Civiel recht overig
Onttrekking advocaat gedaagde. Het recht van gedaade om te mogen concluderen voor antwoord is vervallen…
Rechtbank Rotterdam, 12 juni 2013
ECLI:NL:RBROT:2013:5884 · Rechtbank Rotterdam · 12 juni 2013
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/civiel-recht/civiel-recht-overig/bodemzaak/ecli-nl-rbrot-2013-5884
Zaakgegevens
Op 12 juni 2013 heeft de Rechtbank Rotterdam in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 12 juni 2013
- Datum publicatie
- 31 juli 2013
- Zaaknummer
- C/10/416488 / HA ZA 13-84
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- BodemzaakBodemzaakDe gewone procedure waarin de rechter definitief over het geschil beslist, in tegenstelling tot een kort geding of voorlopige voorziening.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2013:5884
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Onttrekking advocaat gedaagde. Het recht van gedaade om te mogen concluderen voor antwoord is vervallen.
Matiging buitengerechtelijke incassokosten. Nakosten. Toewijzing van het overige.
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team haven en handel
zaaknummer / rolnummer: C/10/416488 / HA ZA 13-84
Vonnis van 12 juni 2013
in de zaak van
de stichting
[eiseres],
gevestigd te 's-Gravenhage,
eiseres,
advocaat mr. J. Verbeeke,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats],
gedaagde,
advocaat voorheen mr. R. Zwiers, thans niet langer ten processe vertegenwoordigd.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
de dagvaarding;
-
de rol/rekestkaart waarin staat vermeld dat op de rolzitting van 10 april 2013 de advocaat
van gedaagde zich heeft onttrokken, waarna zich voor gedaagde geen nieuwe advocaat
heeft gesteld;
- de beslissing van de rolrechter op de rolzitting van 24 april 2013, inhoudende dat het recht
van gedaagde om te mogen concluderen voor antwoord is vervallen;
- de stukken van het op 14 december 2012 ten verzoeke van eiseres en ten laste van
gedaagde onder ABN AMRO Bank N.V. gelegde conservatoire beslag.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De beoordeling
De gevorderde buitengerechtelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 Burgerlijk Wetboek zullen overeenkomstig de aanbevelingen van het rapport Voorwerk II worden begroot op € 3.438,82 (inclusief btw), omdat de daarin gehanteerde tarieven in zijn algemeenheid redelijk worden geacht en eiseres onvoldoende heeft gesteld waaruit blijkt dat meer werkzaamheden zijn verricht dan in het forfaitaire tarief besloten.
De nakosten zullen (voorwaardelijk) worden toegewezen als hierna vermeld.
Voor het overige kunnen de stellingen van eiseres het gevorderde dragen en zijn deze door gedaagde niet weersproken. Het gevorderde moet daarom worden toegewezen.
Eiseres vordert gedaagde te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in art. 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op € 1.770,78 totaal, te weten € 349,78 voor verschotten en € 1.421,00 voor salaris advocaat (1 rekest x € 1.421,00).
Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van eiseres worden begroot op:
-
dagvaarding € 95,92
-
griffierecht 3.715,00
-
salaris advocaat 1.421,00 (1,0 punt × tarief € 1.421,00)
Totaal € 5.231,92.
3 De beslissing
De rechtbank
veroordeelt gedaagde om aan eiseres te betalen een bedrag van € 133.319,90 (zegge: éénhonderddrieëndertigduizend en driehonderdnegentien euro en negentig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het bedrag van € 127.686,40 met ingang van 1 december 2012 tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt gedaagde in de beslagkosten, tot op heden begroot op € 1.770,78, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt gedaagde in de proceskosten, aan de zijde van eiseres tot op heden begroot op € 5.231,92, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt gedaagde tot betaling van € 131,00 aan nakosten, verhoogd met € 68,00 aan betekeningskosten in het geval betekening van de executoriale titel plaatsvindt;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.J. Rutten en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2013.?
1346/209