Personen- en familierecht
Ander bedrag kinderalimentatie overeengekomen of wijziging obv art. 1:401 lid 5 BW of obv art. 1:401 lid 1…
Rechtbank Rotterdam, 10 september 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:13719 · Rechtbank Rotterdam · 10 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/civiel-recht/personen-en-familierecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbrot-2026-13719
Zaakgegevens
Op 10 september 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 10 september 2026
- Datum publicatie
- 11 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/10/703904 / FA RK 25-5671
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:13719
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Ander bedrag kinderalimentatie overeengekomen of wijziging obv art. 1:401 lid 5 BW of obv art. 1:401 lid 1 BW. Wijziging met terugwerkende kracht.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/703904 / FA RK 25-5671
Beschikking van 10 september 2026 over de onderhoudsbijdrage
in de zaak tussen:
[de man] , hierna: de man,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. A. Harent te Dordrecht,
e n
[de vrouw] , hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. G.A. Nandoe Tewarie te Den Haag.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
het verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 23 juli 2025;
-
het verweerschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 13 augustus 2025;
-
het bericht met bijlagen van de man, ingekomen op 25 augustus 2025;
-
het bericht met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 27 augustus 2025;
-
het bericht van de man van 28 augustus 2025;
-
het bericht van de vrouw van 28 augustus 2025;
-
de beschikking van 29 augustus 2025 (beslissing over de provisionele vordering);
-
het bericht met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 10 maart 2026;
-
het bericht, tevens voorwaardelijk aanvullend verzoek, met bijlagen van de man, ingekomen op 23 maart 2026;
-
het bericht met bijlage van de vrouw, ingekomen op 25 maart 2026.
Buiten de toegestane termijn is het volgende stuk overgelegd:
- het verzoek met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 17 augustus 2026.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op
25 augustus 2026. Daarbij zijn verschenen:
-
de man met zijn advocaat en
-
de vrouw met haar advocaat.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man bezwaar gemaakt tegen de behandeling van het verzoek van de vrouw van 17 augustus 2026 en heeft hij verzocht om een verweertermijn. De rechtbank heeft tijdens de mondelinge behandeling aan partijen kenbaar gemaakt dat dit verzoek nog niet wordt behandeld, maar als een afzonderlijk verzoek wordt afgesplitst onder zaaknummer C/10/725388 / FA RK 26-6922. De man zal in die zaak de gebruikelijke verweertermijn krijgen.
Beide minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hun mening kenbaar gemaakt. Zij schreven ieder afzonderlijk op 14 augustus 2026 een brief aan de rechtbank.
2 De vaststaande feiten
Partijen zijn op [datum] gehuwd.
De minderjarige kinderen van partijen zijn:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2009 te [geboorteplaats 1] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2012 te [geboorteplaats 1] .
Bij beschikking van de rechtbank Overijssel van 24 juni 2020 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand op 7 juli 2020. In deze beschikking is tevens het door partijen ondertekende echtscheidingsconvenant, tevens houdende het ouderschapsplan, opgenomen. Daarin is onder meer afgesproken dat de man aan de vrouw een bedrag van € 500,- per maand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna: kinderbijdrage) betaalt. Daarnaast zijn partijen overeengekomen dat bijzondere kosten, zoals niet vergoede ziektekosten, schoolkampen, fiets en computer, na overleg zullen worden betaald in de verhouding 50% voor de vrouw en 50% voor de man.
De man is ook ouder van:
[minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2001 te [geboorteplaats 2] en
[minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum 4] 2004 te [geboorteplaats 2] .
De vrouw heeft het Nationaal Loket Alimentatie Inning (hierna: het NLAI) ingeschakeld in verband met een betalingsachterstand van de man van de kinderbijdrage. Bij brief van 10 juni 2025 heeft het NLAI de man aangemaand een achterstand ten bedrage van
€ 10.386,19 te voldoen.
Bij beschikking van 29 augustus 2025 is in deze zaak in het kader van de provisionele vordering op grond van artikel 223 Rv beslist:
-
dat de man met ingang van 1 september 2025 een voorlopige kinderbijdrage van € 613,73 per maand voor beide minderjarigen gaat voldoen;
-
dat de vrouw de door haar gestarte executiemaatregelen opschort;
-
dat partijen in overleg gaan over een definitieve afspraak.
