:9883
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Varia. Subsidieregeling bonus zorgprofessionals. Beroep gegrond.

Gelet op de uitlatingen van de minister gaat de rechtbank ervan uit dat ten aanzien van zes werknemers de activiteiten hebben plaatsgevonden overeenkomstig de aan de subsidie verbonden verplichtingen. In dit licht acht de rechtbank het op nihil stellen en de volledige terugvordering van de subsidie niet evenwichtig.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 25/4890


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2026 in de zaak tussen

[naam eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. M.Y. van Oel),

en

de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de minister

(gemachtigde: mr. J.P. Bloos, mr. J.A. ter Schuren-Borghout en mr. M. Veldman).

Samenvatting

1.1.

Deze uitspraak gaat over het besluit van de minister tot het op nihil stellen van een subsidie over bonussen voor zorgprofessionals en tot het terugvorderen van het uitbetaalde voorschot. Eiseres is het niet met dit besluit eens.

1.2.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eiseres gegrond is. De minister heeft zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat ten aanzien van twaalf van de achttien medewerkers niet is aangetoond dat de activiteiten hebben plaatsgevonden overeenkomstig de aan de subsidie verbonden verplichtingen, maar het op nihil stellen en het volledig terugvorderen van de subsidie acht de rechtbank niet evenredig.

Procesverloop

2.1.

De minister heeft met het primaire besluit van 12 augustus 2024 de subsidie vastgesteld op € 0,- en het verstrekte voorschot van € 32.400,- teruggevorderd. Met het bestreden besluit van 19 mei 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister hierbij gebleven. Wel is in het bestreden besluit de motivering verbeterd.

2.2.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

2.3.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

2.4.

De rechtbank heeft het beroep op 2 maart 2026 op een zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van de minister deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit

3.1.

Op 2 oktober 2020 heeft eiseres subsidie aangevraagd op grond van de Subsidieregeling bonus zorgprofessionals COVID-19 (de Subsidieregeling). Op grond van de Subsidieregeling kunnen zorgaanbieders subsidie aanvragen voor het uitkeren van een bonus van € 1.000,- aan zorgprofessionals die een uitzonderlijke prestatie hebben geleverd in verband met de uitbraak van het coronavirus.

3.2.

Bij besluit van 29 oktober 2020 heeft de minister eiseres subsidie verleend voor maximaal € 32.400,-. Dit bedrag bestaat uit € 18.000,- voor achttien zorgprofessionals en € 14.400,- aan af te dragen belastingen. Dit bedrag is als voorschot verstrekt, in afwachting van de definitieve vaststelling van de subsidie.

3.3.

De minister heeft een steekproefcontrole uitgevoerd. Omdat eiseres deel uitmaakte van de steekproef, heeft de minister eiseres bij e-mail van 12 september 2023 verzocht informatie aan te leveren om zorgprofessionals voor de steekproefcontrole te kunnen selecteren.

3.4.

Met het primaire besluit heeft de minister de subsidie vastgesteld op nihil. Volgens de minister heeft eiseres niet de gevraagde informatie aangeleverd en kon de minister daarom de rechtmatigheid van de verstrekte subsidie niet vaststellen. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

3.5.

De minister heeft aan het bestreden besluit, samenvattend, ten grondslag gelegd dat niet kan worden vastgesteld dat de activiteiten conform de aan de subsidie verbonden voorwaarden zijn uitgevoerd. Het op nihil stellen en volledig terugvorderen van de verstrekte subsidie acht de minister niet onevenredig.

4. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden van eiseres of het bestreden besluit in stand kan blijven. Voor de toepasselijke wettelijke regels, zoals die golden ten tijde van belang, wordt verwezen naar de bijlage bij deze uitspraak.

5. Eiseres voert aan dat met de door haar overgelegde stukken de subsidie wel degelijk kon worden vastgesteld. De minister heeft in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel gehandeld omdat niet is gebleken dat de reacties van eiseres op de verzoeken om aanvullende informatie bij de besluitvorming zijn meegewogen. Ook heeft geen hoor en wederhoor plaatsgevonden over de gestelde twijfel aan de authenticiteit van de documenten. De minister lijkt bovendien te suggereren dat sprake is van vervalsingen, maar baseert deze beschuldiging nergens op. Eiseres heeft verder aangevoerd dat het volledig terugvorderen van de verstrekte subsidie onevenredig is omdat in belangrijke mate uitvoering is gegeven aan de gesubsidieerde activiteiten. Het volledige bedrag terugvorderen is buitenproportioneel.

