Civiel recht overig
Wijzigingsverzoek kinder- en partneralimentatie. Partijen hebben een geschil over de uitleg van het…
Rechtbank Rotterdam, 9 december 2014
ECLI:NL:RBROT:2014:9967 · Rechtbank Rotterdam · 9 december 2014
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/civiel-recht/civiel-recht-overig/bodemzaak/ecli-nl-rbrot-2014-9967
Zaakgegevens
Op 9 december 2014 heeft de Rechtbank Rotterdam in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 9 december 2014
- Datum publicatie
- 9 december 2014
- Zaaknummer
- 450640
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- BodemzaakBodemzaakDe gewone procedure waarin de rechter definitief over het geschil beslist, in tegenstelling tot een kort geding of voorlopige voorziening.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2014:9967
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Wijzigingsverzoek kinder- en partneralimentatie. Partijen hebben een geschil over de uitleg van het echtscheidingsconvenant. Diverse door de man gestelde wijzigingen van omstandigheden worden afgewezen.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Team familie 2
zaaknummer / rekestnummer: C/10/450640 / FA RK 14-3696
Beschikking van 9 december 2014 betreffende onderhoudsbijdrage
in de zaak van:
[verzoeker][verzoeker]
wonende te 's-Gravenhage,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. V. Vos te Rotterdam,
t e g e n
[verweerster],
wonende te Papendrecht,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. A.G. Keesmaat te Alblasserdam,
en
[meerderjarige ][meerderjarige ]
wonende te Papendrecht,
hierna te noemen de meerderjarige,
advocaat mr. A.G. Keesmaat te Alblasserdam,
en
[jong meerderjarige ][jong meerderjarige ]
wonende te Papendrecht,
hierna te noemen de jongmeerderjarige,
advocaat mr. A.G. Keesmaat te Alblasserdam.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 02 mei 2014;
- het F9-formulier met bijlage van de man, ingekomen op 22 mei 2014;
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, de meerderjarige en de jongmeerderjarige, ingekomen op 27 juni 2014;
- de brief met bijlagen van de vrouw, de meerderjarige en de jongmeerderjarige, ingekomen op 22 september 2014;
- het F9-formulier van de man, met bijlagen, ingekomen op 3 oktober 2014;
- het F9-formulier van de man, met bijlagen, ingekomen op 8 oktober 2014.
De behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 13 oktober 2014.
Bij die gelegenheid zijn verschenen:
- de man met zijn advocaat en
- de vrouw, de meerderjarige en de jongmeerderjarige met hun advocaat, waarbij de advocaat alsnog pleitaantekeningen en een draagkrachtberekening heeft overgelegd.
2 De vaststaande feiten
De man en de vrouw zijn de ouders van:
-
[meerderjarige ][meerderjarige ] [geboortedatum en plaats meerderjarige];
-
[jong meerderjarige ], [geboortedatum en plaats jong meerderjarige].
Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 16 maart 2009 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Op 14 mei 2009 is deze beschikking ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
Bij voormelde beschikking van de rechtbank Rotterdam van 16 maart 2009 is onder andere bepaald dat:
-
de man, met ingang van 1 januari 2014 en zolang de minderjarigen na hun meerderjarigheid nog bij de vrouw wonen, een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de alsdan meerderjarigen zal voldoen van € 515,-- per maand per kind, telkens bij vooruitbetaling;
-
de man, met ingang van 1 januari 2015, een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw (hierna te noemen: de partnerbijdrage) zal voldoen van € 2.269,67 per maand, telkens bij vooruitbetaling;
-
de tussen partijen getroffen regelingen als neergelegd in het door de rechtbank gewaarmerkte en aangehechte convenant, dat partijen hebben ondertekend op achtereenvolgens 18 en 20 november 2008, zal worden opgenomen.