Het is partijen uiteindelijk niet gelukt een definitieve afspraak te maken.
3 De beoordeling
De man verzoekt de beschikking van de rechtbank Overijssel van 24 juni 2020 te wijzigen en de kinderbijdrage met ingang van 7 juli 2020 vast te stellen op € 150,- per minderjarige per maand, te verhogen met de wettelijke indexering vanaf 1 januari 2021, althans te verklaren voor recht dat partijen zijn overeengekomen dat in afwijking van wat is overeengekomen in het ouderschapsplan de kinderbijdrage € 300,- per maand zal bedragen in plaats van € 500,-.
Ander bedrag overeengekomen of wijziging op grond van artikel 1:401 lid 5 BW
Primair betoogt de man dat sprake is van grove miskenning van de wettelijke maatstaven toen partijen onder begeleiding van een mediationbureau afspraken hebben gemaakt over de kinderbijdrage ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Deze afspraken zijn vastgelegd in het ouderschapsplan en maken onderdeel uit van de beschikking van
24 juni 2020. De grove miskenning is dat in de draagkrachtberekening van toentertijd de andere twee kinderen van de man, [minderjarige 3] en [minderjarige 4] , niet zijn meegenomen. Tijdens het huwelijk met de vrouw betaalde de man voor deze twee kinderen een kinderbijdrage van
€ 125,- per maand per kind. Volgens de man hebben partijen na de beschikking van 24 juni 2020 mondeling afgesproken dat de kinderbijdrage voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tezamen € 300,- per maand zou gaan bedragen zodat hij zijn onderhoudsverplichting voor alle vier de kinderen kon blijven nakomen. Zodra [minderjarige 3] en [minderjarige 4] de eenentwintigjarige leeftijd zouden bereiken, zou de kinderbijdrage voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hoger worden omdat er dan bij de man een hogere draagkracht ontstond.
De vrouw betwist de grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Volgens de vrouw is de kinderbijdrage van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] wel degelijk bij de totstandkoming van de afspraken in het ouderschapsplan betrokken. De vrouw betwist verder dat partijen mondeling hebben afgesproken dat de kinderbijdrage voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] € 300,- zou gaan bedragen. Het klopt dat de man vanaf het begin een lagere kinderbijdrage betaalde van € 300,- per maand, maar de vrouw was het hier niet mee eens. Volgens haar heeft de man voldoende draagkracht om € 500,- per maand te betalen. Daarom heeft zij het NLAI benaderd om de achterstallige kinderbijdrage bij de man te innen.
Naar het oordeel van de rechtbank is niet komen vast te staan dat partijen, in afwijking van het in de beschikking van 24 juni 2020 opgenomen ouderschapsplan, een kinderbijdrage van € 300,- per maand zijn overeengekomen. De vrouw heeft deze stelling gemotiveerd betwist en dit strookt ook niet met de incassomaatregelen die zij heeft genomen. De rechtbank zal het verzoek om te verklaren voor recht dat de overeengekomen kinderbijdrage € 300,- per maand is, afwijzen.
De wet biedt op grond van artikel 1:401 lid 5 BW de mogelijkheid een overeenkomst over levensonderhoud te wijzigen als zij is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven. De contractsvrijheid van ouders bij afspraken over kinderalimentatie wordt begrensd door de dwingendrechtelijke regel dat de kinderbijdrage ten minste moet voldoen aan de wettelijke maatstaven. Uit het dwingendrechtelijke karakter van deze regel volgt dat daarvan niet ten nadele van minderjarige kinderen kan worden afgeweken, ook niet als die afwijking bewust is overeengekomen. Er mag wel ten gunste van minderjarige kinderen worden afgeweken van die wettelijke maatstaven. Is dat het geval dan is wijziging van de overeengekomen kinderalimentatie op de voet van artikel 1:401 lid 5 BW in beginsel niet mogelijk als die afwijking bewust heeft plaatsgevonden, en dus niet het gevolg is van onjuist inzicht in de betekenis van de maatstaven of doordat is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens. Dat kan anders zijn als de onderhoudsplichtige ouder ook onderhoudsverplichtingen heeft jegens andere kinderen, onder wie kinderen uit andere relaties omdat rekening gehouden moet worden met onderhoudsverplichtingen jegens andere kinderen (ECLI:NL:HR:2021:422).
