Strafrecht overig
Uitlevering van Canadese staatsburger aan Australië toelaatbaar geacht. Vertrouwensbeginsel en…
Rechtbank Rotterdam, 2 juli 2021
ECLI:NL:RBROT:2021:6287 · Rechtbank Rotterdam · 2 juli 2021
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbrot-2021-6287
Zaakgegevens
Op 2 juli 2021 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 2 juli 2021
- Datum publicatie
- 2 juli 2021
- Zaaknummer
- 10/965001-21 (UTL-I-2021001323)
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2021:6287
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Uitlevering van Canadese staatsburger aan Australië toelaatbaar geacht. Vertrouwensbeginsel en specialiteitsbeginsel in uitleveringszaken. Gestelde onrechtmatigheid van uitzetting door Taiwan naar Nederland kan aan Australische rechter worden voorgelegd. Uitbreiding van feiten moet aan het Nederlands-Australische uitleveringsverdrag voldoen. Niet gebleken van risico op flagrante schending van enig fundamenteel recht of ontbreken van effectief rechtsmiddel.
Advies aan Minister om de Australische autoriteiten garanties te vragen ten aanzien van reëel uitzicht op een invrijheidsstelling ingeval van oplegging van een levenslange gevangenisstraf.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Team straf 2
Parketnummer: 10/965001-21 (UTL-I-2021001323)
Datum uitspraak: 2 juli 2021
Uitspraak van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken op het verzoek van de Australische autoriteiten tot uitlevering van:
[naam opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedatum] ,
van Canadese nationaliteit,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de penitentiaire inrichting te Vught,
verder te noemen: de opgeëiste persoon.
1. Procedure
De autoriteiten van Australië hebben bij nota van 10 februari 2021 (aangevuld bij bericht van 7 april 2021) aan het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken een verzoek tot uitlevering ter vervolging van de opgeëiste persoon gedaan en daartoe stukken overgelegd.
De Minister van Justitie en Veiligheid (hierna: de Minister) heeft bij brief van 9 maart 2021 het verzoek met de daarbij overgelegde stukken aan de hoofdofficier van justitie in dit arrondissement gezonden met het verzoek het uitleveringsverzoek in behandeling te nemen.
De officier van justitie heeft bij schriftelijke vordering van 9 maart 2021, tevens op die datum ter griffie ontvangen, gevorderd dat de rechtbank het uitleveringsverzoek in behandeling zal nemen en heeft een beslissing over de gevangenhouding van de opgeëiste persoon verzocht.
De rechtbank heeft hierna ontvangen:
-
een bericht van de raadsman van 19 april 2021 gericht aan de officier van justitie;
-
een bericht van de officier van justitie van 8 juni 2021 gericht aan de raadsman.
Op 22 juni 2021 heeft de rechtbank ter openbare zitting gehoord:
- de officier van justitie, mr. E.M.A.F. Vos;
- de opgeëiste persoon en zijn raadsman, mr. A.M. Seebregts, advocaat te Rotterdam.
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toelaatbaarheid van de uitlevering en heeft een schriftelijke samenvatting daaromtrent aan de rechtbank overgelegd.
2. Verzoek
De uitlevering van de opgeëiste persoon wordt verzocht ter strafvervolging voor de verdenking dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het feit waarvoor zijn aanhouding is gelast en zoals omschreven in een door de griffier gewaarmerkte en als bijlage aan deze uitspraak gehechte fotokopie van het gewaarmerkte aanhoudingsbevel (warrant to arrest) van 22 oktober 2019 van de bevoegde autoriteiten te Melbourne, nummer 1168/19, te weten samenzwering tot het verhandelen van een commerciële hoeveelheid van een gecontroleerde drug. Het in die bijlage tussen haken geplaatste gedeelte dient als hier ingevoegd te worden beschouwd.
3. Toepasselijk verdrag
Van toepassing is het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Australië van 5 september 1985 (Trb. 1985, 137), verder te noemen: het Verdrag.
4. Identiteit van de opgeëiste persoon
De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat hij is de persoon genoemd en nader aangeduid in het uitleveringsverzoek en dat hij de Canadese nationaliteit bezit.
