Strafrecht overig
COZO-fraude. De verdachte rechtspersoon heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan valsheid in…
Rechtbank Rotterdam, 11 augustus 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:10567 · Rechtbank Rotterdam · 11 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbrot-2026-10567
Zaakgegevens
Op 11 augustus 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 11 augustus 2026
- Datum publicatie
- 24 augustus 2026
- Zaaknummer
- 83/177826-23
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:10567
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
COZO-fraude.
De verdachte rechtspersoon heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift en fraude met coronasubsidies.
De rechtbank legt een geldboete op van € 23..000,-.
De vordering van de benadeelde partij Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Sport wordt tot het bedrag van € 233.640,- toegewezen.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 83/177826-23
Datum uitspraak: 11 augustus 2026
Datum zitting: 28 juli 2026
Verstek
Verdachte rechtspersoon:
[verdachte rechtspersoon] B.V.,
statutair gevestigd te [vestigingsplaats] ,
bezoekadres volgens het uittreksel van de Kamer van Koophandel van 3 maart 2026:
[adres] .
Officier van justitie: mr. R.P. van der Pijl.
Benadeelde partij: Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Advocaten van de benadeelde partij: mrs. B.M. van der Velden en G. Wind.
Kern van het vonnis
De verdachte rechtspersoon heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift en fraude met coronasubsidies. De rechtbank legt de verdachte rechtspersoon een geldboete van € 23.000,- op en wijst de vordering van de benadeelde partij, het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna VWS) tot een bedrag van € 233.640,- toe.
1 Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte rechtspersoon - samengevat - van het medeplegen van valsheid in geschrift en fraude met coronasubsidies.
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) staat in bijlage 1.
2 Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte rechtspersoon wordt veroordeeld voor feit 1 primair en feit 2.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring
Bewezen is dat:
Feit 1 primair:
Zij, op 30 september 2022 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten [vaststellingsaanvraag] , valselijk heeft opgemaakt, door in strijd met de waarheid op dat geschrift te vermelden dat:
- het totaal aantal coronabanen 10 bedroeg en
- het totaal coronabanen via detachering 8 bedroeg en
- de werkelijke kosten voor periode 2 € 247.807,19 bedroegen en
- de geldende wet- en regelgeving op basis waarvan de subsidie werd ingediend, was nageleefd en
- de verantwoording (inclusief eventuele bijlagen) volledig, juist en naar waarheid waren ingevuld,
met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken;
Feit 2:
Zij, in de periode van 24 september 2021 tot en met 6 juni 2024, in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en wederrechtelijk, middelen die met een bepaald doel door of vanwege de overheid waren verstrekt, te weten een deel van het subsidiebedrag van € 247.807,19, te weten € 233.640,00, inzake tweede periode coronabanen subsidie ten behoeve van de financiering van loonkosten van tijdelijk personeel (al dan niet via een detacheerder) heeft aangewend voor andere doeleinden dan waarvoor zij waren verstrekt.
Bewijsmiddelen
De bewezenverklaring van de feiten 1 primair en 2 is gebaseerd op de in bijlage 2 opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen.
3 Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
Feit 1 primair
medeplegen van valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon;
Feit 2
medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk middelen die met een bepaald doel zijn verstrekt, aanwenden voor andere doeleinden dan waarvoor zij zijn verstrekt, begaan door een rechtspersoon.
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte rechtspersoon
De feiten en de verdachte rechtspersoon zijn strafbaar.
4 Straf
Eis van de officier van justitie
De verdachte rechtspersoon moet voor de feiten worden veroordeeld tot een geldboete van
€ 23.000,-.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van de feiten
De door de verdachte rechtspersoon gepleegde feiten houden verband met de financiële overheidssteun die tijdens de coronapandemie in het leven was geroepen om personeel in de zorg te ontlasten dan wel te ondersteunen met tijdelijke coronabanen.
De verdachte rechtspersoon heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van valsheid in geschrift door een vals vaststellingsformulier bij VWS in te dienen ter verantwoording van de eerder verleende COZO-subsidie van € 247.807,19. De verdachte rechtspersoon deed het daarbij voorkomen alsof zij tien tijdelijke ondersteunende functies had ingehuurd en ingezet, terwijl dit in werkelijkheid niet zo was. De verdachte rechtspersoon heeft met haar handelen het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer moet kunnen worden gesteld in de juistheid van dergelijke geschriften - juist in een periode van een wereldwijde pandemie - op ernstige wijze beschaamd.