3 Het verzoek en het verweer tevens houdende zelfstandig verzoek
Het verzoek
De man verzoekt bovengenoemde beschikking en/of convenant te wijzigen en te bepalen:
I. dat de partnerbijdrage met ingang van 1 januari 2014 op nihil zal worden gesteld dan wel een bijdrage in goede justitie te bepalen;
II. dat de bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [meerderjarige ] met ingang van 15 december 2013 op nihil zal worden gesteld dan wel een bijdrage in goede justitie te bepalen;
III. dat de bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [jong meerderjarige ] met ingang van 1 januari 2014 op nihil zal worden gesteld dan wel een bijdrage in goede justitie te bepalen.
Het verweer
De vrouw, de meerderjarige en de jongmeerderjarige verzoeken om de verzoeken van de man af te wijzen.
Bij zelfstandig verzoek verzoeken de vrouw, de meerderjarige en de jongmeerderjarige:
A. te bepalen en voor recht te verklaren dat de man ook nadat[jong meerderjarige ] de 21-jarige leeftijd heeft bereikt € 574,14 per maand dient te voldoen aan de vrouw c.q.[jong meerderjarige ] als bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van[jong meerderjarige ];
B. te bepalen en voor recht te verklaren dat de man ook nadat [meerderjarige ] de 21-jarige leeftijd heeft bereikt € 574,14 per maand dient te voldoen aan de vrouw c.q. [meerderjarige ] als bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie voor[meerderjarige ];
C. te bepalen en voor recht te verklaren dat de alimentatieregeling zoals opgenomen in artikel 3 van het convenant inclusief artikel 2 van de aanvullende overeenkomst van november 2008 zoals beschreven in alinea 86 van het verweerschrift in stand blijft alsmede te bepalen en voor recht te verklaren dat als de bijdrage voor één van de kinderen vervalt ondanks het verweer van de man, hij bij vooruitbetaling aan de vrouw € 3.029,61 per maand dient te voldoen als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud, althans een bijdrage en een ingangsdatum te bepalen als in goede justitie behoort. Kosten rechtens.
4 De beoordeling
[meerderjarige ]
Partijen zijn ter terechtzitting overeengekomen dat ten aanzien van de onderhoudsverplichting jegens [meerderjarige ] sprake is van een wijziging van omstandigheden, aangezien hij per 1 augustus 2014 is gestopt met zijn studie en thans een inkomen uit arbeid geniet. Hierdoor is de man met ingang van 1 augustus 2014 niet langer gehouden om een bijdrage in het levensonderhoud van [meerderjarige ] te voldoen. Partijen zijn ter terechtzitting overeengekomen dat de man voor de periode van 1 januari 2014 tot 1 augustus 2014, te weten de periode dat [meerderjarige ] nog studeerde en de man geen bijdrage heeft voldaan, alsnog een bedrag van in totaal € 2.000,-- aan [meerderjarige ] zal voldoen. De man zal voornoemd bedrag binnen een maand, te rekenen vanaf de zittingsdatum, overschrijven naar de bankrekening van [meerderjarige ].
[jong meerderjarige ]
De periode van 1 maart 2014 tot 1 september 2014
Hoewel partijen het niet eens zijn over de vraag of partijen contractueel overeengekomen zijn dat de man na het 21e levensjaar van [jong meerderjarige ] nog gehouden is om een bijdrage in zijn levensonderhoud en studie te voldoen, hebben partijen ter terechtzitting te kennen gegeven dat zij het er wel over eens zijn dat zij contractueel overeengekomen zijn dat de man in ieder geval tot het 21e levensjaar van [jong meerderjarige ] een bijdrage dient te voldoen zolang wordt voldaan aan de voorwaarden dat [jong meerderjarige ] studeert en bij de vrouw woont. De man stelt dat niet meer wordt voldaan aan deze voorwaarden, aangezien [jong meerderjarige ] op 1 januari 2014 is gestopt met zijn studie. [jong meerderjarige ] betwist dit en voert aan dat hij per
1 maart 2014 (tijdelijk) is gestopt met studeren en vanaf die datum bij de man in dienst is getreden, hetgeen hij heeft onderbouwd met een salarisspecificatie waaruit blijkt dat hij op 1 maart 2014 in dienst is getreden bij [bedrijf] B.V. Nu [jong meerderjarige ] de stelling van de man gemotiveerd heeft betwist, gaat de rechtbank ervan uit dat [jong meerderjarige ] per 1 maart 2014 is gestopt met zijn studie. Tussen partijen is niet in geschil dat [jong meerderjarige ] per 1 september 2014 weer is gaan studeren en dat hij nog woonachtig is bij de vrouw.