6.1.

De rechtbank is van oordeel dat de minister zich in het bestreden besluit terecht en voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat ten aanzien van twaalf medewerkers niet is aangetoond dat de activiteiten hebben plaatsgevonden overeenkomstig de aan de subsidie verbonden verplichtingen. Op basis van de door eiseres overgelegde stukken kan dit niet worden vastgesteld, terwijl het aan eiseres is om aan te tonen dat de subsidiabele activiteiten zijn verricht. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de minister bij zijn beoordeling niet alle relevante stukken heeft betrokken. Eiseres heeft ook niet toegelicht welke stukken het dan zou betreffen.

6.2.

Over de werknemers 48 en 56 heeft eiseres ter zitting gesteld dat de minister zich enkel baseert op vage aannames ten aanzien van de betrouwbaarheid van de overgelegde stukken. De rechtbank stelt vast dat, wat hier ook van zij, werknemer 56 pas op 1 september 2020 in dienst is getreden. Dit volgt uit de door eiseres overgelegde loonstrook. Daarmee is deze werknemer pas na de periode van 1 maart 2020 tot 1 september 2020 (de periode waarvoor een zorgbonus kon worden verstrekt) in dienst getreden. Ten aanzien van werknemer 48 geldt dat de uitbetaling van de zorgbonus aan deze werknemer niet voorkomt op het afschrift van de betaalrekening van 6 december 2023 over de periode van 14 december 2020 tot en met 28 februari 2021. Gelet hierop heeft de minister mogen twijfelen aan het overgelegde betaalbewijs met als betaaldatum 25 december 2020.

6.3.

Over de werknemers 47 en 54 heeft eiseres ter zitting aangevoerd dat de bonussen wel degelijk op tijd zijn uitbetaald, namelijk op 25 december 2020. Dit wordt door de minister echter niet betwist. Door eiser wordt daarentegen niet betwist dat uit de overgelegde loonstroken van deze werknemers blijkt dat de bonus al in de maand augustus 2020 is uitgekeerd. Dit komt niet met elkaar overeen. Bovendien is de Subsidieregeling pas op 1 oktober 2020 in werking getreden en is de subsidie pas op 29 oktober 2020 verleend, dus na het moment waarop de bonussen al op de loonstroken stonden. Door eiseres wordt bovendien niet betwist dat de bonus voor werknemer 47 is uitbetaald aan een persoon met een andere naam dan de naam die op de loonstrook staat vermeld. De rechtbank kan de minister volgen in haar standpunt dat, gelet hierop, ten aanzien van deze werknemers niet is aangetoond dat de activiteiten hebben plaatsgevonden overeenkomstig de aan de subsidie verbonden verplichtingen.

6.4.

Op de overige werknemers (van de groep van twaalf, zie hiervoor onder 6.1) is eiseres in haar beroepsgronden niet concreet ingegaan, terwijl de minister in het bestreden besluit uitgebreid uiteengezet heeft waarom ten aanzien van deze medewerkers niet is aangetoond dat de activiteiten hebben plaatsgevonden overeenkomstig de aan de subsidie verbonden verplichtingen. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister dit standpunt ten onrechte heeft ingenomen.

6.5.

Ten aanzien van zes werknemers heeft de minister zich niet op het standpunt gesteld dat de activiteiten niet hebben plaatsgevonden overeenkomstig de aan de subsidie verbonden verplichtingen. Ter zitting heeft de minister bevestigd dat er ten aanzien van deze werknemers geen problemen zijn vastgesteld. Volgens de minister is het terugvorderen van de gehele subsidie, dus ook van de subsidie die betrekking heeft op deze zes medewerkers, niettemin gerechtvaardigd omdat eiseres niet ten aanzien van alle werknemers waarvoor subsidie was aangevraagd, heeft aangetoond dat aan de subsidievoorwaarden is voldaan. Volgens de minister heeft eiseres onbetrouwbare informatie overgelegd en zou de subsidie in het geheel niet zijn verleend indien dat vooraf bekend zou zijn geweest.

