Verbintenissenrecht
Vordering tot terugbetaling van diverse leningen. Eén lening is nog niet opeisbaar; sprake van een…
Rechtbank Rotterdam, 30 september 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:15049 · Rechtbank Rotterdam · 30 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/civiel-recht/verbintenissenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbrot-2026-15049
Zaakgegevens
Op 30 september 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 30 september 2026
- Datum publicatie
- 30 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/10/709179 / HA ZA 25-945
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Verbintenissenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. S. Velthuizen, mr. S.E. Streng
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:15049
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vordering tot terugbetaling van diverse leningen. Eén lening is nog niet opeisbaar; sprake van een inspanningsverplichting. Geen toepassing van art. 7:129f BW. De privélening is wel opeisbaar. Haviltex-maatstaf.
Zie ook ECLI:NL:RBROT:2026:15045
Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
Handel en haven
Zaaknummer: C/10/709179 / HA ZA 25-945
Vonnis van 30 september 2026
in de zaak van
1 [eiser 1] ,
te Rotterdam,
hierna te noemen: [eiser 1] ,
2. [eiser 2],
te Bergschenhoek,
hierna te noemen: [eiser 2] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eiser 1] , [eiser 2] en samen [eisers] ,
advocaat: mr. S. Velthuizen,
tegen
1 [gedaagde 1] .,
te Amsterdam,
hierna te noemen: [gedaagde 1] ,
2. [gedaagde 2],
te Amsterdam,
hierna te noemen: [gedaagde 2] ,
3. [gedaagde 3],
te Amsterdam,
hierna te noemen: [gedaagde 3] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en samen [gedaagden] ,
advocaat: mr. S.E. Streng.
1 De zaak in het kort
[eiser 1] en [eiser 2] hebben aan [gedaagde 1] en [gedaagde 3] leningen verstrekt om de onderneming van [gedaagde 1] in rustiger vaarwater te brengen en om vandaaruit naar een structurele oplossing te zoeken. Tussen partijen is in geschil of de door [eiser 1] aan [gedaagde 1] verstrekte geldlening (€ 275.000,00) opeisbaar is en nu terugbetaald moet worden. De rechtbank oordeelt dat deze lening nu niet opeisbaar is en wijst de vorderingen van [eisers] op dit punt af. De door [eiser 2] aan [gedaagde 3] verstrekte lening (€ 25.000,00) is wel opeisbaar en moet worden terugbetaald.
2 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 14 oktober 2025 met producties 1 tot en met 24;
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 9;
- de brief van de rechtbank van 2 februari 2026 met een oproep voor een mondelinge behandeling op 22 april 2026;
- de e-mail van de rechtbank van 13 maart 2026 met daarin een zittingsagenda met vragen voor partijen;
- de beslissing van de rechtbank van 20 april 2026 om de mondelinge behandeling van 22 april 2026 te annuleren op verzoek van gedaagden vanwege medische redenen en om een nieuwe datum voor de mondelinge behandeling te bepalen, welke nadien is bepaald op 10 juni 2026;
- de akte overlegging producties en wijziging van eis met producties 25 tot en met 41 van [eisers] ;
- aanvullende productie 42 van [eisers] ;
- aanvullende productie 43 [eisers] ;
- aanvullende productie 44 van [eisers] ;
- de onttrekking van de advocaat van gedaagden op de rol van 29 april 2026 en het stellen van een nieuwe advocaat voor gedaagden op de rol van 15 mei 2026 met indiening van de akte overlegging producties tevens beantwoording vragen rechtbank tevens aanvulling verweer met producties 10 tot en met 38 van [gedaagden] ;
- de afwijzing van de rechtbank van 3 juni 2026 van het bezwaar van [eisers] tegen voornoemde akte van [gedaagden] ;
- aanvullende productie 45 [eisers] ;
-
de mondelinge behandeling van 10 juni 2026, waarvan door de griffier zittingsaantekeningen zijn gemaakt; en
-
de spreekaantekeningen van [eisers] .
Na de mondelinge behandeling is de procedure naar de rol verwezen van 24 juni 2026 voor uitlating schikken of vonnis. Partijen hebben geen schikking bereikt. Vervolgens is vonnis bepaald.
3 De feiten
[eisers] richten zich op onder meer de financiering van ondernemingen. De UBO en bestuurder van deze vennootschappen is [naam 1] (hierna: [naam 1] ).
