Strafrecht overig
De verdachte heeft een hennepkwekerij in een woning geëxploiteerd. Hij wordt veroordeeld tot een…
Rechtbank Rotterdam, 12 juni 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:7767 · Rechtbank Rotterdam · 12 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbrot-2026-7767
Zaakgegevens
Op 12 juni 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 12 juni 2026
- Datum publicatie
- 1 juli 2026
- Zaaknummer
- 10-144404-21
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:7767
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De verdachte heeft een hennepkwekerij in een woning geëxploiteerd. Hij wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van 240 uur met een proeftijd van 1 jaar, voor het medeplegen van het telen van hennep en de diefstal van elektriciteit. De straf valt lager uit dan de strafeis en straffen die doorgaans in dit soort zaken worden opgelegd. Dat komt door de forse overschrijding van de redelijke termijn.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-144404-21
Datum uitspraak: 12 juni 2026
Datum zitting: 29 mei 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1975 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres [adres 1] [postcode] [woonplaats] .
Advocaat van de verdachte: mr. J.C. Herrewijnen
Officier van justitie: mr. T. van den Bergh
Kern van het vonnis
De verdachte heeft een hennepkwekerij in een woning geëxploiteerd. Hij wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van 240 uur met een proeftijd van 1 jaar, voor het medeplegen van het telen van hennep en de diefstal van elektriciteit. De straf valt lager uit dan de strafeis en straffen die doorgaans in dit soort zaken worden opgelegd. Dat komt door de forse overschrijding van de redelijke termijn.
1 Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij samen met anderen hennep heeft geteeld en elektriciteit heeft gestolen. De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat de verdachte:
1
op een of meer tijdstippen, in of omstreeks de periode van 1 januari 2019 tot 16 juni 2020 te Vlaardingen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd verstrek en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres 2] ), een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, te weten 14,3 kilogram (droge) hennep(toppen) en/of 250 hennepplanten, in elk geval een groot aantal kilo’s / een grote hoeveelheid (droge) hennep(toppen), zijnde een
middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2
in of omstreeks de periode van 1 januari 2019 tot en met 16 juni 2020 te Vlaardingen elektriciteit, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [netbeheerder] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking.
2 Vormverzuim
Standpunt van de verdediging
Er is sprake van een onherstelbaar vormverzuim dat moet leiden tot bewijsuitsluiting of tot strafvermindering. De telefoon van de verdachte is immers zeer grondig onderzocht. Dit betekent een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. Niet de officier van justitie maar de rechter-commissaris had op grond van het Landeck-arrest voorafgaand aan het onderzoek moeten beoordelen of dat onderzoek mocht plaatsvinden, maar dit is niet gebeurd.
Standpunt van de officier van justitie
De telefoon is onderzocht voordat het Landeck-arrest is gewezen. Op het moment dat de telefoon werd onderzocht was niet te voorzien dat een voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris was vereist. Bovendien zou de rechter-commissaris de machtiging gegeven hebben als daar om was gevraagd. Er is geen sprake van een vormverzuim.
Oordeel van de rechtbank
Het Landeck-arrest was ten tijde van het onderzoek aan de telefoon van de verdachte nog niet gewezen. Uit dit arrest volgt – kort samengevat – dat voor een onderzoek aan een telefoon in beginsel voorafgaande toestemming moet worden gegeven door een rechterlijke autoriteit. Omdat in het arrest bestaand recht wordt uitgelegd, is het ook van toepassing op onderzoeken die vóór het wijzen van dit arrest zijn uitgevoerd. Dit betekent dat ook voor het onderhavige onderzoek aan de telefoon van de verdachte voorafgaande toestemming van een rechter-commissaris was vereist. Die toestemming is niet gevraagd en daarom is sprake van onherstelbaar vormverzuim. Het geconstateerde vormverzuim leidt echter niet tot bewijsuitsluiting en evenmin tot strafvermindering. De verdachte werd ten tijde van het onderzoek namelijk verdacht van een ernstig strafbaar feit. Gelet op de aard van het strafbare feit was nader onderzoek nodig om een mogelijk breder crimineel netwerk in kaart te brengen. De rechtbank gaat er daarnaast vanuit dat de rechter-commissaris de toestemming tot het onderzoeken van de telefoon zou hebben gegeven als daarom was verzocht. Daarom volstaat de constatering van het vormverzuim en worden daaraan geen verdere consequenties verbonden.