Nu de rechtbank er vanuit gaat dat [jong meerderjarige ] van 1 maart 2014 tot 1 september 2014 niet heeft gestudeerd, is niet voldaan aan de tussen de man en de vrouw overeengekomen voorwaarden. De man is hierdoor voor de periode van 1 maart 2014 tot 1 september 2014 niet gehouden aan de contractuele onderhoudsverplichting. Uit de stelling van [jong meerderjarige ] begrijpt de rechtbank echter dat hij, ondanks dat hij in deze periode niet studeerde en een inkomen uit arbeid genoot, op grond van de wettelijke onderhoudsverplichting behoefte had aan een bijdrage van de man. Nu [jong meerderjarige ] heeft nagelaten om een verzoek in te dienen ter zake van de wettelijke onderhoudsverplichting voor de duur van zijn jongmeerderjarigheid, kan de rechtbank hier geen beslissing op nemen en zal het verzoek van de man voor zover dit ziet op voornoemde periode worden toegewezen, te weten dat de bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van Rogier voor de periode van 1 maart 2014 tot en met 1 september 2014 op nihil wordt gesteld.
De periode van 1 januari 2014 tot 1 maart 2014 en de periode vanaf 1 september 2014
Zoals hierboven reeds geoordeeld, zijn partijen het er wel over eens dat zij contractueel overeengekomen zijn dat de man in ieder geval tot [jong meerderjarige ] zijn 21e levensjaar een bijdrage aan hem dient te voldoen zolang [jong meerderjarige ] studeert en bij de vrouw woont. Zoals reeds hierboven is geoordeeld, gaat de rechtbank, ervan uit dat [jong meerderjarige ] van 1 januari 2014 tot 1 maart 2014 heeft gestudeerd en vanaf 1 september 2014 weer studeert. Tussen partijen is niet in geschil dat [jong meerderjarige ] nog woonachtig is bij de vrouw. Er is derhalve voldaan aan de tussen partijen overeengekomen voorwaarden. De man voert echter aan dat sprake is van wijzigingen van omstandigheden, waardoor hij niet langer gehouden is een bijdrage te voldoen. Hij voert ten aanzien van de door hem aan [jong meerderjarige ] te betalen bijdrage vier wijzigingsgronden aan, te weten (1) de studie van [jong meerderjarige ], (2) zijn meerderjarigheid en de daarmee veranderende behoefte, (3) de verandering van het inkomen van de vrouw en (4) de draagkracht van de man.
Ten aanzien van de eerste door de man gestelde wijziging (welke hetzelfde is als de tussen partijen overeengekomen voorwaarde dat Rogier studeert) is voor deze perioden geen sprake van een wijziging van omstandigheden.
Ten aanzien van de tweede door de man gestelde wijziging is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een wijziging, aangezien het (jong)meerderjarig worden van Rogier en de daarmee veranderende behoefte een wijziging is die voorzienbaar was op het moment dat de contractuele afspraken tussen partijen werden gemaakt. Partijen hebben destijds derhalve toch gekozen voor het overeengekomen bedrag (waarin de behoefte is verdisconteerd) waardoor geen sprake is van een rechtens relevante wijziging. Daar komt bij dat de stelling van de man, dat [jong meerderjarige ] zijn behoefte niet nader heeft onderbouwd waardoor zijn aanvullende behoefte niet kan worden vastgesteld, geen hout snijdt. Voor een kinderbijdrage geldt namelijk de eis van behoeftigheid niet, ongeacht of het kind minderjarig of jongmeerderjarig is.
