Strafrecht overig

Medeplegen van opzettelijk brandstichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar en gevaar…

Rechtbank Rotterdam, 29 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 29 oktober 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
29 oktober 2026
Datum publicatie
6 november 2026
Zaaknummer
10-218392-25 en: TUL: 10-018031-24
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:15479
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Medeplegen van opzettelijk brandstichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is, diefstal door twee of meer verenigde personen en als een ander dan een persoon met gespecialiseerde kennis professioneel vuurwerk tot ontbranding brengen. Voorwaardelijke jeugddetentie en een onvoorwaardelijke werkstraf. Gedeeltelijke toewijzing vorderingen benadeelde partijen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team jeugd

Parketnummer: 10-218392-25

Parketnummer vordering TUL: 10-018031-24

Datum uitspraak: 29 oktober 2026

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 2008 in [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres 1] , [postcode] [plaats] ,

raadsman mr. R.F. van Leeuwen, advocaat in Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 15 oktober 2026.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. D.P.L. ter Laak heeft gevorderd:

  • vrijspraak van het onder 2 primair ten laste gelegde;

  • bewezenverklaring van het onder 1 primair, 2 subsidiair en 3 primair ten laste gelegde;

  • veroordeling van de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 90 dagen met aftrek
    van voorarrest, waarvan 88 dagenvoorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (hierna: JBRR);

  • veroordeling van de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen vervangende jeugddetentie.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak zonder nadere motivering feit 2 primair

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 2 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

4.2.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering feit 2 subsidiair en 3 primair

Het onder 2 subsidiair en 3 primair ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Deze feiten zullen zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

4.3.

Bewijswaardering feit 1 primair

4.3.1.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de onder 1 primair ten laste gelegde opzettelijke brandstichting in vereniging, omdat het opzet van de verdachte ontbreekt, ook in voorwaardelijke zin. De verdachte heeft samen met vrienden flares afgestoken op een enigszins leeg veld. Dit kan worden vergeleken met het afsteken van vuurwerk met oud en nieuw. Door een zeer ongelukkige samenloop van omstandigheden is er een flare op het dak van een woning terecht gekomen. De verdachte heeft niet de intentie gehad om een brand te veroorzaken.

4.3.2.

Beoordeling

De rechtbank stelt vast dat de verdachte en twee medeverdachten op 27 juni 2025 meerdere flares hebben afgestoken, onder meer in de richting van de woning aan de [straat] [huisnummer a] in Rotterdam. Kort daarna werd er een melding gemaakt dat het dak van de woning aan de [straat] [huisnummer a] in brand stond. De brand breidde zich uit naar de twee naastgelegen woningen met de nummers [huisnummer b] en [huisnummer c] . De aanwezige bewoners moesten hun woningen ontvluchten. Bij het onderzoek naar de brand is in de dakgoot van de woning waar de brand was ontstaan een restant van een flare aangetroffen. Gelet op de bevindingen van de forensische opsporing, de resultaten van het brandonderzoek en het korte tijdsverloop tussen het afsteken van de flares en de brandmelding stelt de rechtbank vast dat de brand door een van de afgestoken flares is veroorzaakt.

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de brandstichting. De rechtbank overweegt dat het geen gewoon vuurwerk betrof, maar op een nabijgelegen schip aangetroffen flares die als noodsignaalmiddel waren bedoeld. Deze flares produceren bij het afsteken een zeer hete, brandende effectlading. Wanneer deze effectlading onder een hoek wordt afgevuurd, kan deze brandend kan neerkomen en brand aan gebouwen en goederen kan veroorzaken. Door dergelijke flares in een woonwijk af te steken, ook in de richting van woningen en terwijl het waaide, bestond een aanmerkelijke kans op het ontstaan van brand. De verdachte heeft gezien dat bij het afsteken van de eerste flare door een medeverdachte een brandende bal door de lucht ging en vervolgens naar beneden kwam. Ook is op videobeelden te zien dat op de plek waar een flare terechtkwam vonken te zien zijn. Desondanks hebben de verdachte en de medeverdachten het ongecontroleerd afsteken van flares voorgezet, ook in de richting van de woningen. Op videobeelden is te horen dat hierbij wordt geroepen, ‘kankerscheef’ en ‘oh oh die osso’(de rechtbank begrijpt: oh oh dat huis). Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hierdoor brand zou ontstaan.

Verder stelt de rechtbank vast dat door de brand in het dak niet alleen gemeen gevaar te duchten was voor de onderliggende woningen, de naastgelegen woningen en de inboedel en inrichting daarvan, maar ook levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de aanwezige bewoners.

4.3.3.

Conclusie

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het medeplegen van opzettelijke brandstichting, zoals onder 1 primair ten laste gelegd, wettig en overtuigend bewezen.

4.4.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan.

In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:

1 primair

hij op of omstreeks 27 juni 2025 te Rotterdam,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk

brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht, door

-een of meerdere flare(s) (verboden vuurwerk) af te steken bij/ voor en/of in de

richting van de woning (en) aan de [straat] [huisnummer b] , [huisnummer c] , [huisnummer a] , althans in de

dichte nabijheid van/voor de woning(en) te brengen/ plaatsen en aan te steken,

waardoor die/dat stuk(ken) vuurwerk tot ontploffing is/zijn gebracht, terwijl

daarvan

- gemeen gevaar voor goederen, te weten die woning(en) en/of inboedel/huisraad

en/of inrichting van die woning(en) aan de [straat] [huisnummer b] , [huisnummer c] en [huisnummer a] te

Rotterdam en/of een of meer omliggende woning(en), en/of de inboedel/ inrichting

van die omliggende (woning)en te duchten was en/of

- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten

de bewoner(s) van de [straat] [huisnummer b] , [huisnummer c] , [huisnummer a] en/of de bewoner(s) van

omliggende woning(en) te duchten was.