3 Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor beide feiten.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van beide feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring
Bewezen is dat:
1
hij van 1 januari 2019 tot 16 juni 2020 te Vlaardingen, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt en verkocht in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres 2] ), een grote hoeveelheid van een middel als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, te weten 14,3 kilogram (droge) hennep(toppen) en 250 hennepplanten, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
2
hij van 1 januari 2019 tot en met 16 juni 2020 te Vlaardingen elektriciteit, dat geheel aan [netbeheerder] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft de feiten bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.
Bewijsmiddelen
1. Verklaring van de verdachte
2. Proces-verbaal van de politie
3. Proces-verbaal van de politie
4 Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
Feit 1
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod en medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
Feit 2
diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
5 Straf
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte voor de feiten 1 en 2 moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 2 dagen, met aftrek van voorarrest (2 dagen), en een taakstraf van 240 uur.
Standpunt van de verdediging
Het opleggen van een onvoorwaardelijke straf dient, gelet op de proceshouding van de verdachte en de ruime overschrijding van de redelijke termijn, geen enkel redelijk strafdoel.
Oordeel van de rechtbank
De verdachte heeft hennep geteeld in een door hem gebouwde hennepkwekerij op de zolder van een woning (hierna: de woning). Deze hennepkwekerij heeft de verdachte enkele jaren in gebruik gehad en hij heeft meerdere oogsten kunnen verwerken. Hij heeft anderen daarbij betrokken, zoals zijn halfbroer die de woning (waarvan hij de eigenaar was) initieel aan hem ter beschikking heeft gesteld voor bewoning. Verder heeft hij de elektriciteitsaansluiting in de woning aangepast om elektriciteit af te nemen zonder daarvoor te betalen. Het exploiteren van een hennepkwekerij in een woning brengt grote risico’s voor de gezondheid en veiligheid van personen met zich mee en houdt ook druggerelateerde en ondermijnende criminaliteit in stand. Door een illegale stroomvoorziening aan te leggen, is ook de energieleverancier gedupeerd. Dit brengt bovendien een onaanvaardbaar risico op brand in de woning en ook de daarnaast gelegen woningen met zich mee.
Strafblad
Uit het strafblad van 7 april 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
Persoonlijke omstandigheden
De verdachte heeft zich de afgelopen jaren ingespannen om zijn leven weer op orde te krijgen. Hij heeft werk, een woning en een stabiele thuissituatie. De vordering van [netbeheerder] heeft hij inmiddels volledig voldaan.
Redelijke termijn
De redelijke termijn is met bijna 6 jaar overschreden. Deze overschrijding dient gecompenseerd te worden in de aard en de duur van de op te leggen straf.
Straf
Gelet op de ernst van de feiten zal de rechtbank een taakstraf opleggen. Bij het bepalen van de duur van de taakstraf houdt de rechtbank ook rekening met de oriëntatiepunten voor hennepkwekerijen. Het uitgangspunt bij een kwekerij van 100 tot 500 hennepplanten is een taakstraf van 120 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf 1 maand. De rechtbank neemt dit als vertrekpunt. Zij weegt in het nadeel van de verdachte mee dat hij ook elektriciteit heeft gestolen. In zijn voordeel wordt rekening gehouden met het feit dat de verdachte verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen door zijn aandeel te erkennen en schuldbesef te tonen. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met het forse tijdsverloop tussen de feiten en de berechting en het feit dat de verdachte zijn leven inmiddels op orde lijkt te hebben. Alles afwegend acht de rechtbank een geheel voorwaardelijke taakstaf van 240 uur passend en geboden.
6 Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.
7 Beslissingen
De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 2, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Voorwaardelijke taakstraf
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 240 uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de taakstraf volgens de maatstaf van twee uur per dag, zodat 236 uur taakstraf moet worden verricht;
beveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 168 dagen;
bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 1 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt.
8 Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. N.R. Rietveld, voorzitter,
en mrs. J.C. Oord en C.G. van de Grampel, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J. Soeteman, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 12 juni 2026.
Mr. Rietveld is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.