Vreemdelingenrecht

asiel - Turkije - door geen nader onderzoek te (laten) verrichten naar de situatie in Turkije en in het…

Rechtbank Rotterdam, 30 maart 2018

Zaakgegevens

Op 30 maart 2018 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
's-Gravenhage
Datum uitspraak
30 maart 2018
Datum publicatie
30 maart 2018
Zaaknummer
NL18.4508, NL18.4509 en NL18.4510
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2018:2602
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

asiel - Turkije - door geen nader onderzoek te (laten) verrichten naar de situatie in Turkije en in het bijzonder de situatie van aanhangers van de Gülen-beweging in dat land heeft verweerder onvoldoende invulling gegeven aan de samenwerkingsplicht

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Team Bestuursrecht 3

zaaknummers: NL18.4508, NL18.4509 en NL18.4510

[v nummers]

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 maart 2018 in de zaken tussen

[eisers]

gemachtigde: mr. F.L.M. van Haren,

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,gemachtigde: mr. E. de Jong.

Procesverloop

Bij besluiten van 1 maart 2018 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen.

Eisers hebben tegen deze besluiten beroep ingesteld bij de rechtbank.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2018. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eisers hebben de Turkse nationaliteit en hebben sinds 2003 verschillende reguliere verblijfprocedures in Nederland doorlopen. Aan hun op 9 november 2016 ingediende asielaanvragen hebben zij ten grondslag gelegd dat zij als sympathisanten van de Gülen-beweging sinds de couppoging in Turkije in juli 2016 bij terugkeer naar hun land van herkomst een reëel risico lopen op een met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (het EVRM) strijdige behandeling.

2. Verweerder heeft de asielaanvragen van eisers op grond van artikel 31 van de Vreemdelingenwet 2000, in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van deze wet, als kennelijk ongegrond afgewezen. Verweerder acht geloofwaardig dat eisers sympathiseren met de Gülen-beweging en dat familieleden in Turkije mogelijk hiervan op de hoogte zijn. Ook is het volgens verweerder denkbaar dat dit een reactie oproept bij familieleden in Turkije gezien de gespannen situatie in Turkije na de couppoging, ook tussen burgers onderling. Verweerder acht evenwel niet aannemelijk dat eisers in verband hiermee bij terugkeer in Turkije een reëel risico lopen op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. Daaraan heeft hij ten grondslag gelegd dat eisers geen positie bekleden binnen de Gülen-beweging die het niveau van sympathisant overstijgt en dat ook niet is gebleken dat de Turkse autoriteiten op zoek zijn naar eisers of op de hoogte zijn van het verband dat tussen eisers en de Gülen-beweging te leggen valt.

3. Eisers betogen dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht of zij bij terugkeer naar Turkije een reëel risico lopen op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. Ter zitting hebben eiser in dit verband erop gewezen dat verweerder zijn standpunt over dit risico niet heeft gebaseerd op een ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken of informatie uit andere bronnen over de situatie van aanhangers van de Gülen-beweging in Turkije.

3.1.

Volgens artikel 4, eerste lid, van Richtlijn 2011/95/EU (PB 2011 L 337; de Kwalificatierichtlijn) mogen de lidstaten van de verzoeker verlangen dat hij alle elementen ter staving van het verzoek om internationale bescherming zo spoedig mogelijk indient. De lidstaat heeft tot taak om de relevante elementen van het verzoek in samenwerking met de verzoeker te beoordelen.

Volgens artikel 10, derde lid, aanhef en onder b, van Richtlijn 2013/32/EU (PB 2013 L 180; de Procedurerichtlijn), zien de lidstaten erop toe dat de beslissingen van de beslissingsautoriteit over verzoeken om internationale bescherming zijn gebaseerd op een deugdelijk onderzoek. Daartoe zorgen de lidstaten ervoor dat er nauwkeurige en actuele informatie wordt verzameld uit verschillende bronnen, zoals het EASO en de UNHCR, en

relevante internationale mensenrechtenorganisaties, over de algemene situatie in de landen van oorsprong van verzoekers en, waar nodig, in de landen van doorreis, en dat het personeel

dat de verzoeken behandelt en daarover beslist, over deze informatie kan beschikken.

Deze bepalingen waren voorheen achtereenvolgens - in gelijke bewoordingen - opgenomen in artikel 4, eerste lid, van Richtlijn 2004/83/EG (PB 2004 L 304) en - zonder vermelding van ‘het EASO’ en ‘relevante internationale mensenrechtenorganisaties’ - in artikel 8, tweede lid, van hoofdstuk II, van Richtlijn 2005/85/EG (PB 2005 L 326).

3.2.