2 subsidiair

hij op of omstreeks 27 juni 2025 te Rotterdam,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

-een of meerdere parachuteflare(s) en/of rookpot(ten) en/of een bijl, in elk geval

enig goed, dat/ die geheel of ten dele aan [bedrijf] BV toebehoorden,

heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

3 primair

hij op of omstreeks 27 juni 2025 te Rotterdam, als een ander dan een persoon met

gespecialiseerde kennis, (al dan niet opzettelijk) één of meer professioneel

vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, dat niet is aangewezen

als consumentenvuurwerk, te weten (1) Red Parachite Signal Rocket, althans een of

meerdere flare(s), tot ontbranding heeft gebracht.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet (ook) daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1.

medeplegen van opzettelijk brandstichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is

2.

diefstal door twee of meer verenigde personen

3.

overtreding van een voorschrift, gesteld bij of krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, juncto artikel 1.2.2 lid 3 van het Vuurwerkbesluit, opzettelijk begaan

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich op zeventienjarige leeftijd samen met zijn medeverdachten schuldig gemaakt aan diefstal van flares en een bijl op een schip. Daarmee hebben zij inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van een ander. Vervolgens hebben zij in strijd met het Vuurwerkbesluit de flares afgestoken in een woonwijk, waarbij brand is ontstaan in het dak van een woning. De brand heeft zich uitgebreid naar naastgelegen woningen en aanzienlijke schade veroorzaakt. Meerdere woningen zijn hierdoor onbewoonbaar geworden. Bovendien waren in de woningen bewoners aanwezig, onder wie slapende kinderen, die angstige momenten hebben moeten doorstaan. Opzettelijke brandstichting is een zeer ernstig feit. Naast die aanzienlijke materiële schade heeft de brand ook grote impact gehad op de getroffen bewoners, zoals zij in hun slachtofferverklaringen treffend hebben verwoord. De veiligheid van de bewoners is ernstig in gevaar gebracht en de brand heeft gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 25 september 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportages van deskundigen

De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 23 september 2026. Dit rapport houdt, voor zover van belang, het volgende in.

Het dynamisch risicoprofiel komt uit op laag. De Raad benadrukt dat het belangrijk is dat de verdachte inzicht krijgt in de impact van zijn handelen op de slachtoffers en dat hij verantwoordelijkheid leert nemen voor zijn daden. Er komen veel beschermende factoren naar voren die de kans op herhaling van strafbaar gedrag verlagen. Zo heeft de verdachte een hechte band met zijn oma, bij wie hij woont. Zij houdt goed zicht op hem. Hij gaat graag naar school, zonder verzuim, en vertoont positief gedrag. Daarnaast heeft hij een

bijbaantje en sport hij met zijn coach vanuit E-25. Tegelijkertijd signaleert de Raad risicofactoren die de kans op herhaling van strafbaar gedrag verhogen. Naast contact met pro-sociale vrienden, heeft hij ook contacten met antisociale vrienden, waardoor hij zich gemakkelijk kan laten meeslepen in ongewenst gedrag. Dit heeft ook een rol gespeeld bij de huidige verdenking. Positief is dat de verdachte inziet dat hij gevoelig is voor groepsdruk en dat hij impulsief kan handelen, zonder de gevolgen van zijn gedrag te overzien. Om de kans op herhaling van strafbaar gedrag te verlagen, vindt de Raad het belangrijk om aandacht te besteden aan zijn vriendengroep en het vergroten van zijn vaardigheden. De vriendengroep moet nader in kaart worden gebracht en hij moet ondersteuning krijgen bij het maken van de juiste keuzes. Samen met zijn coach vanuit E-25 heeft hij dit opgepakt, zodat hij goede keuzes kan maken en volhouden om probleemsituaties te voorkomen. Het is van belang dat hij wordt begeleid in het ontwikkelen van vaardigheden, het vinden en behouden van positieve contacten en dat hij zich inzet voor zijn toekomst. Door aandacht te hebben voor deze factoren zal de kans op herhaling verkleind worden. Een jeugddetentie zou voor hem geen pedagogische meerwaarde bieden; in plaats daarvan bestaat de vrees dat hij binnen een Justitiële Jeugdinrichting status zou verwerven en zou afglijden in het criminele circuit, waardoor hij niet kan werken of studeren. Het opleggen van detentie zou ook de huidige hulpverlening onderbreken. Vanuit pedagogisch perspectief adviseert de Raad een onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen. De Raad adviseert daarnaast een deels voorwaardelijke werkstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarde begeleiding door de jeugdreclassering. Om de kans op herhaling van strafbaar gedrag verder te verlagen, is verplichte begeleiding vanuit de jeugdreclassering nodig. Dit waarborgt continuïteit in zijn traject, met aandacht voor zijn houding, vrijetijdsbesteding, relaties en geestelijke gezondheid. Daarbij moet er aandacht zijn voor de achtergronden van het delictgedrag, en zal met hem gesproken worden over zijn gemaakte keuzes en de oorzaken en gevolgen daarvan, gelet op de ernst van het delict. Door de werkstraf ervaart hij ook de consequenties van zijn gedrag.

