Bestuursrecht overig
Rechtbank Zeeland-West-Brabant · Eerste aanleg - enkelvoudig · Bestuursrecht overig
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 26 mei 2020
ECLI:NL:RBZWB:2020:2338 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 26 mei 2020
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-zeeland-west-brabant/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbzwb-2020-2338
Zaakgegevens
Op 26 mei 2020 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 26 mei 2020
- Datum publicatie
- 28 mei 2020
- Zaaknummer
- AWB- 18_6105 PKV
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2020:2338
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
ZW
PKV-uitspraak
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 18/6105 ZW
uitspraak van 26 mei 2020 van de enkelvoudige kamer op het verzoek om veroordeling in de proceskosten in de zaak tussen
[naam vezoekster] , te [plaatsnaam] , verzoekster,
gemachtigde: mr. M.H.G. in de Braekt,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Breda), verweerder.
Procesverloop
Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV van 31 juli 2018 (het bestreden besluit) over haar aanspraak op een uitkering op grond van de Ziektewet.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 13 december 2018.
Bij tussenuitspraak van 22 januari 2019 is het UWV in de gelegenheid gesteld om het motiveringsgebrek in het bestreden besluit te herstellen.
Bij brief van 21 maart 2019 heeft het UWV een aanvullende medische rapportage overgelegd.
Verzoekster heeft op 24 april 2019 een reactie met bijlagen ingediend.
Bij brief van 8 juli 2019 heeft het UWV een aanvullende medische rapportage overgelegd.
Verzoekster heeft op 25 oktober 2019 een reactie ingediend.
De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.
Bij beslissing van 15 november 2019 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en bepaald dat de verzekeringsarts bezwaar & beroep als deskundige zal worden gehoord op een zitting.
Bij besluit van 5 maart 2020 heeft het UWV het bestreden besluit ingetrokken, het primaire besluit herroepen, en bepaald dat verzoekster haar aanspraak op een uitkering op grond van de Ziektewet behoudt tot de maximale uitkeringstermijn.
Verzoekster heeft het beroep ingetrokken met het verzoek om het UWV te veroordelen in de door haar gemaakte proceskosten. Het UWV heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om hierop te reageren.
De rechtbank heeft, met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), een behandeling van het verzoek ter zitting achterwege gelaten.
Overwegingen
1. Op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank, indien het beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan veroordelen in de proceskosten.
2. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het besluit van 5 maart 2020 dat het UWV aan verzoekster is tegemoetgekomen. Hierin ziet de rechtbank dan ook aanleiding om het UWV te veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten.
3. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.575,- (bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift, een punt voor het verschijnen ter zitting, en tweemaal een half punt voor het indienen van repliek, met een waarde per punt van € 525,- en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1).
4. De rechtbank overweegt ten overvloede dat verweerder op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb het griffierecht van € 46,- aan verzoekster dient te vergoeden, zodat een veroordeling daartoe niet nodig is.
Beslissing
De rechtbank veroordeelt het UWV in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 1.575,- (vijftienhonderdvijfenzeventig euro).
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E.M. Marsé, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
|
De griffier is verhinderd om deze uitspraak mede te ondertekenen. |
rechter |
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank.