Strafrecht overig
Ontneming toegewezen tot een bedrag van € 14.800,-.
Rechtbank Rotterdam, 15 februari 2024
ECLI:NL:RBROT:2024:1054 · Rechtbank Rotterdam · 15 februari 2024
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbrot-2024-1054
Zaakgegevens
Op 15 februari 2024 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 15 februari 2024
- Datum publicatie
- 16 februari 2024
- Zaaknummer
- 10/754502-21 (ontneming)
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2024:1054
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Ontneming toegewezen tot een bedrag van € 14.800,-.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Team straf 1
Parketnummer: 10/754502-21 (ontneming)
Datum uitspraak: 15 februari 2024
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, op de vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) van de officier van justitie in de zaak tegen de veroordeelde:
[verdachte01] ,
geboren te [geboorteplaats01] ( [geboorteland01] ) op [geboortedatum01],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres01] , [postcode01] te [plaats01] ,
raadsman mr. N.P.C.C. Langenberg, advocaat te Breda.
1 Onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 22 januari 2024 en 15 februari 2024.
2 Voorgaande veroordeling
Bij vonnis van deze rechtbank van 15 februari 2024 is de veroordeelde veroordeeld wegens medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.
De veroordeelde heeft een gevangenisstraf van 30 maanden opgelegd gekregen.
3 Vordering
De vordering van de officier van justitie mr. N. Coenen, strekt tot:
- vaststelling van het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 15.000,-;
- oplegging aan de veroordeelde van de verplichting tot betaling aan de staat van dat geldbedrag ter ontneming van dat geschatte voordeel.
De ontnemingsvordering is gegrond op artikel 36e lid 1 en 2 (oud) Sr. De vordering ziet op voordeel dat is verkregen door middel van of uit de baten van een feit waarvoor de veroordeelde is veroordeeld.
4 Verweren
De verdediging heeft primair – kort samengevat – aangevoerd dat de ontnemingsvordering integraal moet worden afgewezen. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat het bedrag van € 15.000,- niet door de veroordeelde is behouden en terug is gegeven aan de verstrekker, zodat de veroordeelde geen wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. Meer subsidiair is door de verdediging aangevoerd dat het ontvangen bedrag geen relatie heeft met het strafbare feit, nu er sprake is van een mogelijke huurrelatie. Ten slotte is de verdediging van mening dat de gemiste inkomsten als zijnde kosten in mindering dienen te strekken op de vordering. De veroordeelde heeft diverse kosten gemaakt, zoals het huren van twee opleggers en het inschakelen van een schoonmaakbedrijf.
5 Beoordeling en berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel
In de ontnemingsprocedure wordt als vaststaand aangenomen dat de veroordeelde het in de hoofdzaak bewezenverklaarde feit heeft begaan. Een kopie van het vonnis van de rechtbank in de hoofdzaak van 15 februari 2024 is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De veroordeelde heeft zich blijkens het vonnis van 15 februari 2023 schuldig gemaakt aan het medeplegen van de (verlengde) invoer van heroïne in Nederland. De veroordeelde was in dit verband onder meer verantwoordelijk voor het transport van de container waarin de heroïne zich bevond.
Voor dit transport heeft hij € 15.000,- ontvangen . Dit bedrag is wederrechtelijk verkregen voordeel.
Op grond van artikel 36e, eerste lid, kan op vordering van het openbaar ministerie bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Op grond van het achtste lid kan de rechter bij de bepaling van de hoogte van het voordeel kosten in mindering brengen die rechtstreeks in verband staan met het begaan van strafbare feiten, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, en die redelijkerwijs voor aftrek in aanmerking komen.
Er is geen bewijsmiddel ter onderbouwing en het is ook overigens niet aannemelijk dat de veroordeelde het bedrag van € 15.000,- heeft teruggegeven aan de verstrekker, nog in het midden gelaten of de veroordeelde dat dan zo snel zou hebben gedaan dat het verkrijgen van het geld niet al voltooid was. De veroordeelde heeft zijn stelling ook zelf niet nader onderbouwd met enig begin van bewijs.
Verder volgt al uit de bewijsmiddelen dat de veroordeelde het geld niet kreeg voor de huur van de loods, maar voor het transport (rijden). Het geld en het strafbare feit staan daarmee in directe relatie tot elkaar.
Ten slotte staat ondanks het gebrek aan een onderbouwing door de veroordeelde zelf, vast dat hij kosten heeft gemaakt om het voordeel van € 15.000,- te krijgen. Het gaat om kosten voor het huren van een oplegger en voor brandstof. Voor andere kosten, zoals schoonmaakkosten, is dat niet vast komen te staan. De hoogte van de gemaakte kosten schat de rechtbank op € 200,-.
Het voordeel dat de veroordeelde wederrechtelijk heeft gekregen wordt dan ook geschat op € 14.800,-.
6 Vaststelling van de betalingsverplichting
Uitgangspunt is dat de betalingsverplichting wordt vastgesteld op het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel. Er is in deze zaak geen reden om daarvan af te wijken.
Het bovenstaande brengt mee dat de rechtbank aan de veroordeelde de verplichting zal opleggen om een bedrag van € 14.800,- aan de staat te betalen ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
7 Toepasselijke wettelijke voorschriften
Deze beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
8 Bijlage
De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.
9 Beslissing
De rechtbank:
stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt
geschat, vast op € 14.800,- (zegge: veertienduizend achthonderd euro) ;
legt aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat van € 14.800,- (zegge:
veertienduizend achthonderd euro );
bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van
Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 296 (tweehonderdzesennegentig) dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.V. Scheffers, voorzitter,
en mrs. J.J. Klomp en E. IJspeerd, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L.C. Suiker, griffier,
en uitgesproken op 15 februari 2024.