De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (hierna: de jeugdreclassering) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 14 oktober 2026. Dit rapport houdt, voor zover van belang, het volgende in.

De verdachte is een bekennende verdachte. Er is al een gedragsaanwijzing geweest, hij mocht drie maanden lang geen contact met de medeverdachten hebben. Hier heeft hij zich aan gehouden. Hij gaat naar school volgens het rooster. Daar heeft hij het naar zijn zin. Hij wil zo snel mogelijk zijn niveau 2 diploma halen en dan door naar niveau 3. De verdachte heeft een bijbaantje om extra geld te verdienen. De werkgever is tevreden over hem en mogelijk gaat zijn contract weer verlengd worden. In zijn vrije tijd is de verdachte veel in de gym. Hij heeft een belast verleden en woont niet meer bij zijn moeder. Hij woont al geruime tijd bij oma (tante vz) en heeft heel beperkt contact met moeder. De situatie bij oma is redelijk stabiel al botsen oma en de verdachte wel geregeld met elkaar. De jeugdbescherming adviseert mede om die reden ook dat, wanneer dit nodig wordt geacht, hij mee moet werken aan begeleid wonen. Niet alleen door de spanningen die er tussen oma en de verdachte af en toe zijn, maar ook vanwege de gezondheid/leeftijd van oma. Mocht zij onverhoopt wegvallen of op enig moment niet meer voor hem kunnen zorgen is het van belang dat er voor hem een plek komt waar hij begeleid kan wonen. De jeugdbescherming is van mening dat een proeftijd van 2 jaar nodig is om hem te begeleiden in zijn jongvolwassenheid. De jeugdbescherming adviseert een geheel voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden dat de verdachte;

- zich houdt aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering;

- naar school gaat volgens rooster en zich inzet om zijn diploma te halen;

- meewerkt aan begeleiding en behandeling van E25;

- naar zijn bijbaantje blijft gaan volgens rooster;

- meewerkt aan begeleid wonen wanneer de jeugdreclassering dit nodig acht.

Ten aanzien van de vordering tenuitvoerlegging adviseert de jeugdbescherming deze voorwaardelijke werkstraf geheel ten uitvoer te leggen. Het is bij het opleggen van straf(fen) aan de verdachte wel van belang dat de ontwikkeling van de verdachte niet in gevaar wordt gebracht door een te grote werkstraf waardoor hij bijvoorbeeld niet meer of te weinig naar zijn bijbaantje kan. Het geld dat hij daar kan verdienen heeft hij nodig om te voorzien in zijn eigen ontwikkeling.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van jeugddetentie. De rechtbank zal, mede gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, de positieve ontwikkeling die hij doormaakt en zijn inzet voor de hulpverlening afzien van het opleggen van een onvoorwaardelijke jeugddetentie. In plaats daarvan wordt een voorwaardelijke jeugddetentie opgelegd en een taakstraf in de vorm van een werkstraf. Bij het bepalen van de hoogte van de werkstraf houdt de rechtbank rekening met de hierna te noemen vordering tenuitvoerlegging. Aan de voorwaardelijke jeugddetentie worden, overeenkomstig de adviezen van de deskundigen, bijzondere voorwaarden verbonden om de begeleiding door de jeugdreclassering te waarborgen. De voorwaardelijke jeugddetentie dient er tevens toe om de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8 Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen

8.1.

Algemene overwegingen

Door de verdediging is aangevoerd dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in de vorderingen omdat sprake is uitgebreide vorderingen met veel schadeposten en de beoordeling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

Het betreft 6 vorderingen van benadeelde partijen, waarvan 2 vorderingen alleen zien op vergoeding van een bedrag aan immateriële schade. De andere 4 vorderingen zien op meerdere schadeposten. Van deze vorderingen zijn er 2 ruim voorafgaand aan de zitting ingediend. De andere 2 vorderingen zijn 10 dagen voor de zitting ingediend. De verdediging is daarmee voldoende in de gelegenheid gesteld om naar voren te brengen wat zij tot verweer tegen de vorderingen kan aanvoeren. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van deze vorderingen in beginsel geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

De conclusie van de rechtbank is dat de benadeelde partijen ontvankelijk zijn in hun vorderingen tot schadevergoeding, tenzij daarover in het hiernavolgende (ten aanzien van de individuele vorderingen dan wel afzonderlijke schadeposten) anders wordt geoordeeld.

8.2.

Vorderingen benadeelde partijen

Benadeelde partij [benadeelde 1]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [benadeelde 1] , bijgestaan door mr. M.A. Oosterveen, ter zake van het onder 1 tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 5.347,- aan materiële schade en een bedrag van € 20.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Namens de verdachte is de vordering betwist en is betoogd dat de vordering door de benadeelde partij onvoldoende is onderbouwd.

De rechtbank overweegt als volgt.

Materiële schade

De schadepost ‘extra kosten voor levensonderhoud’ ziet op een eigen bijdrage van de benadeelde voor de kosten voor ontbijt, lunch en diner, na uitkering door de inboedelverzekering. Het betreft een bedrag van € 10,00 per dag. Onvoldoende is onderbouwd dat de schade ziet op extra kosten voor levensonderhoud, dus naast de gangbare kosten voor levensonderhoud die eenieder heeft en die in beginsel niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de schadepost ‘noodaankopen’ is gesteld dat dit ziet op de aanschaf van basiskleding, schoenen en toiletartikelen. Niet is gebleken dat en welke kosten door de benadeelde daadwerkelijk zijn gemaakt. Dat geldt eveneens voor de posten ‘locatie bruiloft’ en ‘decoratie’. Niet is gebleken dat de benadeelde deze kosten heeft gemaakt. Daar komt bij dat niet is komen vast te staan dat deze kosten zijn gemaakt als rechtstreeks gevolg van het strafbare feit. Binnen het strafproces bestaat geen ruimte om [benadeelde 1] alsnog in de gelegenheid te stellen met stukken te onderbouwen dat voornoemde kosten daadwerkelijk zijn gemaakt dan wel voor nadere bewijslevering ten aanzien van de hiervoor genoemde schadeposten.