[gedaagde 1] is de houdstermaatschappij van de onderneming [bedrijf 1] . [bedrijf 1] richt zich op professionele ondersteuning bij (internationale) verhuizingen van werknemers en wordt geëxploiteerd via [bedrijf 2] en [bedrijf 3]
De bestuurders van [gedaagde 1] zijn [gedaagde 3] en [gedaagde 2] . Zij zijn ook bestuurder van [bedrijf 4] respectievelijk [bedrijf 5] Deze vennootschappen zijn medeaandeelhouders van [gedaagde 1] . [eiser 1] is naar aanleiding van het hierna te noemen Hoofdlijnenakkoord ook medeaandeelhouder van [gedaagde 1] geworden.
[naam 1] heeft een affectieve relatie met de moeder van [gedaagde 3] .
In verband met een acute financieringsbehoefte bij [bedrijf 1] is op 4 april 2024 een schriftelijke leningsovereenkomst gesloten tussen [eiser 2] als crediteur en [gedaagde 3] als debiteur. De hoofdsom van deze lening bedraagt € 25.000,00 en is gestort op de bankrekening van [gedaagde 2] . De rente op deze lening is 5% per jaar, te berekenen per maand vanaf 1 mei 2024. Er is niet afgelost en er hebben ook geen rentebetalingen plaatsgevonden.
Tussen [eiser 1] enerzijds en [bedrijf 4] en [bedrijf 5] is een schriftelijke ‘Hoofdlijnenakkoord – overbruggings Kapitaal’ gesloten (hierna: Hoofdlijnenakkoord). Deze overeenkomst is gesloten met het oog op het voortbestaan van [gedaagde 1] en de met haar verbonden onderneming ( [bedrijf 1] ). Het Hoofdlijnenakkoord is door partijen medio september 2024 getekend, waarbij als datum van ondertekening 30 juni 2024 is opgenomen.
In verband met het Hoofdlijnenakkoord is tussen [eiser 1] en [gedaagde 1] ook een ‘Kredietovereenkomst’ gesloten. Net als het Hoofdlijnenakkoord, is de Kredietovereenkomst door partijen medio september 2024 getekend, waarbij als datum van ondertekening 1 juli 2024 is opgenomen. De belangrijkste bepalingen van beide overeenkomsten worden hieronder weergegeven.
In het Hoofdlijnenakkoord staat onder het kopje “Context” onder meer:
“Om founding aandeelhouders [rechtbank: [bedrijf 4] en [bedrijf 5] ] zoveel mogelijk controle te laten behouden over [gedaagde 1] [eiser 2] naar de toekomst, zijn [naam 1] [rechtbank: [naam 1] ], [bedrijf 5] en [bedrijf 4] (…) overeengekomen te zoeken naar een constructie waarbij [naam 1] een belang neemt in [gedaagde 1] [eiser 2] en tijdelijk de meerderheid van de aandelen naar hem toe trekt. Deze aandelen zullen op een later moment terug worden verkocht aan de founding aandeelhouders voor eenzelfde bedrag als de inleg van [naam 1] + de afgesproken financiële tegenprestatie + gemaakte kosten (zijnde oprichting & [naam 2] ) (…)”
De intentie van [naam 1] is louter om founding aandeelhouders te helpen om een eventueel gedwongen verkoop tegen ongunstige voorwaarden te voorkomen. Hiertoe wil [naam 1] simpelweg ‘zijn geld terug’ met zo min mogelijk risico. (…)”.
In het Hoofdlijnenakkoord staat onder 1 over de “Kapitaalbehoefte”:
“[naam 1] neemt vanaf 30 juni 2024 een tijdelijk belang van 72% in [gedaagde 1] , om vervolgens te voorzien in het benodigde kapitaal om [gedaagde 1] en haar dochtermaatschappijen naar een operationeel break-even punt te brengen.”
In het Hoofdlijnenakkoord staat onder 2 over het beschikbaar te stellen kapitaal:
“[naam 1] committeert max. EUR 500.000 kapitaal aan [gedaagde 1] . De eerste tranche (EUR 200.000) zal worden volgestort op 3 juli 2024. Het overgebleven beschikbare kapitaal (EUR 300.000) zal op later moment in goed overleg volgen, waarbij er door founding aandeelhouders een stortingsverzoek ingediend zal worden wanneer nodig.”