Ten aanzien van de derde door de man gestelde wijziging is de rechtbank van oordeel dat niet is vast te stellen op welke manier het huidige inkomen van de vrouw van invloed is op de destijds in het convenant gemaakte afspraken ten aanzien van de bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [jong meerderjarige ]. Om te bepalen of sprake is van een wijziging van omstandigheden die ten grondslag heeft gelegen aan de overeengekomen bijdrage, dient namelijk vast te staan welke uitgangspunten partijen gehanteerd hebben bij de door hen overeengekomen bijdrage. In het convenant is niet opgenomen op grond van welke omstandigheden partijen de bijdrage overeengekomen zijn, meer in het bijzonder of de vrouw ten tijde van het sluiten van het convenant inkomsten genoot en zo ja van welk inkomen partijen aan de zijde van de vrouw ten tijde van het sluiten van het convenant zijn uitgegaan. Voorts is uit de stellingen van partijen niet vast komen te staan of de vrouw ten tijde van het tekenen van het convenant werkte en indien zij werkte welk inkomen zij genoot en op welke wijze met dit inkomen rekening is gehouden in de overeengekomen bijdrage. Het had op de weg van de man gelegen, nu hij een wijziging verzoekt, zijn stelling te onderbouwen. Daar komt bij dat niet is gebleken op welke wijze partijen ten aanzien van de (verdeling van de) overeengekomen “kinderbijdrage” tevens rekening hebben gehouden met hetgeen zij overeengekomen zijn in artikel 3.3 van het convenant dan wel artikel 2 van de aanvullende overeenkomst (welk artikelen zien op de partneralimentatie), te weten dat de (eventuele) inkomsten uit arbeid van de vrouw zolang deze een bedrag van € 2.000,-- bruto per maand dan wel € 1.500,-- bruto per maand exclusief vakantiegeld niet te boven gaan, geen invloed hebben op de hoogte van de alimentatie. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet kan worden vastgesteld of het huidige inkomen van de vrouw een wijziging van opstandigheden oplevert ten aanzien van de (verdeling van de) overeenkomen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [jong meerderjarige ].
De man stelt ten aanzien van de vierde wijziging dat hij per 1 januari 2014 genoodzaakt is om het uit zijn onderneming aan hem toegekende salaris te verlagen, aangezien de omzet van zijn onderneming de afgelopen jaren is gedaald. De vrouw betwist de stelling van de man gemotiveerd. Vast staat dat partijen ten tijde van het overeenkomen van de alimentatie uitgegaan zijn van een inkomen aan de zijde van de man van € 108.176,63 bruto per jaar en dat de man thans een salaris uit zijn onderneming ontvangt van € 7.000,-- bruto per maand. Voor de rechtbank is echter uit de door de man overgelegde stukken niet af te leiden dat hij ertoe genoodzaakt is om zijn salaris te verlagen. Het door de man overgelegde overzicht van de omzet die ziet op de klanten [bedrijf], [bedrijf] en [bedrijf] is, mede in het licht van de gemotiveerde betwisting van de vrouw, niet afdoende om zijn stelling te onderbouwen. Mede omdat dit een zelf door de man opgesteld overzicht is, welk overzicht niet is onderbouwd met verifieerbare bescheiden. De man heeft hierdoor onvoldoende inzicht gegeven in de huidige financiële situatie van zijn onderneming. Het had op de weg van de man gelegen alle relevante stukken over te leggen, zoals verzocht in de door de rechtbank verzonden oproepingsbrief, met name de laatste drie vastgestelde jaarrekeningen (en niet de conceptjaarrekeningen) met daarin opgenomen de balans, de winst- en verliesrekening met toelichting inclusief de kasstroomoverzichten, de laatste drie aangiften inkomstenbelasting, alsmede de bijbehorende (definitieve) aanslagen, waardoor de huidige verdiencapaciteit van de man vastgesteld had kunnen worden. Nu de man dit heeft nagelaten, dient het voor zijn rekening en risico te komen dat onvoldoende inzicht is in zijn huidige financiële situatie waardoor niet is vast te stellen of sprake is van een wijziging van het inkomen van de man ná de tussen partijen in het convenant overeengekomen bijdrage.
