Verbintenissenrecht
ontruiming woning; gemengde huur-/zorgovereenkomst. zorgovereenkomst is beeindigd en daardoor ook de hovk…
Rechtbank Rotterdam, 13 augustus 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:15382 · Rechtbank Rotterdam · 13 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/civiel-recht/verbintenissenrecht/kort-geding/ecli-nl-rbrot-2026-15382
Zaakgegevens
Op 13 augustus 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 13 augustus 2026
- Datum publicatie
- 5 november 2026
- Zaaknummer
- 12282007 VV EXPL 26-374
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Verbintenissenrecht
- Procedure
- Kort gedingKort gedingEen snelle procedure bij de voorzieningenrechter voor spoedeisende zaken, met een voorlopig oordeel.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:15382
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
ontruiming woning; gemengde huur-/zorgovereenkomst. zorgovereenkomst is beeindigd en daardoor ook de hovk. gedaagden verblijven daarom zonder recht of titel in woning.
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 12282007 VV EXPL 26-374
datum uitspraak: 13 augustus 2026
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
Stichting Woonstad Rotterdam,
vestigingsplaats: Rotterdam,
eiseres,
gemachtigde: mr. R.H. Ruysendaal,
tegen
1 [persoon A] ,
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde sub 1,
2. hij/zij die verblijft/verblijven te ( [postcode] ) [plaats] aan [adres],
gedaagden sub 2,
die beiden niet zijn verschenen.
De partijen worden hierna ‘Woonstad’, ‘ [gedaagde sub 1] ’ en ‘ [gedaagden sub 2] ’ genoemd.
1 De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
- de dagvaarding van 22 juli 2026, met bijlagen.
Op 30 juli 2026 is de zaak tijdens een zitting met [persoon B] en mr. R.H. Ruysendaal namens Woonstad besproken. [gedaagde sub 1] en [gedaagden sub 2] zijn niet verschenen. Tegen hen is verstek verleend.
2 Waar gaat de zaak over?
In het kader van zorg en begeleiding huurt [gedaagde sub 1] op basis van een gemengde huur/zorgovereenkomst de woning aan [adres] in [plaats] van Woonstad. De huurovereenkomst is op 21 augustus 2025 aangegaan voor de duur van een jaar. Woonstad vordert ontruiming van de woning omdat de zorgovereenkomst met [gedaagde sub 1] is geëindigd en [gedaagde sub 1] zonder recht of titel in de woning verblijft. Subsidiair stelt Woonstad dat [gedaagde sub 1] tekort is geschoten in de nakoming van de gemengde overeenkomst, er sprake is van een huurachterstand en overlast. De vordering tot ontruiming vordert zij ook tegen de [gedaagden sub 2] , omdat zij zonder recht of titel in de woning verblijven.
3 De beoordeling
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de eisende partij hierbij zoveel spoed heeft dat die de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten (artikel 254 lid 1 Rv). Uit de stellingen van Woonstad volgt dat deze spoed aanwezig is. De eis wordt toegewezen omdat deze niet onrechtmatig of ongegrond lijkt (artikel 139 Rv). Hiertoe wordt het volgende overwogen.
Zonder recht of titel
Woonstad heeft een door partijen getekend document genaamd “gemengde overeenkomst woonruimte met huurzorgvoorwaarden”, alsmede de bijlage Huurzorgvoorwaarden overgelegd. Woonstad heeft gesteld dat de tegelijk gesloten zorgovereenkomst tussen zorginstelling [zorginstelling] en [gedaagde sub 1] door de zorginstelling in maart 2026 is beëindigd, onder overlegging van de beslissing en de toelichting daarop van de zorginstelling. In de gemengde overeenkomst (artikel 4) is opgenomen dat de beëindiging van de zorgovereenkomst direct leidt tot beëindiging van de huurovereenkomst. Gelet op de bepalingen in de zorgovereenkomst en de huurovereenkomst voor bepaalde tijd is de voorzieningenrechter voorlopig van oordeel dat het zorgelement (de begeleiding) het overheersende element is in de tussen partijen gesloten gemengde overeenkomst. Het voorgaande leidt vooralsnog tot het oordeel dat door de beëindiging van de zorgovereenkomst de huurovereenkomst is beëindigd. Hiermee is voldoende aannemelijk dat [gedaagde sub 1] zonder recht of titel in de woning woont of verblijft. Dit geldt ook voor [gedaagden sub 2] , omdat zij zonder toestemming in de woning verblijven. Niet is gebleken dat er minderjarige kinderen in de woningen verblijven.
Ontruiming
De vordering tot ontruiming komt de voorzieningenrechter gelet op het bovenstaande onrechtmatig noch ongegrond voor zodat de vordering zal worden toegewezen. Het is voldoende aannemelijk dat in een bodemprocedure de huurovereenkomst zal worden ontbonden. Vooruitlopend daarop moeten [gedaagde sub 1] en [gedaagden sub 2] de woning ontruimen. De ontruimingstermijn wordt bepaald op veertien dagen nadat het vonnis is betekend. Vanaf 1 juli 2026 tot en met de dag van de ontruiming moet [gedaagde sub 1] de lopende huur van € 717,71 per maand (blijven) betalen.
Huurachterstand
Woonstad vordert ook betaling van de huurachterstand tot en met juni 2026 van € 5.534,08. Dit is een achterstand van acht maanden en vormt een ernstige tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst. Deze vordering wordt dan ook toegewezen. Dit betekent dat [gedaagde sub 1] dit bedrag aan Woonstad moet betalen.
[gedaagde sub 1] en [gedaagden sub 2] moeten de proceskosten betalen
De proceskosten komen hoofdelijk voor rekening van [gedaagde sub 1] en [gedaagden sub 2] , omdat zij ongelijk krijgen (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde sub 1] en [gedaagden sub 2] aan Woonstad moeten betalen op € 153,02 aan dagvaardingskosten, € 559,00 aan griffierecht, € 577,00 aan salaris voor de gemachtigde en € 144,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 1.433,02. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Woonstad dat eist (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
4 De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt [gedaagde sub 1] om aan Woonstad te betalen € 5.534,08 aan huurachterstand tot en met juni 2026 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf veertien dagen na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagden sub 2] , ieder afzonderlijk, om binnen veertien na de datum waarop dit vonnis is betekend de woning aan [adres] in [plaats] te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [gedaagde sub 1] en [gedaagden sub 2] bevinden en het gehuurde met alle sleutels ter beschikking van Woonstad te stellen;
veroordeelt [gedaagde sub 1] om vanaf 1 juli 2026 tot en met de dag waarop de ontruiming plaatsvindt € 717,71 per maand te betalen aan Woonstad;
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagden sub 2] , hoofdelijk, in de proceskosten, die aan de kant van Woonstad worden begroot op € 1.433,02;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. I.K. Rapmund en in het openbaar uitgesproken.
48436