In het Hoofdlijnenakkoord staat onder 3 over de bestemming van het kapitaal:
“Het kapitaal van EUR 500.000,- is bestemd voor:
a. afkoop van de belastingdienst (Dit bedrag is nader te bepalen, uitgangspunt van 200k bij aanvang, zijnde 10% van de totaal openstaande Belastingdienst schuld. Het is aan [bedrijf 1] te bepalen hoe dit het beste kan worden verdeeld);
b. het naar break-even trekken van de bedrijfsvoering op maandelijks niveau (operational break-even point).”
In het Hoofdlijnenakkoord staat onder 10 over de financiële tegenprestatie:
“De founding aandeelhouders willen vanuit [gedaagde 1] een marktconforme, financiële tegenprestatie vaststellen jegens [naam 1] voor het volledig beschikbaar gestelde kapitaal vanuit [naam 1], zodat het in essentie een scherpe zakelijke transactie blijft. Deze financiële tegenprestatie van het gestorte gedeelte van het beschikbaar gestelde kapitaal is vastgesteld op 7% rente en 3% van het ter beschikking gestelde, maar niet gestorte gedeelte.”
In het Hoofdlijnenakkoord staat onder 11 over de terugkoop:
“Gezien de founding aandeelhouders over substantieel kapitaal moeten beschikken om over te gaan tot terugkoop van de aandelen (bedrag gelijk aan inleg [naam 1] [rechtbank: [naam 1] ] zal er meegedacht worden in de juiste structuur om dit spoedig mogelijk te kunnen maken”.
In het Hoofdlijnenakkoord staan ook een aantal bestuursbesluiten opgesomd van [gedaagde 1] waarbij unanimiteit is vereist (van de “founding aandeelhouders” en “[naam 1]”), waaronder besluiten tot vaststelling van de jaarrekening, vervreemding en ontslag van directieleden.
In het Hoofdlijnenakkoord staat onder 23 over de “Looptijd & inspanningsverplichting”:
“Het uitgangspunt van alle partijen is en blijft om deze deal van tijdelijke aard te laten zijn, waarbij de founding aandeelhouders hun intentie uitspreken zo snel mogelijk de aandelen terug te kopen. In een periode van 60 dagen na afronding van alle juridische noodzakelijkheden – met start 1 september 2024 - wordt er door [naam 1] en founding aandeelhouders gezocht naar een oplossing om alle aandelen terug naar [bedrijf 5]/[bedrijf 4] te krijgen, en het kapitaal terug naar [naam 1]. Het is niet gegarandeerd dat deze termijn haalbaar is, echter zullen de founding aandeelhouders een inspanningsverplichting aangaan.”
In de overweging bij de Kredietovereenkomst staat:
“Dat Kredietgever [rechtbank: [eiser 1] ] aan Kredietnemer [rechtbank: [gedaagde 1] ] een kortlopende lening verstrekt van maximaal € 500.000,00 (…). (…) zal op 3 juli 2024 een voorschot van € 200.000,00 overgemaakt”.
In artikel 3 van de Kredietovereenkomst staat over de opzegbaarheid van de lening:
“Deze overeenkomst wordt aangegaan op 1 juli 2024. De overeenkomst loopt tot 31 augustus 2024. Aflossing dient plaats te vinden voor 31 augustus 2024. Mocht deze datum onverhoopt niet gerealiseerd kunnen worden, dan dienen partijen voortijdig hierover aangepaste afspraken te maken.”
Op 30 juni 2024 is door [eiser 1] € 150.000,00 uitgeleend aan [gedaagde 1] . Dit bedrag is begin juli 2024 ook alweer terugbetaald. Op 3 juli 2024 is er vervolgens € 200.000,00 uitgeleend aan [gedaagde 1] . Dit bedrag is nog niet terugbetaald.
In verband met de lening van [eiser 1] en ter uitvoering van het Hoofdlijnenakkoord zijn 72% van de aandelen in [gedaagde 1] geleverd aan [eiser 1] . De huidige aandeelhouders van [gedaagde 1] zijn [bedrijf 4] , [bedrijf 5] , [eiser 1] en een STAK.
Op 23 september 2024 heeft [naam 1] medegedeeld geen gelden meer beschikbaar te stellen aan [gedaagde 1] .
