Vreemdelingenrecht
Zicht op uitzetting Marokko aantallen
Rechtbank Rotterdam, 5 april 2018
ECLI:NL:RBROT:2018:2721 · Rechtbank Rotterdam · 5 april 2018
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbrot-2018-2721
Zaakgegevens
Op 5 april 2018 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Gravenhage
- Datum uitspraak
- 5 april 2018
- Datum publicatie
- 5 april 2018
- Zaaknummer
- nl18.5534
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2018:2721
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Zicht op uitzetting Marokko aantallen
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL18.5534
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 april 2018 in de zaak tussen
[eiser]
(gemachtigde: mr. G.A.J. Purperhart),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: mr. V.A.M.W. ’t Hoen).
Procesverloop
Bij besluit van 15 maart 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder op grond van
artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep strekt van rechtswege ook tot toekenning van schadevergoeding.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen R. al Hadjiui. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser is van Marokkaanse nationaliteit. Hij is geboren op 1 juli 1977.
2. Eiser heeft aangevoerd dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering naar Marokko is, althans dat dat onvoldoende is gemotiveerd.
In hetgeen eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering naar Marokko is. De reden hiervoor is in de eerste plaats de verklaring van verweerder ter zitting over de navolgende gegevens met betrekking tot de afgifte van laissez passers (lp’s).
Over 2017
- 24 x bevestiging van de nationaliteit;
- 11 lp’s verstrekt;
- 10 vreemdelingen zijn met een met lp vertrokken naar Marokko, waarvan 2 via de Internationale Organisatie voor Migratie;
Over 2018 (tot 12 maart 2018)
- 9 x bevestiging van de nationaliteit;
- 5 lp’s verstrekt;
- 3 vreemdelingen zijn met een met lp vertrokken naar Marokko.
Verder is de verwachting van verweerder, dat er bij de huidige stand van zaken nog 2 lp’s
worden afgegeven.
Voorts heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State laatstelijk bij
uitspraak van 27 november 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:3240) aangenomen dat zicht op
uitzetting naar Marokko nog aanwezig is.
Het feit dat eiser eerder in bewaring heeft gezeten en toen uiteindelijk niet kon
worden uitgezet, maakt het voorgaande niet anders. Het is daarbij ook de rechtsplicht van
eiser om actief en volledig zijn medewerking te verlenen om aanknopingspunten te bieden
ter vaststelling van zijn nationaliteit en identiteit. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
4. Voor zover eiser heeft beoogd aan te voeren dat de belangenafweging in zijn voordeel moet uitvallen, faalt dit betoog. Naar vaste jurisprudentie komt gedurende de eerste zes maanden van de bewaring in beginsel meer gewicht toe aan de belangen van verweerder bij voortduring van de bewaring dan aan de belangen van eiser bij zijn invrijheidstelling. Niettemin kunnen bijzondere omstandigheden ertoe leiden dat aan de belangen van eiser, ook al is de zesmaandentermijn nog niet verstreken, een groter gewicht toekomt dan aan de belangen van verweerder. Hiervan is in het geval van eiser geen sprake.
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F. Frankruijter, rechter, in aanwezigheid van C. Groenewegen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 april 2018.
|
griffier |
rechter |
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.