Vreemdelingenrecht

Bewaring, herzieningsverzoeken eerste beroep en vervolgberoep, afgewezen.

Rechtbank Rotterdam, 21 november 2023

Zaakgegevens

Op 21 november 2023 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
21 november 2023
Datum publicatie
24 november 2023
Zaaknummer
NL23.35409 en NL23.35411
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2023:10968
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Bewaring, herzieningsverzoeken eerste beroep en vervolgberoep, afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: NL23.35409 en NL23.35411


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[verzoeker], verzoeker,

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

(gemachtigde: mr. X.R. Schuitemaker).

Procesverloop

Op 31 juli 2023 heeft verweerder aan verzoeker de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Bij verzoekschrift van 8 november 2023 heeft verzoeker verzocht om herziening van de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 14 augustus 2023 (NL23.21985) en 21 september 2023 (NL23.28576), waarbij de door verzoeker ingediende beroepen tegen de oplegging van de maatregel van bewaring, respectievelijk de voortduring daarvan, ongegrond zijn verklaard.

De rechtbank heeft de herzieningsverzoeken op 15 augustus 2023 op zitting behandeld. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

De herzieningsverzoeken

1. Aan zijn verzoeken om herziening heeft verzoeker, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. De op 24 november 2022 opgelegde maatregel van bewaring is op 9 mei 2023 opgeheven omdat er geen zicht op uitzetting meer bestond. De op 30 juni 2023 opgelegde maatregel van bewaring heeft de rechtbank, bij uitspraak van 28 juli 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:12252, van meet af aan onrechtmatig geacht, omdat het zicht op uitzetting ondeugdelijk was gemotiveerd. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft die uitspraak op 12 oktober 2023 in hoger beroep bevestigd (202304967/1/V3). Het ontbreken van zicht op uitzetting ten tijde van de vorige bewaringsmaatregelen heeft gevolgen voor de maatregel van 31 juli 2023, die in feite een verkapte voorzetting van die maatregelen inhoudt. Er rustte op verweerder een zwaardere bewijslast om aan te tonen dat het zicht op uitzetting wel weer bestaat. Daaraan heeft verweerder niet voldaan. Daarom is de huidige bewaringsmaatregel van meet af aan onrechtmatig en moeten de uitspraken van 14 augustus 2023 (op het eerste bewaringsberoep) en van 21 september 2023 (op het vervolgberoep) worden herzien, aldus verzoeker.

Wettelijk kader

2. Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

3. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling, zoals de uitspraak van 19 januari 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:177), volgt dat herziening een buitengewoon rechtsmiddel is waarmee een onherroepelijke rechterlijke uitspraak kan worden gecorrigeerd indien blijkt dat deze berust op een onjuiste feitelijke grondslag en ook overigens aan de vereisten van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb is voldaan. Alleen aangelegenheden van feitelijke aard kunnen tot herziening leiden.

Oordeel van de rechtbank

4. Naar het oordeel van de rechtbank is niet voldaan aan de in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb genoemde cumulatieve voorwaarden voor herziening. Dat de eerdere bewaringsmaatregelen van 24 november 2022 en 30 juni 2023 zijn opgeheven wegens het ontbreken van zicht op uitzetting was bij verzoeker al bekend vóór de uitspraken van 14 augustus 2023 en 21 september 2023, is door verzoeker in het kader van zijn eerste bewaringsberoep en zijn vervolgberoep zelfs al uitdrukkelijk naar voren gebracht en is door de rechtbank ook betrokken en beoordeeld in de uitspraken van 14 augustus 2023 en 21 september 2023. In zoverre wordt dus (reeds) niet voldaan aan ‘voorwaarde b’ van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. Voor zover verzoeker in het kader van zijn herzieningsverzoeken een beroep doet op de Afdelingsuitspraak van 12 oktober 2023, overweegt de rechtbank dat die Afdelingsuitspraak is gedaan na de uitspraken van 14 augustus 2023 en 21 september 2023 waarvan om herziening wordt verzocht. In zoverre wordt dus (reeds) niet voldaan aan ‘voorwaarde a’ van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb.

5. Nu niet wordt voldaan aan de cumulatieve voorwaarden van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb bestaat er geen grond om de uitspraken van 14 augustus 2023 en 21 september 2023 te herzien.

Conclusie

6. De rechtbank wijst de verzoeken om herziening van de uitspraken van 14 augustus 2023 en 21 september 2023 af.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank wijst de verzoeken om herziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Yildiz, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover daarbij het verzoek om herziening van de uitspraak van 14 augustus 2023 is afgewezen, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Tegen deze uitspraak, voor zover daarbij het verzoek om herziening van de uitspraak van 21 september 203 is afgewezen, staat geen rechtsmiddel open.