Met grove miskenning van de wettelijke maatstaven wordt bedoeld dat, uitgaande van dezelfde gegevens, geen duidelijke wanverhouding mag bestaan tussen de kinderbijdrage waartoe de rechter zou hebben beslist en de kinderbijdrage die partijen zijn overeengekomen.
De rechtbank zal, ter toetsing van de grove miskenning van de wettelijke maatstaven, een berekening maken aan de hand van gegevens zoals partijen die ten tijde van het opstellen van het ouderschapsplan als uitgangspunt hanteerden. Het NBI van partijen en de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , zoals die in de berekening van toentertijd zijn opgenomen, neemt de rechtbank over. Eveneens neemt de rechtbank de zorgkorting van 15% in haar berekening mee, omdat alleen gekeken wordt in hoeverre sprake is een grove miskenning van de wettelijke maatstaven als met alle vier kinderen rekening wordt gehouden. Het enige verschil met de berekening van destijds is dat de rechtbank bij de berekening (berekening 1) rekening houdt met de onderhoudsverplichting van de man voor zijn vier kinderen.
De rechtbank zal de kinderbijdrage voor [minderjarige 3] en [minderjarige 4] van in totaal € 250,- per maand in mindering brengen op de draagkracht van de man. Deze wijze van berekenen is afwijkend van het rekenmodel zoals dit normaal bij samengestelde gezinnen wordt gebruikt. Dit is omdat bij de rechtbank de nodige informatie ontbreekt zoals:
-
wat is de behoefte van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] ;
-
wat is de draagkracht van de andere ouder die voor [minderjarige 3] en [minderjarige 4] onderhoudsplichtig is;
-
is er een zorgkorting van toepassing voor [minderjarige 3] en [minderjarige 4] , en zo ja, welk percentage;
-
hoe gaan partijen er mee om als sprake is van een tekort in draagkracht.
De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening 1) het netto besteedbaar inkomen van de man over het jaar 2020 op € 2.993,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende gegevens:
- basisloon € 39.840 per jaar
- vakantiegeld 8% op jaarbasis
- belaste gratificaties e.d. € 6.779,- per jaar, in totaal.
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting
- de arbeidskorting.
De draagkracht van de man wordt, omdat het NBI hoger is dan € 1.660,- (het gaat om de tarieven 2020, eerste helft), vastgesteld aan de hand van de volgende formule:
70% x [NBI – (0,3xNBI + 975)] en bedraagt € 755,- per maand.
Op deze draagkracht brengt de rechtbank de kinderbijdrage voor [minderjarige 3] en [minderjarige 4] van € 250,- per maand in mindering. Er resteert voor het berekenen van het aandeel van de man in de kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een draagkracht van 505,- per maand (€ 253,- per maand per minderjarige).
Partijen zijn het er over eens dat het NBI van de vrouw € 892,- per maand bedraagt. Dat betekent dat haar draagkracht aan de hand van de tabel kan worden vastgesteld op € 50,- per maand (€ 25,- per maand per minderjarige).
Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen (€ 253,- + € 25,- = € 278,- per maand per minderjarige) lager is dan de behoefte van de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (€ 365,- per maand per minderjarige) kan een draagkrachtvergelijking achterwege blijven. De rechtbank zal het tekort aan beide ouders voor de helft toerekenen. Dit geschiedt als volgt:
Het tekort bedraagt € 87,- (€ 365 – € 278) en de helft daarvan is € 44,- (afgerond).
Dit bedrag wordt afgetrokken van de zorgkorting van € 55,- (15% van € 365,-), zodat resteert € 55 - € 44 = € 11. Dit restant komt in mindering op de eerder berekende bijdrage van de man: € 253 - € 11 = € 242,- per maand per minderjarige. Dit komt neer op een totaal van € 484,- per maand voor twee minderjarigen.