Op 27 september 2024 heeft [gedaagde 1] een verzoek aan [eiser 1] gedaan om € 75.000,00 te verstrekken als lening. Dit heeft [eiser 1] gedaan. Dit bedrag is nog niet terugbetaald. Nadien is op 30 november 2024 door [eiser 1] nog € 75.000,00 uitgeleend aan [gedaagde 1] . Dat bedrag is (wel) terugbetaald).
Op 30 december 2024 informeert [eiser 1] [gedaagde 1] dat de Kredietovereenkomst is beëindigd. In de brief biedt [eiser 1] haar aandelen in [gedaagde 1] aan de andere aandeelhouders aan en geeft zij aan dat de uitstaande geldleningen dienen te worden terugbetaald, inclusief rente en kosten. Terugbetaling of overname van [eiser 1] haar aandelen in [gedaagde 1] heeft niet plaatsgevonden.
4 Het geschil
[eisers] vorderen – samengevat na vermeerdering van haar eis – dat de rechtbank bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagde 1] veroordeelt om aan haar een bedrag te betalen van:
a. € 275.000,- te vermeerderen met een rente van 7% per jaar,
b. € 3.934,43, te vermeerderen met de wettelijke rente,
c. € 45.985,94, exclusief BTW, te vermeerderen met de wettelijke rente,
II. [gedaagde 1] veroordeelt om aan haar een bedrag van € 3.328,85 aan buitengerechtelijke te voldoen, vermeerderd met de wettelijke rente,
III. [gedaagde 3] en [gedaagde 2] hoofdelijk, dan wel [gedaagde 3] of [gedaagde 2] , veroordeelt om een bedrag van € 25.000,- te betalen aan [eiser 2] , vermeerderd met een rente van 5% per jaar, verschuldigd vanaf 4 april 2024 tot de dag van algehele voldoening,
IV. [gedaagde 3] en [gedaagde 2] hoofdelijk, dan wel [gedaagde 3] of [gedaagde 2] veroordeelt om een bedrag van € 1.043,37, aan buitengerechtelijke kosten te voldoen aan [eiser 2] , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van algehele voldoening;
V. [gedaagden] hoofdelijk, dan wel één of meer van de gedaagden (hoofdelijk), veroordeelt in de proceskosten en de nakosten en indien voldoening niet binnen de gestelde termijn plaats vindt, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf bedoelde termijn voor voldoening.
[gedaagden] voeren verweer. [gedaagden] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eisers] in haar vorderingen, dan wel tot afwijzing van deze vorderingen, met veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5 De beoordeling
Eisvermeerdering
[eisers] hebben bij akte hun eis vermeerderd. Omdat [gedaagden] daar geen bezwaar tegen hebben gemaakt en de rechtbank de eisvermeerdering niet in strijd acht met de goede procesorde, beoordeelt de rechtbank de vermeerderde eis van [eisers]
Kern van het geschil
In de kern gaat het in deze procedure om de terugbetaling van door [eiser 1] en [eiser 2] verstrekte leningen. [eiser 1] heeft nog € 275.000,00 aan leningen uitstaan bij [gedaagde 1] en [eiser 2] nog € 25.000,00 bij [gedaagde 3] . [eisers] vorderen de terugbetaling van deze leningen (vordering I onder a en vordering III). Daarnaast vorderen [eisers] betaling van kosten en rente in verband met het Hoofdlijnenakkoord (vorderingen I onder b en c). De rechtbank is van oordeel dat de lening van [eiser 1] niet opeisbaar is. De daarop gebaseerde vorderingen worden dan ook afgewezen. De door [eiser 2] verstrekte lening is wel opeisbaar en wordt toegewezen zij het alleen tegen [gedaagde 3] omdat [gedaagde 2] geen partij is bij die lening. De rechtbank licht dit hierna toe.
Lening [eiser 1] aan [gedaagde 1] van € 275.000,00 niet opeisbaar (I onder a)
Volgens [eiser 1] is haar lening van € 275.000,00 opeisbaar op grond van de (beëindigde) Kredietovereenkomst en subsidiair op grond van artikel 7:129f BW. Daarnaast zou [gedaagde 1] haar informatieverplichtingen hebben geschonden op grond waarvan de lening ook opeisbaar zou zijn. [gedaagden] betwisten dat de leningen opeisbaar zijn. Zij voeren aan dat [eiser 1] het geld heeft geleend als vriendendienst, waarbij is overeengekomen dat [gedaagde 1] de lening zal terugbetalen wanneer zij daartoe in staat is. Er is sprake van een inspanningsverplichting. Terugbetaling van de lening is afhankelijk van het herstel van de onderneming en het kunnen aantrekken van nieuwe financiering. [gedaagde 1] is momenteel volgens hen nog niet in staat om terug te betalen.
