Strafrecht overig

De ontnemingsvordering (ex art. 36e Sr) van € 16.385,- wordt toegewezen en de betalingsverplichting…

Rechtbank Rotterdam, 12 april 2023

Zaakgegevens

Op 12 april 2023 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
12 april 2023
Datum publicatie
12 april 2023
Zaaknummer
83/079814-22 (ontneming)
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2023:3053
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

De ontnemingsvordering (ex art. 36e Sr) van € 16.385,- wordt toegewezen en de betalingsverplichting vastgesteld op € 2.915,-.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 83/079814-22 (ontneming)

Datum uitspraak: 12 april 2023

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, op de vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de officier van justitie in de zaak tegen de veroordeelde:

[veroordeelde01] ,

geboren te [geboorteplaats01] (Turkije) op [geboortedatum01] 1979,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres01] , [postcode01] [plaats01] ,

raadsvrouw mr. A. Knol, advocaat te Amsterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 29 maart 2023.

2 Voorafgaande veroordeling

Bij vonnis van deze rechtbank van 12 april 2023 is de veroordeelde ter zake van het in zijn strafzaak bewezen verklaarde, gekwalificeerd als:

het een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland en hem daartoe gelegenheid en middelen verschaffen, terwijl hij weet dat dat verblijf wederrechtelijk is, meermalen gepleegd

veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 200 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 100 dagen hechtenis en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van drie jaren.

In deze procedure wordt als vaststaand aangenomen dat voornoemde strafbare feiten door de veroordeelde zijn begaan.

3 Vordering van het openbaar ministerie

De ontnemingsvordering dateert van 9 maart 2023 en strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat op € 16.385,- en dat aan de veroordeelde een verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de staat van dat geschatte voordeel van € 16.385,-.

Op de terechtzitting van 29 maart 2023 heeft de officier van justitie, mr. I. Hoek, gerekwireerd het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast te stellen op € 16.385,- en ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel aan de veroordeelde de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van € 2.915,-, gelet op de draagkracht van de veroordeelde en het onder de veroordeelde gelegde conservatoir beslag op een geldbedrag van € 2.915,-.

4 Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering tot ontneming dient te worden afgewezen, omdat het rapport onvoldoende duidelijkheid verschaft over de gewerkte uren en de aftrekkosten. Subsidiair verzoekt de verdediging rekening te houden met de draagkracht van de veroordeelde en zodoende de betalingsverplichting vast te stellen op nihil. Meer subsidiair heeft de verdediging zich, voor wat betreft betalingsverplichting, gerefereerd aan de vordering van de officier van justitie.

5 Beoordeling en berekening wederrechtelijk verkregen voordeel

Bij de beantwoording van de vraag naar de omvang van het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt uitgegaan van de situatie, zoals die uit het onderzoek door de politie is gebleken. De rechtbank is van oordeel dat het ‘rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel’ een voldoende nauwkeurige schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel betreft. Het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt in het rapport geschat op € 16.385,-. Bovendien is er bij die schatting steeds uitgegaan van de voor de veroordeelde meest voordelige situatie. De rechtbank stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 16.385,-.

6 Vaststelling van het te betalen bedrag

De rechtbank is van oordeel dat het aannemelijk is geworden dat de veroordeelde niet in staat zou zijn om aan de verplichting tot betaling aan de Staat te voldoen. Er is sprake van veel schulden bij de veroordeelde en hij heeft een beperkt inkomen. Daarbij is niet de verwachting dat dit op korte termijn zal veranderen. De rechtbank ziet daarom reden om de betalingsverplichting, zoals de officier van justitie heeft gevorderd, vast te stellen op € 2.915,-.

7 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

8 Beslissing

De rechtbank:

- stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op een bedrag van € 16.385,00 (zegge: zestienduizend driehonderdvijfentachtig euro );

- legt aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag € 2.915,00 (zegge: tweeduizend negenhonderdvijftien euro );

- bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 116 (zegge: honderdzestien) dagen .

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Franken, voorzitter,

en mrs. L. Daum en S.W.H. Bootsma, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J. Knook, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting op 12 april 2023.

Bijlage 1

Vonnis rechtbank Rotterdam

Parketnummer: 83/079814-22

Dit vonnis is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht. Het rapport is als bijlage 2 aan dit vonnis gehecht.