Daarnaast heeft de verdachte rechtspersoon zich samen met anderen schuldig gemaakt aan subsidiefraude door de COZO-subsidie te gebruiken voor andere doeleinden dan waarvoor deze was bestemd. De COZO-subsidie werd verstrekt met als doel coronabanen in de zorg te realiseren tijdens de coronacrisis. Het ten onrechte verkregen subsidiegeld is grotendeels overgeboekt naar de zakelijke bankrekening van een medeverdachte en vervolgens zonder schroom weggesluisd naar buitenlandse bankrekeningen. Hierdoor is een groot bedrag aan overheidsgelden verdwenen, wat ten laste van de samenleving is gekomen.
De verdachte rechtspersoon en de medeverdachten hebben op een geraffineerde wijze misbruik gemaakt van gemeenschapsgeld dat bedoeld was als noodmaatregel voor zorgaanbieders om tijdelijk extra zorgpersoneel in te huren tijdens de coronapandemie. In deze crisistijd heeft de overheid zich met eenvoudige regelingen kwetsbaarder opgesteld dan gebruikelijk en zo voorrang gegeven aan de maatschappelijke belangen die er speelden. De verdachte rechtspersoon heeft zich kennelijk slechts laten leiden door geldelijk gewin, zonder zich te bekommeren om de maatschappelijke gevolgen van haar handelen.
Overige bedrijfsomstandigheden
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 1 juli 2026 blijkt dat de verdachte rechtspersoon niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte rechtspersoon leidt dus niet tot een hogere straf.
Redelijke termijn
De verdachte rechtspersoon moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 5 augustus 2024, omdat destijds de inleidende dagvaarding is betekend aan de verdachte rechtspersoon. Tot aan dit vonnis is een periode van vierentwintig maanden en zes dagen verstreken. Omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden bedraagt de redelijke termijn in deze zaak vierentwintig maanden. Dat betekent dat de redelijke termijn met zes dagen is geschonden. De overschrijding van de redelijke termijn is zeer beperkt. Daarom volstaat de rechtbank met de enkele vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden.
Oplegging straf
Gelet op de aard en ernst van de strafbare feiten wordt aan de verdachte rechtspersoon een geldboete opgelegd. De rechtbank heeft gekeken naar de hoogte van geldboetes die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Daarnaast is bij de bepaling van de hoogte van de geldboete rekening gehouden met de ouderdom van de bewezen feiten en het feit dat de twee bestuurders van de verdachte rechtspersoon worden veroordeeld tot gevangenisstraffen. Alles afwegend, acht de rechtbank de door de officier van justitie geëiste geldboete van € 23.000,- passend en geboden.
5 Vordering van de benadeelde partij
Vordering Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)
VWS heeft als benadeelde partij voor beide feiten het verstrekte subsidiebedrag van
€ 247.807,19, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 september 2021, als vergoeding voor de materiële schade gevorderd. VWS heeft voorts gevorderd dat de
verdachte rechtspersoon hoofdelijk met de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] wordt veroordeeld tot betaling van de schade. Tevens heeft VWS verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Standpunt van de officier van justitie
De vordering van de benadeelde partij kan voor het bedrag van € 233.640,-, te vermeerderen met de wettelijke rente worden toegewezen. De verdachte rechtspersoon moet hoofdelijk met de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] worden veroordeeld voor deze schade. Voor het overige dient de vordering van de benadeelde partij te worden afgewezen. Daarnaast moet het verzoek tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel worden afgewezen, omdat VWS, de staat, een weerbare derde met eigen incassomogelijkheden is.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van de bewezenverklaarde strafbare feiten. De vordering wordt toegewezen tot het bedrag van € 233.640,-, omdat dit deel van de schade, te weten het ten onrechte uitgekeerde subsidiebedrag voldoende onderbouwd is. Voorts blijkt uit de toelichting van de benadeelde partij op de terechtzitting dat in de bestuursrechtelijke procedure de schade niet al (deels) door de verdachte rechtspersoon is vergoed.
De benadeelde partij wordt voor het restant van de vordering, te weten € 14.167,19, niet-ontvankelijk verklaard, omdat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de betaling van € 6.692,30 aan de (ex)echtgenoten van de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en het resterend bedrag van € 7.474,89 op de bankrekening van de verdachte rechtspersoon niet overeenkomstig de doelbinding van de COZO-subsidie besteed is of zou worden besteed. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Hoofdelijke veroordeling
De verdachte rechtspersoon heeft de strafbare feiten samen met anderen gepleegd. Zij zijn daarom allen hoofdelijk aansprakelijk voor deze schadevergoeding. Dat betekent dat als een mededader de schadevergoeding (voor een deel) heeft betaald, de verdachte (dat deel) niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 24 september 2021 tot de dag van de gehele betaling.