Het verzoek van de man om de overeengekomen bijdrage ten aanzien van [jong meerderjarige ] (voor zover dit die ziet op de periode van 1 januari 2014 tot 1 maart 2014 en de periode vanaf 1 september 2014) te wijzigen, zal dan ook, alles overziend, worden afgewezen.
De periode vanaf 1 januari 2017 (te weten vanaf [jong meerderjarige ] zijn 21e levensjaar)
Nu partijen het niet eens zijn over de periode tot wanneer de man een bijdrage aan [jong meerderjarige ] dient te voldoen, gaat het hier om de uitleg van een geschrift waarin de verhouding tussen partijen is geregeld. Die uitleg kan niet alleen worden gegeven op grond van een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen ervan. Het komt ook aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkanders verklaringen en gedragingen en aan de bepalingen van dat geschrift mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635 - [bedrijf]). Voorts volgt uit HR 20 februari 2004, NJ 2005, 493 ([bedrijf]) dat bij de uitleg van een dergelijk geschrift telkens alle omstandigheden van het concrete geval van beslissende betekenis zijn, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen, alsmede dat in praktisch opzicht de taalkundige betekenis van de bewoordingen van het geschrift vaak van groot belang is, gelezen in de context als geheel, die deze in het maatschappelijk verkeer normaal gesproken heeft.
Ter terechtzitting hebben partijen te kennen gegeven dat zij destijds contractueel overeengekomen zijn dat de man in ieder geval tot het 21e levensjaar van [jong meerderjarige ] een bijdrage van € 515,-- per maand dient te voldoen zolang [jong meerderjarige ] studeert en bij de vrouw woont. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt niet uit artikel 2.5 van het convenant dat partijen overeengekomen zijn dat de contractuele verplichting van de man stopt na de 21e jarige leeftijd van de kinderen. Daar komt bij dat de afspraak die partijen per 1 januari 2014 hebben gemaakt ten aanzien van de hogere door de man te betalen bijdrage niet goed “past” in de stelling van de man dat hij tot het 21e levensjaar van de kinderen een bijdrage dient te voldoen. Een verhoging van de bijdrage voor beide kinderen met ingang van 1 januari 2014 had namelijk niet hoeven plaatsvinden als partijen er vanuit waren gegaan dat de alimentatie voor [meerderjarige ] per 1 januari 2014 zou eindigen, te weten een datum waarop [meerderjarige ] reeds 21 jaar oud is. Voorts is uit de stellingen van partijen niet gebleken dat zij redelijkerwijs aan elkanders verklaringen en gedragingen mochten afleiden dat zij onbewust zijn afgeweken van het wettelijk uitgangspunt. De vrouw heeft namelijk ter terechtzitting te kennen gegeven dat zij ten tijde van het overeenkomen van het convenant erg ziek was, waardoor de man de meeste zaken met haar vader en haar toenmalige advocaat heeft geregeld. Niet is gebleken dat de vader van de vrouw en de toenmalige advocaat van de vrouw iets ander overeengekomen zijn dan letterlijk uit de tekst van het convenant op te maken is.
Gezien bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat uitgegaan moet worden van de letterlijke tekst van het convenant, te weten dat de man met ingang van 1 januari 2014 en zolang de kinderen na hun meerderjarigheid nog bij de vrouw wonen, hij aan de vrouw een bijdrage voor de kinderen van € 515,-- per kind per maand dient te betalen. [jong meerderjarige ] heeft echter verzocht te bepalen dat de man, ook nadat hij de 21-jarige leeftijd heeft bereikt, € 574,14 per maand dient te voldoen. De rechtbank wijst, nu er thans geen wijzigingen van omstandigheden zijn, het minder verzochte toe, te weten dat de man de in het convenant overeengekomen bijdrage van € 515,-- per maand dient te voldoen, rekening houdende met de wettelijke indexering. Hierbij merkt de rechtbank op dat in de beschikking van deze rechtbank d.d. 16 maart 2009 reeds is bepaald dat de man per 1 januari 2014 een bijdrage van € 515,-- per maand dient te voldoen, echter nu ter terechtzitting uit de stellingen van partijen is gebleken dat hieraan toegevoegd dient te worden dat de overeengekomen bijdrage van € 515,-- per maand geldt voor de periode dat [jong meerderjarige ] bij de vrouw woont en studeert, zal de rechtbank voornoemde alsnog in het dictum opnemen. De rechtbank zal opnemen dat de man van 1 januari 2014 tot 1 maart 2014 en vanaf 1 september 2014 een bijdrage van € 515,-- per maand dient te voldoen zolang [jong meerderjarige ] bij de vrouw woont en studeert, rekening houdende met de wettelijke indexering. Het is niet mogelijk om op te nemen dat de man per 1 januari 2017 een bijdrage dient te voldoen, aangezien thans niet voor de rechtbank te berekenen is wat het geïndexeerde bedrag in 2017 zal zijn.