De schadepost ‘inkomensverlies’ ziet op misgelopen loon doordat het salaris van de benadeelde vanaf januari 2026 lager zou zijn geworden en omdat de benadeelde salarisverhogingen zou zijn misgelopen. Uit de overgelegde stukken (salarisstroken van juni 2025 en januari en februari 2026) valt niet af te leiden dat het salaris van de benadeelde partij lager is geworden als gevolg van het strafbare feit. Integendeel, de salarisstroken over januari en februari 2026 vermelden een hoger bedrag aan salaris dan de salarisstrook over juni 2025. Ook de gestelde misgelopen salarisverhogingen zijn onvoldoende gebleken. De benadeelde partij heeft hierover zelf in de toelichting op de vordering opgemerkt dat deze verhogingen formeel afhankelijk zijn van het functioneren en daarom niet ‘met absolute zekerheid’ kunnen worden vastgesteld. Ook hiervoor is nadere bewijslevering nodig, waarvoor binnen het strafproces geen ruimte is.

De gevorderde reiskosten zijn een geschat bedrag voor de kosten die de benadeelde stelt te hebben gemaakt om te reizen naar het politiebureau voor het doen van aangifte, naar de huisarts, praktijkondersteuner, behandeling bij PSQ, GGZ en Antes, Slachtofferhulp Nederland en advocaat. Daarnaast zijn er volgens hem meerdere bezoeken geweest voor tijdelijke huisvesting en zijn er afspraken geweest in verband met de schadeafhandeling. Een nadere onderbouwing van de afspraken, locaties en gereden kilometers ontbreekt, zodat niet kan worden vastgesteld of de kosten werkelijk zijn gemaakt en of (alle) kosten een rechtstreeks gevolg zijn van het strafbare feit. Dit deel van de vordering is onvoldoende onderbouwd. Dit geldt ook voor de gevorderde prijsstijging van nieuw aan te schaffen meubels. De benadeelde heeft van de verzekering een vergoeding voor de beschadigde meubels ontvangen. Hij stelt dat de aanschaf van nieuwe meubels nu, ruim een jaar later, duurder is geworden doordat de prijzen zijn gestegen. Ter onderbouwing van dit deel van de vordering zijn offertes overgelegd. Onduidelijk is of deze kosten daadwerkelijk door de benadeelde zijn gemaakt. Daar komt bij dat de berekening van dit soort zaakschade doorgaans geschiedt aan de hand van de waarde van die zaak in het economisch verkeerd ten tijde van de beschadiging/het verlies, zodat de gestelde schade in beginsel niet voor vergoeding in aanmerking komt.

De gevorderde medische kosten zien op het eigen risico van de zorgverzekering en de eigen bijdrage voor medicatie over 2026. Het eigen risico was verschuldigd voor consulten bij GGZ op 2 en 9 januari 2026 met toeslag en voor medicijnen die op 12 januari en 5 februari 2026 aan de benadeelde zijn verstrekt. Hoewel ter onderbouwing van dit deel van de vordering door de benadeelde verschillende medische stukken zijn overgelegd, volgt uit deze stukken niet dat de benadeelde in 2026 nog medische behandelingen heeft gehad dan wel medicatie nodig had, die in rechtstreeks verband staan tot het strafbare feit. Ook hiervoor is nadere bewijslevering nodig, waarvoor binnen het strafproces geen ruimte is.

Immateriële schade

Door de benadeelde partij wordt vergoeding van immateriële schade gevorderd omdat door het strafbare feit sprake is van een aantasting in de persoon van de benadeelde op andere wijze.

Van zo’n aantasting is sprake, indien bij de benadeelde sprake is van geestelijk letsel. Uit de overgelegde medische stukken blijkt dat voorafgaand aan het strafbare feit bij de benadeelde sprake was van somberheidsklachten en dat door een psychiater is geconstateerd dat na de woningbrand een acute toename was van depressiviteit, waarbij een depressieve stoornis, eenmalige episode is vastgesteld. Daarmee kan naar objectieve maatstaven worden vastgesteld dat er sprake is van geestelijk letsel bij de benadeelde.

De schade wordt naar billijkheid begroot op € 1.500,00. Hierbij is rekening gehouden met alle omstandigheden van het geval, in het bijzonder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt. Verder is bij de begroting rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen. De benadeelde partij wordt in het resterende deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard.

Benadeelde partij [benadeelde 2]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [benadeelde 2] , bijgestaan door mr. M.A. Oosterveen, ter zake van het onder 1 tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 467,- aan materiële schade en een bedrag van € 10.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Namens de verdachte is de vordering betwist en is betoogd dat de vordering door de benadeelde partij onvoldoende is onderbouwd.

De rechtbank overweegt als volgt.