6.6.

De rechtbank volgt de minister hierin niet. Gelet op de uitlatingen van de minister gaat de rechtbank ervan uit dat ten aanzien van de genoemde zes werknemers de activiteiten hebben plaatsgevonden overeenkomstig de aan de subsidie verbonden verplichtingen. In dit licht acht de rechtbank het op nihil stellen en de volledige terugvordering van de subsidie niet evenwichtig. Dat eiseres volgens de minister onbetrouwbare informatie heeft ingediend, maakt dat niet anders, nu ten aanzien van de genoemde zes werknemers geen problemen zijn gebleken. Ook de stelling van de minister dat eiseres voorkomt in een strafrechtelijk onderzoek van de arbeidsinspectie naar aanleiding van meldingen over fraude met subsidiegelden in het kader van de Subsidieregeling coronabanen in de zorg, leidt niet tot een ander oordeel. Dit betreft een andere subsidie. Bovendien is fraude door eiseres vooralsnog niet bewezen.

Conclusie en gevolgen

7. Gelet op wat hiervoor onder 6.6 is overwogen, is het beroep van eiseres gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen voor zover dat ziet op het op nihil stellen van de subsidie en op de hoogte van het terugvorderingsbedrag. De rechtbank acht het mogelijk en wenselijk op de hierna te melden wijze zelf in de zaak te voorzien. De minister heeft in totaal een bedrag van € 32.400,- teruggevorderd. Ten aanzien van zes werknemers is de terugvordering onjuist. Hiermee is een bedrag van € 10.800,- gemoeid, te weten € 6.000,- voor zes bonussen voor zorgprofessionals en € 4.800,- voor af te dragen belastingen. Het primaire besluit zal daarom gedeeltelijk worden herroepen en de subsidie zal worden vastgesteld op € 10.800,- en het terugvorderingsbedrag zal worden bepaald op (€ 32.400,-

- € 10.800,- =) € 21.600,-.

8. Omdat het beroep gegrond is, moet de minister het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 3.200,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het deelnemen aan de hoorzitting in bezwaar met een waarde per punt van € 666,-, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep gegrond;

  • vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op het op nihil stellen van de subsidie en op de hoogte van het terugvorderingsbedrag;

  • herroept het primaire besluit voor zover dat ziet op het op nihil stellen van de subsidie en op de hoogte van het terugvorderingsbedrag;

  • stelt de subsidie vast op € 10.800,- en bepaalt het terugvorderingsbedrag op € 21.600,-;

  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;

  • bepaalt dat de minister het griffierecht ter hoogte van € 385,- aan eiseres moet vergoeden;

  • veroordeelt de minister in de door eiseres gemaakte proceskosten ter hoogte van € 3.200,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Meijer, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: Wettelijk kader

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 4:42

De beschikking tot subsidievaststelling stelt het bedrag van de subsidie vast en geeft aanspraak op betaling van het vastgestelde bedrag overeenkomstig afdeling 4.2.7.

Artikel 4:45

1. Bij de aanvraag tot subsidievaststelling toont de aanvrager aan dat de activiteiten hebben plaatsgevonden overeenkomstig de aan de subsidie verbonden verplichtingen, tenzij de subsidie voor de aanvang van de activiteiten wordt vastgesteld.

2. Bij de aanvraag tot subsidievaststelling legt de aanvrager rekening en verantwoording af omtrent de aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor de vaststelling van de subsidie van belang zijn.

Artikel 4:46

1. Indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, stelt het bestuursorgaan de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening vast.

2. De subsidie kan lager worden vastgesteld indien:

a.de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden;

b.de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;

c.de subsidie-ontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid, of

d.de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidie-ontvanger dit wist of behoorde te weten.

3. Voor zover het bedrag van de subsidie afhankelijk is van de werkelijke kosten van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, worden kosten die in redelijkheid niet als noodzakelijk kunnen worden beschouwd bij de vaststelling van de subsidie niet in aanmerking genomen.

Artikel 4:57

1. Het bestuursorgaan kan onverschuldigd betaalde subsidiebedragen terugvorderen.

2. Het bestuursorgaan kan het terug te vorderen bedrag bij dwangbevel invorderen.

3. Het bestuursorgaan kan het terug te vorderen bedrag verrekenen met een aan dezelfde subsidie-ontvanger voor dezelfde activiteiten verstrekte subsidie voor een ander tijdvak.