Voor de beantwoording van de vraag wat partijen met betrekking tot de opeisbaarheid van deze lening zijn overeengekomen komt het niet uitsluitend aan op de taalkundige betekenis van de bewoordingen van het Hoofdlijnenakkoord en de Kredietovereenkomst. De vraag of een overeenkomst met een bepaalde inhoud tot stand is gekomen, moet worden beantwoord aan de hand van de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en van wat zij in dat verband redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (de Haviltex-maatstaf). Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang, in hun onderlinge samenhang bezien.
Bij haar uitleg stelt de rechtbank stelt voorop dat uit de processtukken en hetgeen ter gelegenheid van de mondelinge behandeling is gewisseld, volgt dat [naam 1] in de zomer van 2024 bereid was [gedaagde 1] financieel te ondersteunen, omdat de [bedrijf 1] -dochterondernemingen zich in acute liquiditeitsproblemen bevonden en partijen een ongunstige gedwongen verkoop wilden voorkomen. Die bereidheid was mede gebaseerd op het gegeven dat [naam 1] op dat moment een affectieve relatie had met de moeder van [gedaagde 3] en dat hij (via zijn vennootschappen) de zoon van zijn partner wilde helpen. Van een louter zakelijke financiering, waarbij deze beslissing in overwegende mate is genomen op basis van vooraf verstrekte financiële documentatie, is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval geen sprake.
Van het verstrekken van onjuiste of onvolledige informatie over de financiële toestand van de [bedrijf 1] onderneming door [gedaagden] is geen sprake. De gestelde opeisbaarheid kan hierop niet worden gebaseerd. [eisers] stellen dat [gedaagden] op 28 mei 2024 een presentatie met [naam 1] hebben gedeeld met de titel “Crucial times, bright future” waaruit - kort gezegd – volgens [eisers] het beeld volgde dat [bedrijf 1] tijdelijk krap bij kas zit, maar financieel weer zou groeien richting (verdere) bloei. Uit de overgelegde stukken volgt ook dat al ruim daarvoor, in september 2023, een WhatsApp-groep is gemaakt onder de naam “ [naam Whatsapp-groep] ”. In deze groep zaten [naam 1] , [gedaagde 3] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] ’s moeder. In deze chat werd veelvuldig en gedocumenteerd gecommuniceerd over de oplopende liquiditeitsdruk, (slechte) cashflow-prognoses, financieringsopties en herstructureringsscenario’s van de onderneming. [naam 1] ( [eiser 1] ), geen leek op het gebied van ondernemen, was daarmee dus bekend voordat hij besloot de leningen te verstrekken. Dat [eiser 1] door de presentatie van mei 2024 op het verkeerde been zou zijn gezet omdat daarin een te rooskleurig beeld zou zijn geschetst van de onderneming, is daarmee ook onvoldoende feitelijk toegelicht. Bovendien bevatte deze presentatie prognoses en geen garanties dat het herstel ook daadwerkelijk zou doorzetten.
Hetzelfde geldt voor de in september 2024 door [gedaagden] – op verzoek van [eisers] - gedeelde worst-case-scenario’s. Dat in die scenario’s werd uitgegaan van een grotere kapitaalbehoefte dan eerder was voorzien brengt, anders dan [eisers] stellen, niet mee dat [gedaagde 1] is tekortgeschoten onder de Kredietovereenkomst. [naam 1] wist immers al bij het aangaan van de financiering dat [gedaagde 1] zich in financieel zwaar weer verkeerde en dat acute financiële hulp noodzakelijk was om een nadelige gedwongen verkoop te voorkomen. Bovendien heeft [eiser 1] , nadat deze informatie was gedeeld en nadat [naam 1] op 23 september 2024 had medegedeeld geen verdere financiering meer beschikbaar te zullen stellen, op 27 september 2024, slechts drie dagen later alsnog op verzoek van [gedaagde 1] een aanvullende lening van € 75.000,00 verstrekt. Ook in november 2024 is alsnog een lening van een gelijk bedrag verstrekt. Dat handelen is moeilijk te verenigen met de stelling dat het vertrouwen in september 2024 definitief was verdwenen of dat [eiser 1] de samenwerking als beëindigd beschouwde en de leningen opeisbaar waren.