Gezien de uitkomst van berekening 1 slaagt het betoog van de man dat sprake is van een grove miskenning van de wettelijke maatstaven niet. In berekening 1 houdt de rechtbank rekening met de onderhoudsplicht voor vier kinderen van de man en dit leidt niet tot een duidelijke wanverhouding tussen de kinderbijdrage waartoe de rechter zou hebben beslist en de kinderbijdrage die partijen zijn overeengekomen.
Wijziging op grond van artikel 1:401 lid 1 BW
De man betoogt subsidiair dat er gewijzigde omstandigheden zijn sinds het vastleggen van de kinderbijdrage in het ouderschapsplan waarbij een zorgkorting van 15% gold. In de praktijk waren de minderjarigen vanaf het begin af aan vaker bij hem (gemiddeld drie dagen per week). Ondanks dat het verblijf van de minderjarigen bij hem, gelet op zijn vaardiensten, wisselend was, moet volgens de man op grond van het gemiddelde aantal dagen per week worden uitgegaan van een zorgkorting van 35%. De vrouw betwist dit. Zij voert aan dat de man veel dagen niet beschikbaar was doordat hij varen was. Wel bevestigt de vrouw dat de minderjarigen vaker naar de man gingen dan tot uitdrukking komt bij een zorgkorting van 15%. Zij vindt een zorgkorting van 25% meer passend. Volgens haar levert dit echter geen rechtens relevante wijziging van de omstandigheden op op grond waarvan de kinderbijdrage moet worden gewijzigd.
Op grond van artikel 1:401 lid 1 BW kan een rechterlijke uitspraak of overeenkomst over levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Deze wettelijke maatstaven zijn de behoeften van de alimentatiegerechtigde en de draagkracht van de alimentatieplichtige (artikel 1:397 lid 1 BW). Niet elke wijziging van omstandigheden is voldoende voor wijziging van de onderhoudsbijdrage. Alleen die wijzigingen waardoor het aanvankelijk vastgestelde of overeengekomen bedrag niet langer voldoet aan de wettelijke maatstaven, zijn in dit opzicht rechtens relevant. Volgens vaste rechtspraak moet in geval van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden een volledige herbeoordeling plaats vinden aan de hand van alle op dat moment bestaande omstandigheden.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man met de door hem overgelegde overzichten (bij zijn bericht van 25 augustus 2025 en bij zijn bericht van 23 maart 2026) zijn stellingen over de verblijfsdagen van de minderjarigen bij hem voldoende onderbouwd. Daartegenover staat de betwisting van de vrouw die verwijst naar de door haar overgelegde overzichten (bij haar verweerschrift en bij haar bericht van 10 maart 2026). De overzichten van de vrouw weerleggen onvoldoende de juistheid van de weergave van het gemiddelde aantal verblijfsdagen zoals door de man opgesteld. De rechtbank gaat daarom uit van de juistheid van de stellingen van de man daarover en neemt een zorgkorting van 35% aan.
Om te kunnen oordelen of bij een zorgkorting van 35% sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden maakt de rechtbank opnieuw een berekening, genaamd berekening 2. In deze berekening gelden dezelfde uitgangspunten als in berekening 1, uitgezonderd de zorgkorting. De rechtbank verwijst hiervoor naar de bijlage bij deze beschikking.
De rechtbank bepaalt, onder verwijzing naar berekening 1, het netto besteedbaar inkomen van de man over het jaar 2020 op € 2.993,- per maand. Daarbij bedraagt de draagkracht van de man € 755,- per maand. Hierop strekt in mindering de kinderbijdrage voor [minderjarige 3] en [minderjarige 4] van € 250,- per maand, zodat resteert een draagkracht van € 505,- per maand voor het berekenen van zijn aandeel in de kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (€ 253,- per maand per minderjarige). Het NBI van de vrouw bedraagt € 892,- per maand, zodat haar draagkracht € 50,- per maand bedraagt (€ 25 per maand per minderjarige).
Een zorgkorting van 35% komt neer op € 365,- x 35% = afgerond € 128,- per maand per minderjarige.
Omdat de draagkracht van beide ouders tezamen onvoldoende is om volledig in de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te voorzien, wordt het tekort aan beide ouders voor de helft toegerekend. Dit geschiedt als volgt:
Het tekort bedraagt € 87,- (365 – 278) zodat de helft daarvan is € 44,- afgerond.
