Strafrecht overig
Ontneming. Procesafspraken. De officier van justitie is niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van…
Rechtbank Rotterdam, 27 juni 2025
ECLI:NL:RBROT:2025:9856 · Rechtbank Rotterdam · 27 juni 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbrot-2025-9856
Zaakgegevens
Op 27 juni 2025 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 27 juni 2025
- Datum publicatie
- 14 augustus 2025
- Zaaknummer
- 10-810355-18 (ontneming)
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2025:9856
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Ontneming. Procesafspraken. De officier van justitie is niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, vanwege het ontbreken van strafrechtelijk belang. Zie ook ECLI:NL:RBROT:2025:9855
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Team straf 2
Parketnummer: 10-810355-18 (ontneming)
Datum uitspraak: 27 juni 2025
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, naar aanleiding van de vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de officier van justitie in de zaken tegen
[naam veroordeelde] , de veroordeelde,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres] , [postcode] te [woonplaats] ,
raadsman mr. G.S.J. van Gestel, advocaat te Rotterdam.
1 Procedure
De officier van justitie heeft bij vordering van 25 januari 2019 ontneming van het wederrechtelijk voordeel gevorderd.
Voorafgaande aan het onderzoek ter terechtzitting hebben het Openbaar Ministerie en de veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsman, procesafspraken gemaakt met betrekking tot de afdoening van de inhoudelijke strafzaken en de ontnemingsprocedure.
De (procesafspraak over de) ontnemingsvordering is gelijktijdig met de samenhangende strafzaken aan de orde gekomen op de terechtzitting van 27 juni 2025. De rechtbank heeft de officier van justitie, mr. R.P.L. van Loon, de veroordeelde en zijn raadsman hierover gehoord.
De rechtbank heeft de veroordeelde in de inhoudelijke strafzaken overeenkomstig de procesafspraken veroordeeld voor – kort gezegd – het dealen van harddrugs, het voorhanden hebben van harddrugs en het deelnemen aan een criminele organisatie.
2 Beoordeling
Vordering Openbaar Ministerie en standpunt verdediging
Zowel de officier van justitie als de verdediging bepleiten primair dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering tot ontneming en subsidiair dat de vordering moet worden afgewezen gelet op de procesafspraak over de ontnemingsprocedure en de procesafspraak dat de veroordeelde in de strafzaken afstand doet van de in beslag genomen goederen of de tegenwaarde daarvan. De officier van justitie wijst erop dat met de procesafspraak dat het Openbaar Ministerie geen ontnemingsprocedure start, bedoeld is af te spreken dat de lopende ontnemingsprocedure wordt gestaakt. Met het uitbrengen van de ontnemingsvordering was de ontnemingsprocedure immers formeel al gestart. Deze procedure zal daarom moeten eindigen met een niet-ontvankelijkverklaring, zodat het Openbaar Ministerie voldoet aan de procesafspraak op dit punt.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank ziet onvoldoende strafrechtelijk belang meer bij de ontnemingsvordering, ook omdat de officier van justitie er van uitgaat dat het voordeel al in voldoende mate is ontnomen doordat de veroordeelde afstand doet van de in beslag genomen goederen of de tegenwaarde daarvan. De rechtbank zal daarom het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vordering
3 Beslissing
De rechtbank:
verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.M. Havik, voorzitter,
en mr. R.H. Kroon en mr. E.M. Rocha, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. T. van Driel, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op 27 juni 2025.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.