Materiële schade

De schadepost ‘inkomensverlies’ ziet op misgelopen loon doordat de benadeelde in de periode van oktober 2025 tot en met februari 2026 80% inkomen heeft uitbetaald gekregen en omdat zij twee salarisverhogingen zou zijn misgelopen. Uit de overgelegde stukken volgt dat de benadeelde ten tijde van het strafbare feit in verband met verzuim wegens een burn-out reeds 100% afwezig was op het werk (met als startdatum 6 mei 2025), waarbij de brand in de woning als belastende omstandigheid wordt genoemd. Gelet hierop is onvoldoende komen vast te staan dat het inkomensverlies in rechtstreeks verband staat tot het strafbare feit. Dat geldt ook voor de gestelde misgelopen salarisverhogingen. De benadeelde partij heeft hierover zelf in de toelichting op de vordering al opgemerkt dat deze verhogingen formeel afhankelijk zijn van het functioneren en daarom niet ‘met absolute zekerheid’ kunnen worden vastgesteld. Ook hiervoor is nadere bewijslevering nodig, waarvoor binnen het strafproces geen ruimte is.

De gevorderde medische kosten van € 19,00, die zien op een eigen bijdrage voor medicatie die op 11 juli 2025 aan de benadeelde is verstrekt, zullen worden toegewezen. Voldoende is onderbouwd dat de medicatie is verstrekt als gevolg van het strafbare feit, omdat uit de overgelegde medische stukken volgt dat zij psychisch letsel heeft opgelopen.

Immateriële schade

Door de benadeelde partij wordt vergoeding van immateriële schade gevorderd omdat volgens de benadeelde door het strafbare feit sprake is van een aantasting in de persoon van de benadeelde op andere wijze.

Van zo’n aantasting is sprake, indien bij de benadeelde sprake is van geestelijk letsel. Uit de overgelegde medische stukken volgt dat bij de benadeelde voorafgaand aan het strafbare feit reeds sprake was van geestelijk letsel en dat de gevolgen van het strafbare feit door een psycholoog daarbij worden aangemerkt als belastend. Door PsyQ wordt in januari 2026 bij de benadeelde een depressieve stoornis, eenmalige episode vastgesteld. Daarmee kan naar objectieve maatstaven bij de benadeelde worden vastgesteld dat er sprake is van geestelijk letsel.

De schade wordt naar billijkheid begroot op € 1.500,00. Hierbij is rekening gehouden met alle omstandigheden van het geval, in het bijzonder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt. Verder is bij de begroting rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen. De benadeelde partij wordt in het resterende deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard.

Benadeelde partij [benadeelde 3]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [benadeelde 3] , bijgestaan door mr. F.J.M. Hamers, ter zake van het onder 1 tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 15.310,93 aan materiële schade en een bedrag van € 12.500,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Namens de verdachte is de vordering betwist en is betoogd dat de vordering door de benadeelde partij onvoldoende is onderbouwd.

De rechtbank overweegt als volgt.

Materiele schade

De schadepost ‘Extra kosten verhuizingen’ ziet op dubbele huur en parkeerkosten die de benadeelde stelt gemaakt te hebben omdat zij en haar gezin meerdere keren elders onderdak hebben moeten zoeken. De schadepost ‘Reiskosten’ ziet op extra reiskosten die de benadeelde heeft moeten maken door de verhuizingen. De schadepost ‘Gederfd woongenot’ ziet op schade die het gevolg is van het missen van het woongenot omdat zij momenteel niet kunnen verblijven in de eigen woning. Voor deze schadeposten geldt dat uit de overgelegde stukken niet is gebleken dat en over welke periode de benadeelde niet in de eigen woning heeft kunnen verblijven als gevolg van het strafbare feit, dat meerdere verhuizingen naar andere locaties nodig waren en dat, ondanks vervangende woonruimte, sprake is van misgelopen woonplezier dat voor vergoeding in aanmerking zou moeten komen. Hiervoor is nadere bewijslevering nodig, waarvoor binnen het strafproces geen ruimte is.

De schadepost ‘Eigen risico’, ziet op het eigen risico dat de benadeelde aan de zorgverzekeraar heeft moeten betalen over 2025 en 2026, voor een totaalbedrag van € 364,43. De gevorderde medische kosten van € 17,12 zien op verstrekking van slaaptabletten. Uit de overgelegde stukken volgt in voldoende mate dat de benadeelde psychische behandeling nodig heeft gehad en medicijnen verstrekt heeft gekregen, als gevolg van het strafbare feit. De gevorderde zorgkosten en medische kosten zullen worden toegewezen.

Immateriële schade

Door de benadeelde partij wordt vergoeding van immateriële schade gevorderd omdat door het strafbare feit sprake is van een aantasting in de persoon van de benadeelde op andere wijze.

Van zo’n aantasting is sprake, indien bij de benadeelde sprake is van geestelijk letsel. Uit de overgelegde stukken volgt dat bij de benadeelde sinds het strafbare feit psychische klachten aanwezig zijn, dat bij haar door een psycholoog een posttraumatische-stressstoornis is geconstateerd en dat zij in behandeling is daarvoor en medicatie krijgt voorgeschreven. Daarmee kan naar objectieve maatstaven bij de benadeelde worden vastgesteld dat er sprake is van geestelijk letsel.

De schade wordt naar billijkheid begroot op € 2.000,00. Hierbij is rekening gehouden met alle omstandigheden van het geval, in het bijzonder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt. Verder is bij de begroting rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen. De benadeelde partij wordt in het resterende deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard.