De vrouw
De behoeftigheid van de vrouw c.q. de verdiencapaciteit van de vrouw
Partijen zijn in artikel 3.3 van het convenant en in artikel 4 van de aanvullende overeenkomst overeengekomen dat de vrouw zich zal inspannen om in haar eigen levensonderhoud te gaan voorzien respectievelijk dat de vrouw alles in het werk zal stellen om een fulltime dienstbetrekking te verkrijgen en in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Zoals reeds eerder te kennen is gegeven, gaat het hier om de uitleg van een geschrift waarin de verhouding tussen partijen is geregeld. Volgens de man dient de inspanningsverplichting zodanig te worden uitgelegd dat de vrouw per 1 januari 2014 in haar eigen levensonderhoud dient te voorzien, waardoor hij vanaf voornoemde datum niet meer gehouden is tot betaling van een partnerbijdrage. De vrouw voert aan dat partijen overeengekomen zijn dat zij zich zal inspannen om in haar eigen levensonderhoud te voorzien, maar dit betekent niet dat de man met ingang van het jongmeerderjarig zijn van [jong meerderjarige ] (te weten 1 januari 2014) niet meer gehouden is tot betaling van een partnerbijdrage. Daar komt bij dat het volgens de vrouw, gelet op haar gezondheidsklachten en de economische crisis, voor haar niet mogelijk is om een fulltime dienstbetrekking aan te gaan.
De rechtbank is van oordeel dat aan artikel 3.3. van het convenant en uit artikel 4 van de aanvullende overeenkomst niet de conclusie kan worden verbonden dat de vrouw tot 1 januari 2014 de tijd werd geboden om er zorg voor te dragen dat zij vanaf dat moment in haar eigen levensonderhoud dient te voorzien. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de vrouw, door middel van het overleggen van een verklaring van haar werkgever, gemotiveerd heeft betwist dat het thans niet mogelijk is om een fulltime dienstbetrekking bij haar huidige werkgever te verkrijgen.
Tevens heeft de vrouw onweersproken gesteld dat zij door fulltime te gaan werken in bijvoorbeeld een kledingzaak, geen hoger inkomen kan verwerven dan zij thans met haar 32-urige dienstverband verwerft.
De gewijzigde omstandigheden
De man voert aan dat sprake is van wijzigingen van omstandigheden, waardoor hij niet langer gehouden is een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw te voldoen. Hij voert hiertoe drie wijzigingsgronden aan, te weten (1) de verandering van het inkomen van de vrouw, (2) de draagkracht van de man en (3) het huwelijk van de man met [huidige echtgenote man].
Ten aanzien van de eerste door de man gestelde wijziging is de rechtbank van oordeel dat in het convenant reeds rekening is gehouden met het gegeven dat de vrouw mogelijk een inkomen zou gaan verwerven. De man heeft niet gesteld dat het thans door de vrouw verworven inkomen hoger is dan het inkomen dat zij in artikel 3.3. van het convenant overeengekomen zijn.
Ten aanzien van de tweede wijziging wordt verwezen naar hetgeen in rechtsoverweging 4.2.2. is overwogen ten aanzien van de draagkracht van de man. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.