Bepalingen Hoofdlijnenakkoord en Kredietovereenkomst leiden evenmin tot opeisbaarheid
Het Hoofdlijnenakkoord en de Kredietovereenkomst moeten in onderlinge samenhang worden beoordeeld en uitgelegd. Zij zien immers op de voorwaarden voor de financiële steunverlening aan [gedaagde 1] en zijn kort na elkaar tot stand gekomen. De bij de overeenkomsten betrokken partijen zijn ook nauw met elkaar verbonden. Uit de Kredietovereenkomst noch uit de Hoofdlijnenovereenkomst volgt dat de lening van € 275.000,00 op dit moment opeisbaar is. De rechtbank licht dit toe.
Uit het Hoofdlijnenakkoord volgt dat [eiser 1] ( [naam 1] ) een lening zou verstrekken om een nadelige gedwongen verkoop af te wenden. De lening was bedoeld om de onderneming naar een break-even punt te brengen (zie bijv. onder Context en de artikelen 1 en 3 van het Hoofdlijnenakkoord) waarna een nieuwe financier gezocht kon worden. [gedaagden] hebben gemotiveerd toegelicht – en door [eiser 1] is onvoldoende gemotiveerd betwist - dat de lening pas terugbetaald hoefde te worden als de onderneming weer in rustiger vaarwater was (break-even draaide) en er een nieuwe financier gevonden was. Vanaf het begin was immers duidelijk dat [eiser 1] ( [naam 1] ) slechts tijdelijk wilde helpen zodat de zoektocht naar een nieuwe financier noodzakelijk was. Ter zekerheid heeft [eiser 1] 72% van de aandelen verkregen. Terugbetaling zou plaatsvinden zodra [gedaagde 1] daartoe in staat was. Het doel was dat zodra de onderneming break-even draaide en er een nieuwe financier was, de lening zou worden terugbetaald (met de contractueel overeengekomen kosten) en de aandelen dan weer teruggeleverd zouden worden. Aflossing van de lening en terug-verkoop van de aandelen waren aan elkaar gekoppeld. Een harde ‘losse’ terugbetalingsdatum voor de lening is niet opgenomen.
Artikel 23 van het Hoofdlijnenakkoord biedt evenmin steun voor de stelling van [eisers] dat de lening van [eiser 1] aan [gedaagde 1] opeisbaar is. Integendeel, in dit artikel staat dat de founding aandeelhouders ( [gedaagde 3] en [gedaagde 2] via hun vennootschappen) de intentie uitspreken om zo snel mogelijk de aandelen terug te kopen. In dat kader zal er in een periode van 60 dagen na afronding van alle juridische noodzakelijkheden (met start van 1 september 2024) door [naam 1] , [gedaagde 3] en [gedaagde 2] gezocht worden naar een oplossing om de aandelen in [gedaagde 1] zo snel mogelijk van [eiser 1] terug te kopen en de lening terug te betalen aan [eiser 1] . Daaraan is aan het slot uitdrukkelijk toegevoegd dat niet is gegarandeerd dat deze termijn haalbaar is, maar dat de founding aandeelhouders slechts een inspanningsverplichting aangaan.
[eisers] hebben nog aangevoerd dat deze inspanningsverplichting in de definitieve versie van het Hoofdlijnenakkoord is gekomen zonder dat zij dat zouden hebben opgemerkt. [gedaagden] hebben dat betwist en stellen dat deze bepaling ook al in eerdere conceptversies was opgenomen. Wat daar ook van zij, ook als ervan uit wordt gegaan dat deze bepaling pas in een latere versie is opgenomen, geldt dat [eiser 1] het Hoofdlijnenakkoord inclusief deze bepaling heeft getekend en daaraan is gebonden. Er is onvoldoende gesteld dat sprake is geweest van een wilsgebrek aan de zijde van [eiser 1] .