Benadeelde partij [benadeelde 4]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [benadeelde 4] , bijgestaan door mr. F.J.M. Hamers, ter zake van het onder 1 tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 5.120,74 aan materiële schade en een bedrag van € 10.750,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Namens de verdachte is de vordering betwist en is betoogd dat de vordering door de benadeelde partij onvoldoende is onderbouwd.

De rechtbank overweegt als volgt.

Materiele schade

De schadepost ‘Extra kosten verhuizingen’ ziet op parkeerkosten die de benadeelde stelt gemaakt te hebben omdat hij en zijn gezin meerdere keren elders onderdak hebben moeten zoeken. De schadepost ‘Gederfd woongenot’ ziet op schade die het gevolg is van het missen van het woongenot omdat zij momenteel niet kunnen verblijven in de eigen woning. Voor beide schadeposten geldt dat uit de overgelegde stukken niet is gebleken dat en over welke periode de benadeelde niet in de eigen woning heeft kunnen verblijven als gevolg van het strafbare feit. Ook is niet gebleken dat meerdere verhuizingen naar andere locaties nodig waren en dat, ondanks vervangende woonruimte, sprake is van misgelopen woonplezier dat voor vergoeding in aanmerking zou moeten komen. Hiervoor is nadere bewijslevering nodig, waarvoor binnen het strafproces geen ruimte is.

Ten aanzien van de kosten voor het eigen risico over 2026 van €349,95 heeft de verdediging aangevoerd dat onvoldoende onderbouwd is dat deze kosten een gevolg zijn van het bewezenverklaarde.

Uit de onderbouwing van deze schade blijkt dat de benadeelde naar aanleiding van het strafbare feit vanaf maart 2026 EMDR-behandeling heeft gevolgd en dat deze zorgkosten over 2026 betrekking hebben op ondergane medische behandelingen. De rechtbank is daarom van oordeel dat deze kosten in een zodanig verband staan met het bewezenverklaarde, dat deze aan de verdachte als gevolg van deze gebeurtenis kunnen worden toegerekend, om welke reden dit deel van de vordering zal worden toegewezen.

Immateriële schade

Door de benadeelde partij wordt vergoeding van immateriële schade gevorderd omdat door het strafbare feit sprake is van een aantasting in de persoon van de benadeelde op andere wijze.

Van zo’n aantasting is sprake, indien bij de benadeelde sprake is van geestelijk letsel. Uit de overgelegde stukken volgt dat bij de benadeelde sinds het strafbare feit sprake is van trauma-gerelateerde klachten, dat bij hem door een psycholoog een posttraumatische-stressstoornis is geconstateerd en dat hij daarvoor in behandeling is. Daarmee kan naar objectieve maatstaven bij de benadeelde worden vastgesteld dat er sprake is van geestelijk letsel.

De schade wordt naar billijkheid begroot op € 2.000,00. Hierbij is rekening gehouden met alle omstandigheden van het geval, in het bijzonder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt. Verder is bij de begroting rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen. De benadeelde partij wordt in het resterende deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard.

Benadeelde partij [benadeelde 5]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [benadeelde 5] , bijgestaan door mr. F.J.M. Hamers, ter zake van het onder 1 tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 6.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Namens de verdachte is de vordering betwist en is betoogd dat de vordering door de benadeelde partij onvoldoende is onderbouwd.

De rechtbank overweegt als volgt.

Immateriële schade

Door de benadeelde partij wordt vergoeding van immateriële schade gevorderd omdat door het strafbare feit sprake is van een aantasting in de persoon van de benadeelde op andere wijze. Van zo’n aantasting is sprake, indien bij de benadeelde sprake is van geestelijk letsel. Kan het bestaan van geestelijk letsel niet naar objectieve maatstaven worden aangenomen, dan kunnen de aard en de ernst van a) de normschending en b) de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze.

Uit het overgelegde behandelverslag van een psycholoog volgt dat bij de benadeelde partij sprake is geweest van traumatische ervaringen rondom de woningbrand. Symptomen van prikkelbaarheid, boosheid en verdriet zijn na behandeling afgenomen. Niet gebleken is dat bij de benadeelde sprake is (geweest) van geestelijk letsel of dat aard en de aard en ernst van de nadelige gevolgen zodanig zijn dat sprake is van een aantasting in de persoon, zodat de benadeelde partij in de vordering niet ontvankelijk zal worden verklaard.

Benadeelde partij [benadeelde 6]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [benadeelde 6] , bijgestaan door mr. F.J.M. Hamers, ter zake van het onder 1 tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 3.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Namens de verdachte is de vordering betwist en is betoogd dat de vordering door de benadeelde partij onvoldoende is onderbouwd.

De rechtbank overweegt als volgt.

Immateriële schade

Door de benadeelde partij wordt vergoeding van immateriële schade gevorderd omdat door het strafbare feit sprake is van een aantasting in de persoon van de benadeelde op andere wijze. Van zo’n aantasting is sprake, indien bij de benadeelde sprake is van geestelijk letsel. Kan het bestaan van geestelijk letsel niet naar objectieve maatstaven worden aangenomen, dan kunnen de aard en de ernst van a) de normschending en b) de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze.

Uit de overgelegde stukken blijkt niet dat bij de benadeelde sprake is (geweest) van geestelijk letsel of dat de aard en ernst van de nadelige gevolgen daarvan meebrengen dat sprake is van een aantasting in de persoon, zodat de benadeelde partij in de vordering niet ontvankelijk zal worden verklaard.

8.3.