De rechtbank veroordeelt de verdachte rechtspersoon in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en de benadeelde partij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (grotendeels) wordt toegewezen. Deze kosten worden begroot op nihil.
De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat het verzoek tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel moet worden afgewezen, nu de staat een weerbare derde is die geacht mag worden de incasso van de vordering in eigen handen te kunnen nemen.
6 Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 23, 47, 51, 57, 225 en 323a van het Wetboek van Strafrecht.
7 Beslissingen
De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte rechtspersoon de feiten, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte rechtspersoon strafbaar;
Straf
Geldboete
veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 23.000,-;
Vordering benadeelde partij
veroordeelt de verdachte rechtspersoon hoofdelijk met haar mededaders aan de benadeelde partij Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, te betalen een bedrag van
€ 233.640,- als vergoeding van materiële schade en de wettelijke rente hierover vanaf 24 september 2021 tot de dag van volledige betaling.
Als en voor zover er door een mededader is betaald, wordt de verdachte rechtspersoon (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte rechtspersoon in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis.
8 Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. H. van den Heuvel, voorzitter,
en mrs. M.J.C. Spoormaker en I. Tillema, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R. van Puffelen, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 11 augustus 2026.
Bijlage - 1 volledige tenlastelegging
1.
Zij,
op of omstreeks 30 september 2022 te Amsterdam en/of elders in
Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te
weten
- [vaststellingsaanvraag] (DOC-WBT-004)
valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, door in strijd met de
waarheid op dat geschrift - zakelijk weergegeven - te vermelden dat:
- het totaal aantal coronabanen 10 bedroeg en/of
- het totaal coronabanen via detachering 8 bedroeg en/of
- de werkelijke kosten voor periode 2 € 247.807,19 bedroegen en/of
- de geldende wet- en regelgeving op basis waarvan de subsidie
werd ingediend, was nageleefd en/of
- de verantwoording (inclusief eventuele bijlagen) volledig, juist en
naar waarheid waren ingevuld,
met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of
door anderen te doen gebruiken;
subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden
Zij,
op of omstreeks 30 september 2022 te Amsterdam en/of elders in
Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals en/of vervalst geschrift
dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten
- [vaststellingsaanvraag] (DOC-WBT-004)
als ware het echt en onvervalst,
bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat valselijk en in strijd met
de waarheid - zakelijk weergegeven - was vermeld dat:
- het totaal aantal coronabanen 10 bedroeg en/of
- het totaal coronabanen via detachering 8 bedroeg en/of
- de werkelijke kosten voor periode 2 € 247.807,19 bedroegen en/of
- de geldende wet- en regelgeving op basis waarvan de subsidie
werd ingediend, was nageleefd en/of
- de verantwoording (inclusief eventuele bijlagen) volledig, juist en
naar waarheid waren ingevuld,
door dat geschrift te versturen en/of te doen toekomen aan de Dienst
Uitvoering Subsidies aan Instellingen van het Ministerie van
Volksgezondheid en Sport,
dan wel opzettelijk zodanig geschrift heeft afgeleverd en/of voorhanden
heeft gehad, terwijl zij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of
redelijkerwijs moesten vermoeden dat dit geschrift bestemd was voor
zodanig gebruik;
2.
Zij,
op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 24
september 2021 tot en met 6 juni 2024, in Amsterdam, althans elders in
Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
meermalen, althans eenmaal,
opzettelijk en wederrechtelijk,
een of meer middelen die met een bepaald doel door of vanwege de
overheid waren verstrekt, te weten:
- Een deel van het subsidiebedrag van € 247.807,19, te weten € 233.640,00, althans enig geldbedrag, inzake tweede periode coronabanen subsidie ten behoeve van de financiering van loonkosten van tijdelijk personeel (al dan niet via een detacheerder) (DOC-WBT-001)
heeft aangewend voor:
- ( in)directe betalingen aan bedrijven in de schoonmaakbranche
en/of overige branche onlogische bedrijven;
- ( in) directe betalingen aan buitenlandse bedrijven zonder werknemers;
- ( in)directe betalingen aan privépersonen;
in elk geval niet zijnde bedrijven met (voldoende) (zorg)personeel in dienst en/of in elk geval voor andere doeleinden dan waarvoor zij waren verstrekt (AMB-002-01/AMB-004-01)