5. Genoegzaamheid van de stukken
Onder de overgelegde stukken bevinden zich een afschrift van de toepasselijke wetsbepalingen en de overige noodzakelijke gegevens met betrekking tot het feit waarvoor de uitlevering wordt verzocht. De stukken voldoen aan de eisen van artikel 5, tweede lid, van het Verdrag, waaronder de eis van een uiteenzetting van het strafbaar feit waarvoor uitlevering wordt verzocht en van het handelen (met inbegrip van plaats en tijdstip) dat de opgeëiste persoon met betrekking tot het strafbaar feit ten laste wordt gelegd.
6. Dubbele strafbaarheid
Het feit waarvoor de uitlevering wordt verzocht, is volgens de overgelegde wetsbepalingen naar Australisch recht strafbaar, te weten als:
-
samenzwering tot het verhandelen van een commerciële hoeveelheid van een gecontroleerde drug (ongeveer 40 kilo methamfetamine en het para-methoxymethamfetamine-analoog daarvan) in de periode tussen 15 maart 2012 en 20 maart 2013 te Australië (Melbourne, Victoria en elders),
-
strafbaar gesteld bij de artikelen 11.5, eerste lid, en 302.2, eerste lid, van het Australische Wetboek van Strafrecht.
Ter zake van dat feit kan ingevolge die bepalingen telkens een vrijheidsstraf worden opgelegd met een maximum van ten minste een jaar.
Naar Nederlands recht is het feit waarvoor de uitlevering wordt verzocht ook strafbaar, te weten als:
-
medeplegen van het telkens opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
-
strafbaar gesteld bij de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.
Voor het feit kan naar Nederlands recht telkens een vrijheidsstraf van ten minste een jaar worden opgelegd.
7. Onschuld van de opgeëiste persoon
Blijkens de verklaring van de opgeëiste persoon ter zitting kan hij niet onverwijld aantonen onschuldig te zijn aan het feit waarvoor zijn uitlevering wordt verzocht.
8. Verzoeken en gevoerde verweren
Standpunt verdediging
De raadsman heeft primair verzocht de zaak aan te houden, teneinde nader onderzoek te laten instellen naar de gang van zaken betreffende de uitzetting van de opgeëiste persoon uit Taiwan en de vermeende betrokkenheid hierbij van de Australische autoriteiten, respectievelijk bij die autoriteiten navraag te doen of de opgeëiste persoon na uitlevering de kans loopt veroordeeld te worden tot een levenslange gevangenisstraf indien hij geen schuld bekent aan de strafbare feiten.
De raadsman heeft subsidiair aangevoerd dat de uitlevering ontoelaatbaar dient te worden verklaard wegens zowel een reeds voltooide als een dreigende flagrante schending van artikel 6 van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM).
De opgeëiste persoon heeft de Canadese nationaliteit. Hij is in strijd met de Taiwanese immigratiewet naar Nederland uitgezet in plaats van naar Canada. De Australische autoriteiten hebben door aldus te handelen mogelijk gemaakt dat de opgeëiste persoon aangehouden kon worden in Nederland, in plaats van in Canada, waar zijn juridische uitleveringspositie, aldus de raadsman, beduidend sterker zou zijn geweest. De betrokkenheid van de Australische autoriteiten bij de uitzetting van Taiwan levert volgens de raadsman daarom een reeds voltooide schending van artikel 6 EVRM op. Het is van belang dat de Nederlandse rechter naar deze kwestie kijkt, omdat het er sterk op lijkt dat de Australische gerechten geen ‘effective remedy’ in de zin van artikel 13 EVRM bieden tegen deze gang van zaken, aldus de raadsman.
Voorts heeft de raadsman betoogd dat het zeer aannemelijk is dat de Australische autoriteiten conform artikel 12, eerste lid onder b van het Verdrag jo artikel 12, tweede lid, van de Uitleveringswet aan de Minister later alsnog toestemming zullen vragen tot uitbreiding van de vervolging tot andere feiten, waarbij een tweede gang naar een rechterlijke instantie niet is voorgeschreven. Daarmee is tevens sprake van een dreigende flagrante schending van artikel 6 EVRM. De positie van de opgeëiste persoon in de komende Australische strafzaak zal (mede) door het handelen van de Australische autoriteiten zijn verzwakt, omdat hij eenvoudiger voor meer feiten kan worden vervolgd dan waarvoor de uitlevering is verzocht.