Ten aanzien van de derde wijziging is de rechtbank van oordeel dat de man niet heeft voldaan aan zijn stelplicht. De man had volledig inzicht moeten verschaffen in de (financiële)gezinssituatie ten tijde van het overeenkomen van het convenant met zijn toenmalige echtgenote [toenmalige echtgenote man]zodat een vergelijk kan worden gemaakt met de (financiële)gezinssituatie met zijn huidige echtgenote[huidige echtgenote man]. De man heeft middels het F9-formulier van 3 oktober 2014, productie 25, een afschrift overgelegd waaruit volgens hem dient te blijken dat zijn overleden echtgenote[toenmalige echtgenote man] in 2009 een belastbaar inkomen in box 1 heeft genoten van € 56.051,--. Niet is gebleken waar dit afschrift op ziet en voorts is dit afschrift niet onderbouwd met verifieerbare bescheiden. Daar komt bij dat niet is gebleken op welke manier het inkomen van[toenmalige echtgenote man] en de kosten voor haar minderjarige kind destijds meegenomen zijn in de onderhandelingen en de uiteindelijke berekening van de draagkracht van de man voor de te betalen partneralimentatie aan de vrouw.
Gelet op voorgaande is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden waardoor het convenant gewijzigd dient te worden.
Het zelfstandig verzoek van de vrouw ten aanzien van de partnerbijdrage
De vrouw verzoekt te bepalen en voor recht te verklaren dat, vanwege de koppeling in het convenant tussen de kinder- en partnerbijdrage, als één van de bijdragen van de kinderen komt te vervallen aangesloten dient te worden bij de bijdrage in het convenant ter hoogte van € 2.717,58, thans geïndexeerd € 3.029,61. De man heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de vrouw. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw afwijzen, nu niet uit de zuiver taalkundige uitleg van het convenant is gebleken dat partijen de door de vrouw gestelde koppeling voor ogen hadden. Voorts is niet gesteld of gebleken dat partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkanders verklaringen en gedragingen en aan de bepalingen van dat geschrift de door de vrouw gestelde uitleg van het convenant mochten toekennen dan wel dat zij dit redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.
Voorts heeft de vrouw verzocht te bepalen en voor recht te verklaren dat de alimentatieregeling zoals opgenomen in artikel 3 van het convenant en in artikel 2 van de aanvullende overeenkomst van november 2008 in stand blijft. De rechtbank zal dit verzoek afwijzen, aangezien de vrouw geen belang heeft bij dit verzoek. De rechtbank heeft namelijk reeds bij beschikking van 16 maart 2009 bepaald dat de tussen partijen getroffen regelingen als neergelegd in het (door de rechtbank gewaarmerkte en aan de beschikking gehechte) convenant, zijn opgenomen in voornoemde beschikking. Nu geen sprake is van een rechtens relevante wijziging ten aanzien van hetgeen over de partneralimentatie is bepaald, behoudt de beschikking van 16 maart 2009 gezag van gewijsde.
5 De beslissing
De rechtbank:
bepaalt dat de man ten aanzien van de periode van 1 januari 2014 tot 1 augustus 2014 een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van Robin dient te voldoen van in totaal € 2.000,--;
bepaalt dat de bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [meerderjarige ] met ingang van 1 augustus 2014 op nihil zal worden gesteld;
bepaalt dat de man aan de vrouw, van 1 januari 2014 tot 1 maart 2014 en vanaf 1 september 2014 voor zolang [jong meerderjarige ] tijdens zijn jongmeerderjarigheid en zijn meerderjarigheid nog bij de vrouw woont en studeert, als bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [jong meerderjarige ] een bedrag zal voldoen van € 515,-- per maand, voor wat betreft de na heden te verschijnen termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen, te vermeerderen met iedere uitkering die hem op grond van geldende wetten of regelingen ten behoeve van [jong meerderjarige ] kan of zal worden verleend;
bepaalt dat de bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [jong meerderjarige ] voor de periode van 1 maart 2014 tot 1 september 2014 op nihil zal worden gesteld;
compenseert de proceskosten zodat ieder van partijen de eigen proceskosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. M.B. van den Enden, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. N.A.J.M. Rasenberg op 9 december 2014. |
||
Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden voor het instellen van hoger beroep.