4. Terugvordering van een subsidiebedrag of een voorschot vindt niet plaats voor zover na de dag waarop de subsidie is vastgesteld, dan wel de handeling, bedoeld in artikel 4:49, eerste lid, onderdeel c, heeft plaatsgevonden, vijf jaren zijn verstreken.

Artikel 4:125

1. Het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de beschikking waarbij de verplichting tot betaling van een geldsom is vastgesteld, heeft mede betrekking op een bijkomende beschikking van hetzelfde bestuursorgaan omtrent verrekening, uitstel van betaling, verlening van een voorschot, vaststelling van de rente of gehele of gedeeltelijke kwijtschelding, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.

Artikel 8:1

Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter.

Subsidieregeling coronabanen in de zorg

Artikel 3. Subsidiabele activiteiten

1. De minister kan op aanvraag aan een zorgaanbieder een subsidie verstrekken voor het tewerkstellen en begeleiden van werknemers via coronabanen om de continuïteit van zorg tijdens de COVID-19 uitbraak te kunnen waarborgen.

2. De minister kan op aanvraag aan een zorgaanbieder een subsidie verstrekken voor het via coronabanen tewerkstellen en begeleiden van werknemers die een beroepsopleiding in de derde leerweg volgen als bedoeld in artikel 1.4.1, lid 1.a, van de Wet educatie en beroepsonderwijs met als doel het behalen van een certificaat als bedoeld in artikel 7.2.3 van de Wet educatie en beroepsonderwijs.

3. De coronabanen die in aanmerking komen voor subsidie zijn:

a. coronabaan – gastheer of gastvrouw;

b. coronabaan – zorg-assistent of zorgbuddy;

c. coronabaan – ADL-ondersteuner;

d. coronabaan – welzijn-assistent;

e. coronabaan – ondersteuner zorgmedewerker; of

f. coronabaan – ondersteuner veiligheid.

Artikel 4. Subsidievoorwaarden

1. Subsidie wordt enkel verstrekt aan zorgaanbieders die op 1 januari 2021 in het handelsregister stonden ingeschreven met een hoofd- of nevenactiviteit met een SBI-code die in de Bijlage is opgenomen.

2. In afwijking van het eerste lid, kan subsidie worden verstrekt aan een zorgaanbieder indien uit de aanduiding waarmee de zorgaanbieder op 1 januari 2021 is ingeschreven in het handelsregister, naar het oordeel van de minister blijkt dat de zorgaanbieder een hoofd- of nevenactiviteit uitvoert die in de Bijlage is opgenomen.

3. De activiteiten, bedoeld in artikel 3, eerste en tweede lid, zijn in totaal voor maximaal zes maanden subsidiabel in de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2021.

4. Subsidie voor periode 1 wordt uitsluitend verstrekt indien:

a. de werknemer vanaf 1 januari 2021 wordt ingezet bij de zorgaanbieder;

b. het contract voor minimaal twee en maximaal zes maanden wordt aangegaan; en

c. in het contract wordt vastgelegd dat de arbeidsduur in ieder geval gemiddeld 20 uur per week bedraagt.

5. Subsidie voor periode 2 wordt uitsluitend verstrekt indien:

a. de werknemer vanaf 1 juli 2021 maar voor 1 oktober 2021 wordt ingezet bij de zorgaanbieder;

b. het contract voor minimaal twee en maximaal zes maanden wordt aangegaan; en

c. in het contract wordt vastgelegd dat de arbeidsduur in ieder geval gemiddeld 20 uur per week bedraagt.

6. De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien het aantal personen dat coronabanen als bedoeld in artikel 3, derde lid, verricht en waarvoor de zorgaanbieder subsidie aanvraagt, het aantal werkzame personen bij de zorgaanbieder met meer dan 100% doet toenemen.

7. In afwijking van het zesde lid kan een zorgaanbieder met maximaal 2 werkzame personen subsidie voor in totaal 3 coronabanen als bedoeld in artikel 3, derde lid, aanvragen.

Dit volgt uit de artikelen 4:2, tweede lid, en 4:45 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 13 van de Subsidieregeling. 6 / 18e deel van € 14.400,- (zie 3.2).