Hoofdelijke veroordeling

Nu de verdachte het strafbare feit waarvoor de schadevergoeding zal worden toegekend, samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededaders de benadeelde partijen betalen is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partijen van deze betalingsverplichting bevrijd.

8.4.

Wettelijke rente

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat de te vergoeden schadebedragen vermeerderd worden met wettelijke rente vanaf 27 juni 2025.

8.5.

Proceskosten

Nu de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 4] en [benadeelde 3] gedeeltelijk zullen worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Nu de benadeelde partijen [benadeelde 5] en [benadeelde 6] niet-ontvankelijk zullen worden verklaard, zal worden bepaald dat de benadeelde partijen en de verdachte ieder de eigen kosten moeten dragen.

8.6.

Conclusies

De verdachte moet samen met zijn mededaders de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 4] en [benadeelde 3] schadevergoeding betalen als hieronder vermeld, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten.

Benadeelde partij

Materiële schade

Immateriële schade

Totaal

[benadeelde 1]

-

€1.500,00

€1.500,00

[benadeelde 2]

€19,00

€1.500,00

€1.519,00

[benadeelde 4]

€349,95

€2.000,00

€2.349,95

[benadeelde 3]

€381,55

€2.000,00

€2.381,55

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.

In deze procedure wordt over de overige door [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 4] en [benadeelde 3] gevorderde schadevergoeding geen inhoudelijke beslissing genomen. Over de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 5] en [benadeelde 6] wordt in het geheel geen inhoudelijke beslissing genomen.

9 Vordering tenuitvoerlegging

9.1.

Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd

Bij vonnis van 19 augustus 2024 van de kinderrechter van deze rechtbank met parketnummer 10-018031-24 is de verdachte ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht veroordeeld tot voor zover van belang - een taakstaf in de vorm van een werkstraf van 100 uur, waarvan 60 uur voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. De proeftijd is ingegaan op 3 september 2024.

9.2.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot toewijzing van de vordering tenuitvoerlegging.

9.3.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft verzocht rekening te houden met de belastbaarheid van de verdachte in verband met de lopende hulpverlening en de eventueel op te leggen straf in de hoofdzaak.

9.4.

Beoordeling

De hierboven bewezen verklaarde feiten zijn na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de bewezen feiten heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.

Daarom zal de tenuitvoerlegging worden gelast van het voorwaardelijke gedeelte van de bij dat vonnis aan de verdachte opgelegde straf.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen:

36f, 47, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg, 157 en 311 van het Wetboek van Strafrecht;

1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten;

9.2.2.1 van de Wet milieubeheer;

artikel 1.2.2. Vuurwerkbesluit.

11 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde feit en heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 primair, 2 subsidiair en 3 primair ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte (ook) daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 30 (dertig) dagen;

bepaalt dat deze jeugddetentie, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van hierna te melden voorwaarde;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt vastgesteld op 2 (twee) jaren;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;

stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende een door de gecertificeerde instelling te bepalen periode en op door de gecertificeerde instelling te bepalen tijdstippen zal melden bij de gecertificeerde instelling, zo frequent en zo lang die instelling dat gedurende de proeftijd noodzakelijk acht en zijn medewerking verleent aan de daaruit voortvloeiende afspraken;

- naar school zal gaan overeenkomstig zijn rooster en zich zal inzetten om zijn diploma te halen;

- zal meewerken aan begeleiding en behandeling van E25 of een andere soortgelijke instelling indien en zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;

- zich zal inspannen voor het behoud van een bijbaan;

- zal meewerken aan begeleid wonen indien en zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht.

verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden:

- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;
- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan jeugdreclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;

geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

legt de verdachte een taakstraf op, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 40 (veertig) uren;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde werkstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 36 (zesendertig) uren te verrichten werkstraf resteren;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde het onvoorwaardelijke deel van de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 18 dagen;

verklaart de benadeelde partijen [benadeelde 5] en [benadeelde 6] niet-ontvankelijk in de vordering;

bepaalt dat de benadeelde partijen [benadeelde 5] en [benadeelde 6] en de verdachte ieder de eigen kosten dragen;

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededader(s), om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [benadeelde 1] , te betalen een bedrag van € 1.500,00 (zegge: vijftienhonderd euro) aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 27 juni 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededader(s) van de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde 1] , zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [benadeelde 1] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil aan salaris voor de advocaat en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededader(s) de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 1] te betalen €1.500,00 (zegge: vijftienhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 juni 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (zegge: nul) dagen;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 1] , waaronder begrepen betaling door zijn mededader(s), tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededader(s), om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [benadeelde 2] , te betalen een bedrag van € 1.519,00 (zegge: vijftienhonderdnegentien euro), bestaande uit € 19,00 aan materiële schade en € 1.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 27 juni 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededader(s) van de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde 2] , zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [benadeelde 2] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil aan salaris voor de advocaat en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededader(s) de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 2] te betalen € 1.519,00 (zegge: vijftienhonderdnegentien euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 juni 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (zegge: nul) dagen;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 2] , waaronder begrepen betaling door zijn mededader(s), tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededader(s), om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [benadeelde 4] , te betalen een bedrag van € 2.349,95 (zegge: tweeduizenddriehonderdnegenenveertig euro en vijfennegentig eurocent), bestaande uit € 349,95 aan materiële schade en €2.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 27 juni 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededader(s) van de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde 4] , zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