Laatstgenoemd bedrag wordt afgetrokken van de zorgkorting van € 128,-, zodat resteert
(€ 128 - € 44 =) € 84,-.
Dit restant komt in mindering op de eerder berekende bijdrage van de man: € 253 - € 84 =
€ 168,- per maand per minderjarige. Dit komt neer op een totaal van € 337,- (afgerond) per maand voor twee minderjarigen.
Gezien de uitkomst van berekening 2 slaagt het betoog van de man dat sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden. In berekening 2 houdt de rechtbank rekening met de onderhoudsplicht voor vier kinderen van de man en een zorgkorting van 35% ten behoeve van de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Deze gewijzigde zorgkorting (35% in plaats van 15%) leidt ertoe dat het aanvankelijk overeengekomen bedrag van € 500,- per maand niet langer voldoet aan de wettelijke maatstaven. De rechtbank zal daarom overgaan tot het wijzigen van de aanvankelijk overeengekomen kinderbijdrage naar een kinderbijdrage van € 168,- per maand per kind. Dit gewijzigde bedrag komt overeen met de wettelijke maatstaven.
De vrouw verweert zich niet tegen de verzochte ingangsdatum, zodat de kinderbijdrage met ingang van 7 juli 2020 zal worden gewijzigd.
De rechtbank merkt nog op dat de man tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat, mocht de nu gewijzigde kinderbijdrage meebrengen dat hij daardoor te veel aan kinderbijdrage heeft betaald, hij dit te veel betaalde bedrag niet bij de vrouw zal terugvorderen.
Tussen partijen is niet in geschil dat in ieder volgend jaar (ná 2020) de gewijzigde kinderbijdrage moet worden verhoogd met het percentage gelijk aan de wettelijke indexering. De rechtbank zal dit opnemen in de beslissing.
Voorwaardelijke aanvullende verzoek van de man
Bij bericht van 23 maart 2026 heeft de man aanvullend verzocht voor recht te verklaren dat de kosten die hij naast de kinderbijdrage heeft voldaan van in totaal € 4.856,29 in mindering strekken op de door de vrouw gestelde achterstallige kinderbijdrage van € 10.386,19. In verband met de vermeende achterstand in de kinderbijdrage meent de man dat hij, indien de rechtbank uitgaat van een kinderbijdrage van (oorspronkelijk) € 500,- voor twee minderjarigen, deze bijdrage gedeeltelijk heeft voldaan door de verblijfsoverstijgende kosten voor zijn rekening te nemen die de vrouw had behoren te voldoen. De vrouw betwist dit, alsook de hoogte van de door de man voldane extra kosten.
Voor zover de man betoogt dat zijn betalingen van extra kosten in mindering moeten komen op de eventuele achterstand in de betaling van de kinderbijdrage, dan volgt de rechtbank de man hierin niet. Gebleken is dat partijen in het ouderschapsplan expliciet zijn overeengekomen dat de man bijzondere kosten bij helfte zal voldoen. Het betoog van de man is dat dit alleen na overleg zou geschieden en dat dit overleg niet heeft plaatsgevonden, slaagt niet. De man stelt dat de vrouw zonder overleg “tikkies” via Whatsapp aan de man stuurde die zagen op extra kosten en dat de man die dan vervolgens voldeed. Ook wanneer het zo gelopen is als de man stelt, dan had het op de weg van de man gelegen om bij het ontvangen van een “tikkie” in overleg met de vrouw over de uitgave te treden. Als hij dat niet heeft gedaan, komt dat voor zijn rekening en risico. De rechtbank wijst het voorwaardelijk aanvullend verzoek van de man af.
4 De beslissing
De rechtbank:
wijzigt de beschikking van 24 juni 2020 en het daarin opgenomen ouderschapsplan, in die zin dat de tussen partijen overeengekomen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 7 juli 2020 wordt bepaald op € 168,- per maand per minderjarige;
bepaalt dat deze bijdrage per 1 januari 2021 en ieder daarop volgend jaar moet worden verhoogd met een percentage gelijk aan de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. E. Lunenberg, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. M.J. Vrolijk-Kronbichler, griffier, op 10 september 2026.
Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.