Bepalingen in de Kredietovereenkomst leiden evenmin tot opeisbaarheid lening [eiser 1]
Artikel 3 van de Kredietovereenkomst (Opzegbaarheid) leidt niet tot een ander oordeel wat betreft de opeisbaarheid. Weliswaar is daarin opgenomen dat aflossing uiterlijk op 31 augustus 2024 dient plaats te vinden, maar direct daaropvolgend staat dat, als deze datum niet gerealiseerd kan worden, partijen hierover aangepaste afspraken dienen te maken. Uit de verklaringen van partijen is gebleken dat op 31 augustus 2024 de schriftelijke overeenkomst nog niet eens bestond, en dat deze pas nadien door partijen is ondertekend en is geantedateerd, zodat die aflossingsdatum überhaupt niet haalbaar was. Bovendien staat vast dat partijen ook daadwerkelijk andere afspraken hebben gemaakt. Zo hebben zij op 2 september 2024 afgesproken dat de aflossingsdatum werd verlengd tot 30 september 2024. Nadien zijn partijen hun ‘samenwerking’ blijven voortzetten en is zelfs nog een aanvullende lening verstrekt van € 75.000,00 die volgens hen ook onder het bereik van de Kredietovereenkomst viel. Hieruit leidt de rechtbank af dat partijen de genoemde datum van 31 augustus 2024 en die van 30 september 2024 evenmin als een harde aflossingsdatum hebben bedoeld.
Bij dit alles weegt ook de inhoud en het doel van het Hoofdlijnenakkoord mee. Zoals hiervoor geoordeeld, volgt hieruit dat [eiser 1] als financier zou instappen en kort samengevat pas weer zou uitstappen als [gedaagde 1] en haar onderneming in rustiger vaarwater verkeerden (break-even draaiden en een nieuwe financier hadden gevonden). De lening moest terugbetaald worden zodra dat mogelijk was en daar moeten partijen zich voor inspannen. Van een harde datum in de Kredietovereenkomst waarop de lening terugbetaald moet zijn, is dus geen sprake.
Uit het voorgaande volgt dat partijen de terugbetaling van de lening van [eiser 1] afhankelijk hebben gesteld van een toekomstige, onzekere gebeurtenis. Dat betekent dat de rechtbank [gedaagde 1] niet zonder meer kan veroordelen tot terugbetaling met bepaling van het tijdstip daarvoor (vgl. art. 7:129f BW). Weliswaar is ter zitting besproken dat op dit moment de onderneming break-even draait, maar daaraan hebben [gedaagden] direct toegevoegd dat door de recente faillissementsaanvrage van [gedaagde 1] door [eisers] van 30 april 2026 en de onderhavige procedure, van een stabiele break-even situatie allerminst sprake is en dat er nog niet kan worden afgelost. Een nieuwe financier is bovendien ook nog niet gevonden. Dat de voorwaarden voor terugbetaling zijn vervuld staat dus in rechte niet vast. [eisers] hebben op dit punt ook onvoldoende gesteld.
Vorderingen tot betaling kosten en rente wordt eveneens afgewezen (I onder b en c en II)
Volgens [eisers] is [gedaagde 1] hen ook kosten verschuldigd voor onder andere de diensten van [naam 2] (de adviseur van [naam 1] ) en rentepercentages voor het beschikbaar gestelde kapitaal (7% voor het gestorte deel ervan en 3% voor het ter beschikking gestelde, maar nog niet gestorte deel ervan). [eisers] baseren deze betalingsverplichting van [gedaagden] op de artikelen 8, 9 en 10 van het Hoofdlijnenakkoord en artikel 8 van de Kredietovereenkomst.
Deze vorderingen worden ook afgewezen omdat die kosten, wat daar ook precies van zij, nu evenmin opeisbaar zijn. De opeisbaarheid ervan wordt naar het oordeel van de rechtbank geregeerd door dezelfde afspraken als die gelden voor de terugbetaling van de lening zelf (zie hiervoor onder 5.14). De door [eisers] genoemde artikelen in de overeenkomsten bevatten ook geen afwijkende afspraken over de opeisbaarheid van deze specifieke kostenposten. Dat deze kosten eerder opeisbaar zouden zijn dan de lening zelf is, gezien doel en achtergrond van lening, ook niet voor de hand liggend en dat dit niettemin wel de bedoeling was, is tegen de achtergrond van het voorgaande ook onvoldoende nader toegelicht door [eisers]
De door [eiser 1] gevorderde vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten in verband met de terugbetaling van de lening en kosten (vordering II), wordt afgewezen omdat de hoofdvordering op dit punt niet toewijsbaar is.