Over de zogenoemde samenwerkingsplicht die is neergelegd in artikel 4, eerste lid, van Richtlijn 2004/83/EG heeft advocaat-generaal Bot in zijn conclusie van 26 april 2012 voor de zaak M. tegen Ierland (C-277/11, punt 22, ECLI:EU:C:2012:253) overwogen dat deze plicht concreet is uitgewerkt in de hoofdstukken II en III van Richtlijn 2005/85/EG en

heeft het Hof van Justitie in haar arrest van 22 november 2012 in diezelfde zaak

(ECLI:EU:C:2012:744) het volgende overwogen:

“65. Volgens artikel 4, lid 1, van die richtlijn dient normalerwijs de verzoeker alle elementen tot staving van zijn verzoek in te dienen, wat niet wegneemt dat de betrokken lidstaat voor de bepaling van de relevante elementen van dat verzoek met de verzoeker dient samen te werken.

66. Concreet houdt deze op de lidstaat rustende samenwerkingsplicht dus in dat, indien de door de verzoeker om internationale bescherming aangevoerde elementen om welke reden ook niet volledig, actueel of relevant zijn, de betrokken lidstaat in deze fase van de procedure actief met de verzoeker moet samenwerken om alle elementen te verzamelen die het verzoek kunnen staven. Bovendien heeft een lidstaat mogelijkerwijze gemakkelijker toegang tot bepaalde soorten documenten dan de verzoeker.

67. Voor het overige vindt de in vorig punt gegeven uitlegging steun in artikel 8, lid 2, sub b, van richtlijn 2005/85, volgens hetwelk de lidstaten ervoor zorgen dat er nauwkeurige en actuele informatie wordt verzameld over de algemene situatie in de landen van oorsprong van asielzoekers en, waar nodig, in de landen van doorreis.”

3.3.

Eisers hebben ter onderbouwing van het risico op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling bij terugkeer naar Turkije bij hun zienswijze en in beroep informatie overgelegd waaruit een uitermate negatieve houding van de Turkse autoriteiten en Turkse burgers tegenover aanhangers van de Gülen-beweging naar voren komt.

Volgens deze informatie geschiedt arrestatie van aanhangers van de Gülen-beweging in Turkije vaak op arbitraire gronden en kunnen acties door de Turkse overheid bijvoorbeeld ook betrekking hebben op mensen die alleen maar contacten hebben met een organisatie die door de Turkse overheid als terroristisch is aangemerkt, zonder duidelijke criteria daarvoor. Verder kan deelneming aan het maatschappelijk verkeer voor mensen die in hun omgeving bekend staan als sympathisanten van de Gülen-beweging volgens die informatie bijzonder moeilijk zijn. Verweerder heeft de inhoud van de overgelegde informatie niet betwist. Evenmin heeft verweerder (kenbare) informatie over de situatie in Turkije aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd, waaruit een ander beeld naar voren komt. Gelet daarop en gezien voormeld arrest van het Hof van Justitie, had verweerder in deze door eisers overgelegde informatie aanleiding moeten zien nader onderzoek te verrichten. In de rede ligt dat hij daarvoor een verzoek had gedaan aan de minister van Buitenlandse Zaken een ambtsbericht uit te brengen over de situatie in Turkije. Dit geldt temeer nu het laatste ambtsbericht dateert uit 2013. Verder dateert de couppoging uit 2016, zodat aanleiding bestaat te veronderstellen dat het inmiddels mogelijk moet zijn zich een voldoende consistent beeld te vormen van de actuele situatie van “low profile” Gülen-aanhangers. Door geen nader onderzoek te (laten) verrichten alvorens het bestreden besluit te nemen, heeft verweerder onvoldoende invulling gegeven aan de samenwerkingsplicht, zoals opgenomen in artikel 4, eerste lid, van de Kwalificatierichtlijn en onder meer concreet uitgewerkt in artikel 10, derde lid, aanhef en onder b, van de Procedurerichtlijn. Aan het bestreden besluit ligt dan ook een onvoldoende zorgvuldig onderzoek naar de relevante feiten ten grondslag. Daarbij merkt de rechtbank op dat eerst op grond van nauwkeurige en actuele informatie over de algemene situatie in Turkije en in het bijzonder over de situatie van “low profile” aanhangers van de Gülen-beweging in dat land kan worden vastgesteld of eisers deel uitmaken van een groep die systematisch wordt blootgesteld aan een praktijk van onmenselijke behandelingen. Indien dat het geval is, zijn verdere specifieke onderscheidende kenmerken (“special distinguishing features”) waaruit een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM valt af te leiden niet vereist (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 22 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:886). Gelet daarop laat de rechtbank thans in het midden of eisers, naar zij stellen, een positie hebben binnen de Gülen-beweging die het niveau van louter sympathisant overstijgt. In hoeverre dit een relevant criterium is zal pas kunnen blijken op grond van nader onderzoek.

3.4.

Het betoog van eisers slaagt.

4. De beroepen zijn gegrond en de bestreden besluiten dienen te worden vernietigd.

5. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten.

Nu sprake is van samenhangende zaken stelt de rechtbank deze in verband met de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand gemaakte kosten met toepassing van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van de beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van

€ 501,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten;

- draagt verweerder op met inachtneming van deze uitspraak nieuwe besluiten te nemen op de aanvragen van eisers;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.002,-, gelijkelijk te verdelen over de drie zaken.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.P.M. Weerdesteijn, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.F.J. van Beek, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

30 maart 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.