verklaart de benadeelde partij [benadeelde 4] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [benadeelde 4] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil aan salaris voor de advocaat en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededader(s) de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 4] te betalen € 2.349,95 (zegge: tweeduizenddriehonderd-negenenveertig euro en vijfennegentig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 juni 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (zegge: nul) dagen;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 4] , waaronder begrepen betaling door zijn mededader(s), tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededader(s), om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [benadeelde 3] , te betalen een bedrag van € 2.381,55 (zegge: tweeduizenddriehonderdeenentachtig euro en vijfenvijftig eurocent), bestaande uit €381,55 aan materiële schade en € 2.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 27 juni 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededader(s) van de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde 3] , zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

verklaart de benadeelde partij [benadeelde 3] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [benadeelde 3] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil aan salaris voor de advocaat en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededader(s) de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 3] te betalen € 2.381,55 (zegge: tweeduizenddriehonderd-eenentachtig euro en vijfenvijftig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 juni 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (zegge: nul) dagen;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 3] , waaronder begrepen betaling door zijn mededader(s), tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

gelast de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 60 (zestig) uren subsidiair 30 dagen vervangende jeugddetentie, opgelegd bij vonnis van 19 augustus 2024 van de kinderrechter van deze rechtbank met parketnummer 10-018031-24.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.J. de Veld, voorzitter, tevens kinderrechter,

en mrs. S. Riege en P.A. Ellenbroek, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.N. Arduin, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 oktober 2026.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.
hij op of omstreeks 27 juni 2025 te Rotterdam,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk
brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht, door
-een of meerdere flare(s) (verboden vuurwerp) af te steken bij/ voor en/of in de
richting van de woning (en) aan de [straat] [huisnummer b] , [huisnummer c] , [huisnummer a] , althans in de
dichte nabijheid van/voor de woning(en) te brengen/ plaatsen en aan te steken,
waardoor die/dat stuk(ken) vuurwerk tot ontploffing is/zijn gebracht, terwijl
daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten die woning(en) en/of inboedel/huisraad
en/of inrichting van die woning(en) aan de [straat] [huisnummer b] , [huisnummer c] en [huisnummer a] te
Rotterdam en/of een of meer omliggende woning(en), en/of de inboedel/ inrichting
van die omliggende (woning)en te duchten was en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten
de bewoner(s) van de [straat] [huisnummer b] , [huisnummer c] , [huisnummer a] en/of de bewoner(s) van
omliggende woning(en) te duchten was.

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:

hij op of omstreeks 27 juni 2025 te Rotterdam,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
zeer, in elk geval aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend
-een of meerdere flare (s) (verboden vuurwerk) in de richting van een woonwijk
heeft afgestoken,
waardoor het aan verdachtes schuld te wijten was dat er brand is ontstaan en/of een
ontploffing teweeg is gebracht, terwijl daardoor
-gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten de woning(en) aan de [straat]
[straat] [huisnummer b] , [huisnummer c] en [huisnummer a] en/of die woning(en) en/of inboedel/huisraad en/of
inrichting van die woning(en) aan de [straat] [huisnummer b] , [huisnummer c] en [huisnummer a] te
Rotterdam en/of een of meer omliggende woning(en), en/of de inboedel/ inrichting
van die omliggende (woning)en, ontstond en/of
-levensgevaar en/of gevaar voor lichamelijk letsel voor een ander, te weten de
bewoners van die woning(en) en/of omliggende woning(en), ontstond.

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of
zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 27 juni 2025 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of
meer anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een gebouw, te weten
een of meerdere woning(en), gelegen aan de [straat] [huisnummer b] , [huisnummer c] en [huisnummer a] te
Rotterdam, in elk geval enig goed, dat/ die geheel of ten dele toebehorende aan de
bewoners van bovengenoemde woning(en), in elk geval aan een ander
toebehoorde(n), heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.


2.
hij op of omstreeks 27 juni 2025 te Rotterdam,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
op een besloten erf van [bedrijf] B.V., gelegen aan de [adres 2]
[adres 2] te [plaats] , alwaar verdachte en/of zijn mededader(s) zich buiten weten of
tegen de wil van de rechthebbende bevond(en),
-parachuteflare(s) en/of rookpot(ten) en/of een bijl, in elk geval enig goed, dat/ die
geheel of ten dele aan [bedrijf] BV, in elk geval aan een ander dan aan
verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het
oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het
misdrijf heeft/ hebben verschaft en/of dat/ die weg te nemen goed(eren) onder
zijn/ hun bereik heeft/ hebben gebracht door middel van braak, verbreking,
inklimming.

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:

hij op of omstreeks 27 juni 2025 te Rotterdam,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
-een of meerdere parachuteflare(s) en/of rookpot(ten) en/of een bijl, in elk geval
enig goed, dat/ die geheel of ten dele aan [bedrijf] BV toebehoorde(n),
heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

3.
hij op of omstreeks 27 juni 2025 te Rotterdam, als een ander dan een persoon met
gespecialiseerde kennis, (al dan niet opzettelijk) één of meer professioneel
vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, dat niet is aangewezen
als consumentenvuurwerk, te weten (4) Red Parachite Signal Rocket, althans een of
meerdere flare(s), tot ontbranding heeft gebracht.

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:

hij op of omstreeks 27 juni 2025 te Rotterdam, al dan niet opzettelijk één of meer
professioneel vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, te weten
(4) Red Parachite Signal Rocket, althans een of meerdere flare(s), buiten een
inrichting als bedoeld in artikel 1.1.4, 2.2.1., 3.2.1. of 3A.2.1. van het
Vuurwerkbesluit, voorhanden heeft gehad.