Lening [eiser 2] aan [gedaagde 3] van € 25.000,00 wel opeisbaar (vordering III)
[eisers] vorderen hoofdelijke veroordeling van [gedaagde 3] en [gedaagde 2] tot terugbetaling van de lening van € 25.000,00. [eisers] stellen dat de leningsovereenkomst weliswaar alleen door [gedaagde 3] is ondertekend, maar dat het bedrag is gestort op de bankrekening van [gedaagde 2] . Zij zou daarom ook gehouden zijn tot terugbetaling van de lening.
De rechtbank volgt [eisers] hierin niet. Uit de leningsovereenkomst blijkt dat [eiser 2] en [gedaagde 3] als crediteur respectievelijk debiteur zijn opgenomen als partijen bij de overeenkomst. [gedaagde 2] wordt in de overeenkomst niet als contractspartij genoemd en heeft evenmin de overeenkomst ondertekend. De enkele omstandigheid dat het geleende bedrag op haar bankrekening is overgemaakt, maakt niet dat zij een partij bij de overeenkomst is. [eisers] hebben ook geen andere feiten of omstandigheden gesteld waaruit volgt dat [gedaagde 2] zich tegenover [eiser 2] heeft verbonden tot terugbetaling van de privélening. De vordering die tegen [gedaagde 2] is ingesteld zal daarom worden afgewezen.
Ten aanzien van [gedaagde 3] overweegt de rechtbank als volgt. Het staat tussen partijen vast dat deze lening diende ter overbrugging van een acuut liquiditeitstekort bij [bedrijf 1] . In de ondertekende overeenkomst staat dat de lening uiterlijk loopt tot 31 december 2024. Tussen partijen is niet in geschil dat de hoofdsom van € 25.000,00 en de rente daarover niet zijn (terug)betaald. [gedaagde 3] is daarom in verzuim. Hij is gehouden om de hoofdsom van € 25.000,00 terug te betalen aan [eiser 2] te vermeerderen met de overeengekomen rente van 5% per maand vanaf 1 mei 2024.
[gedaagde 3] is daarnaast de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd die [eiser 2] heeft gemaakt voor het herhaaldelijk aanmanen en sommeren van [gedaagde 3] voor de terugbetaling van de lening (vordering IV). [eiser 2] heeft hebben voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht en dat het redelijk was dat daarvoor kosten zijn gemaakt. Het gevorderde bedrag van € 1.043,37 blijft onder het maximum dat ingevolge de Wet normering buitengerechtelijke incassokosten geldt en zal daarom worden toegewezen, evenals de gevorderde wettelijke rente daarover.
Partijen betalen hun eigen proceskosten
Partijen zijn over en weer gedeeltelijk in het gelijk en gedeeltelijk in het ongelijk gesteld. [eisers] ’s vordering tegenover [gedaagde 3] met betrekking tot de terugbetaling van de privélening wordt weliswaar toegewezen, maar hun vorderingen uit hoofde van de lening aan [gedaagde 1] worden afgewezen. Ook de tegen [gedaagde 2] ingestelde vordering is afgewezen. De rechter ziet echter geen aanleiding om [gedaagde 2] afzonderlijk in de kosten te compenseren, nu zij niet afzonderlijk verweer heeft gevoerd of afzonderlijk griffierecht heeft voldaan. De rechtbank zal daarom de proceskosten compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt. De nauwe betrekkingen tussen de partijen spelen bij deze compensatie ook een rol.
Tot slot. Partijen hebben ter zitting en nadien gepoogd een minnelijke regeling te bereiken. Mogelijk lukt het partijen alsnog na dit vonnis al dan niet via mediation.
6 De beslissing
De rechtbank
veroordeelt [gedaagde 3] tot betaling aan [eiser 2] van € 25.000,00, te vermeerderen met de overeengekomen contractuele rente van 5% per maand vanaf 1 mei 2024,
veroordeelt [gedaagde 3] tot betaling aan [eiser 2] van € 1.043,37, te vermeerderen met de wettelijke rente van artikel 6:119 BW tot aan de dag van gehele betaling,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad wat de veroordelingen betreft,
wijst het meer of anders gevorderde af,
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.J. Arts en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2026.
3893/3455