Meer subsidiair heeft de raadsman verzocht om, onder verwijzing naar strafmaatoverwegingen in het vonnis van een reeds berechte kennelijke medeverdachte, bij toelaatbaarheid van de uitlevering de Minister te adviseren uitdrukkelijke garanties te bedingen dat de opgeëiste persoon geen levenslange gevangenisstraf zal worden opgelegd zonder reëel uitzicht op invrijheidsstelling.
Beoordeling
Volgens bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad inzake de bevoegdheidstoedeling in uitleveringszaken is de beoordeling van de vraag of de opgeëiste persoon bij inwilliging van het uitleveringsverzoek zal worden blootgesteld aan een dreigende inbreuk op zijn fundamentele rechten voorbehouden aan de Minister. Als sprake is van een voltooide inbreuk is het oordeel daaromtrent aan de uitleveringsrechter.
Uitgangspunt bij de beoordeling van een uitleveringsverzoek dat is gebaseerd op een uitleveringsverdrag, is dat in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat bij de vervolging en berechting van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten welke zijn neergelegd in het EVRM en het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (hierna: IVBPR) zal respecteren. Australië is partij bij het IVBPR en heeft dit verdrag op 13 augustus 1980 geratificeerd. Het verdrag is op 13 november 1980 voor Australië in werking getreden.
Op grond van dit vertrouwensbeginsel moet worden aangenomen dat het rechtssysteem van de verzoekende Staat de opgeëiste persoon in staat stelt om na diens uitlevering een beroep op een mensenrechtenschending voor te leggen aan de rechter van de verzoekende Staat en dat deze daar dan een oordeel over geeft met het oog op de waarborging van de voornoemde fundamentele rechten van de opgeëiste persoon.
De vraag of inbreuk is gemaakt op het fundamentele recht van de opgeëiste persoon op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM (en/of artikel 14, eerste lid, IVBPR), zoals aangevoerd door de raadsman, kan bij uitlevering ter strafvervolging gelet op voornoemd vertrouwensbeginsel in de regel eerst worden beantwoord na de uitspraak van de Australische strafrechter, omdat pas dan kan worden vastgesteld of de mensenrechtenschending niet (meer) vatbaar was voor herstel of compensatie. De rechtbank komt daarom in beginsel niet toe aan de inhoudelijke beoordeling van het verweer dat sprake is van een (reeds voltooide en/of dreigende) schending van artikel 6 EVRM.
Deze regel lijdt uitzondering indien naar aanleiding van een bij de behandeling van het uitleveringsverzoek ter zitting voldoende onderbouwd verweer is komen vast te staan:
( a) dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge deze verdragsbepalingen toekomend recht, en tevens;
( b) dat hem na zijn uitlevering ter zake van die inbreuk niet een rechtsmiddel (‘effective remedy’) als bedoeld in artikel 13 EVRM respectievelijk artikel 2, derde lid aanhef en onder a, IVBPR ten dienste staat.
De gestelde onrechtmatige (contra legem) uitzetting uit Taiwan en mogelijke betrokkenheid van de Australische autoriteiten daarbij is een kwestie die de verdediging van de opgeëiste persoon in de Australische strafzaak naar voren kan brengen. Hetgeen de verdediging ter zitting naar voren heeft gebracht omtrent de toetsing door de Australische gerechten na aanhouding van een te berechten persoon in het buitenland, leidt niet tot de conclusie dat vast staat dat die gerechten een dergelijk verweer niet zullen beoordelen.
Ten aanzien van de door de verdediging geopperde mogelijkheid dat de Australische autoriteiten op een later moment zullen vragen om instemming van de aangezochte Staat met berechting voor enig ander strafbaar feit, overweegt de rechtbank het volgende. Deze mogelijkheid is in het Verdrag voorzien. Een daartoe strekkend verzoek zal dan ook dienen te voldoen aan de eisen van de betrokken verdragsbepaling, die de toepassing van het specialiteitsbeginsel in de interstatelijke (bilaterale) verhouding tussen Australië en Nederland regelt. De stelling dat een dergelijk verzoek mogelijk zal plaatsvinden, leidt niet tot de conclusie dat vaststaat dat uitlevering de opgeëiste persoon blootstelt aan het risico van een flagrante schending van enig fundamenteel recht. Voor zover de verdediging deze mogelijkheid aanvoert ter onderbouwing van de gestelde onrechtmatigheid van het eerdere handelen van een of meer staten bij de uitzetting dan wel aanhouding van de opgeëiste persoon, geldt hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de gelegenheid om een dergelijk verweer voor de rechter van de verzoekende Staat naar voren te brengen.
Het hiervoor overwogene leidt tot de conclusie dat niet aannemelijk is gemaakt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem toekomend (verdrags)recht, noch dat hem na zijn uitlevering geen effectief rechtsmiddel ten dienste staat.
Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank geen aanleiding ziet om de behandeling van het uitleveringsverzoek aan te houden, zoals door de raadsman verzocht, teneinde nader onderzoek te laten instellen naar de gang van zaken betreffende de onrechtmatige uitzetting van de opgeëiste persoon uit Taiwan en de vermeende betrokkenheid hierbij van de Australische autoriteiten.
Met betrekking tot de tweede grond voor het verzoek om aanhouding, de mogelijkheid van een levenslange gevangenisstraf, overweegt de rechtbank dat hierover door de Australische officier van justitie in zijn beëdigde verklaring (Affidavit of Prosecutor) is opgemerkt dat het zeer onwaarschijnlijk is dat de opgeëiste persoon een levenslange gevangenisstraf of een niet-voorwaardelijke gevangenisstraf van 25 jaar of meer zal krijgen. Gelet op de maximale hoogte van de straf die volgens het Australische Wetboek van Strafrecht kan worden opgelegd voor het feit ter zake waarvan de uitlevering ter strafvervolging van de opgeëiste persoon wordt verzocht, te weten een levenslange gevangenisstraf, zal de rechtbank (conform het verzoek van de raadsman) de Minister adviseren om – alvorens een beslissing te nemen op het gedane verzoek tot uitlevering ter vervolging van de opgeëiste persoon – van de Australische autoriteiten garanties te vragen ten aanzien van een reëel uitzicht op een invrijheidsstelling ingeval van oplegging van deze maximale straf.
Voor aanhouding van behandeling om deze reden ziet de rechtbank onder deze omstandigheden geen aanleiding.
Conclusie
De rechtbank wijst het aanhoudingsverzoek af en verwerpt de verweren van de verdediging ter onderbouwing van de ontoelaatbaarheid van de uitlevering van de opgeëiste persoon.
9. Slotsom
Nu ten aanzien van het feit ter zake waarvan de uitlevering ter strafvervolging van de opgeëiste persoon wordt verzocht, is bevonden dat aan alle daarvoor in de wet en het toepasselijke Verdrag gestelde eisen is voldaan, dient de gevraagde uitlevering toelaatbaar te worden verklaard. Daarnaast zijn er geen aanknopingspunten voor het aanwezig achten van een van de uitzonderingsgronden of de weigeringsgronden die zijn genoemd in artikel 3, eerste lid respectievelijk tweede lid, van het Verdrag.
De rechtbank ziet daarnaast aanleiding om de Minister te adviseren garanties te vragen als voornoemd.
10. Toepasselijke artikelen
De beslissing is gegrond op artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, de artikelen 2, 5, 18, 23, 26, 28 en 51a van de Uitleveringswet en de artikelen 1, 2, 3, 5, 8 en 12 van het Verdrag.
11. Beslissing
De rechtbank:
verklaart toelaatbaar de uitlevering aan Australië van [naam opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedatum] , ter strafvervolging van het feit zoals omschreven in het aanhoudingsbevel (warrant to arrest) van 22 oktober 2019 van de bevoegde autoriteiten te Melbourne, nummer 1168/19.
geeft de Minister in overweging om – alvorens een beslissing te nemen op het gedane verzoek tot uitlevering ter vervolging van de opgeëiste persoon – van de Australische autoriteiten garanties te vragen ten aanzien van een reëel uitzicht op een invrijheidsstelling ingeval van oplegging van de maximale straf.
Deze beslissing is genomen door:
mr. J.J. Bade, voorzitter,
mrs. L.J.M. Janssen en J.L. Luiten, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. I.C.M.A. Bals, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 2 juli 2021.
De griffier, de oudste rechter en jongste rechter zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.