Bestuursrecht overig

Rechtbank Zeeland-West-Brabant · Eerste aanleg - enkelvoudig · Bestuursrecht overig

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 3 juni 2020

Zaakgegevens

Op 3 juni 2020 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
3 juni 2020
Datum publicatie
8 juni 2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 2301
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2020:2429
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

PW

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/2301 PW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juni 2020 in de zaak tussen

[naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser

gemachtigde: mr. J.L.A.M. van Os,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 13 november 2018 (primaire besluit) heeft het college eisers recht op bijstand op grond van de Participatiewet ingetrokken en de teveel aan eiser verstrekte bijstand teruggevorderd.

In het besluit van 7 februari 2019 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Met toepassing van 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven.

Overwegingen

1. Eiser ontvangt sinds januari 2012 een uitkering op grond van de Participatiewet volgens de norm van alleenstaande.

2. In het primaire besluit heeft het college het recht op bijstand van eiser ingetrokken en het teveel verstrekte bedrag teruggevorderd.

Bij het bestreden besluit heeft het college op grond van artikel 6:5, aanhef en onder d, van de Awb en op grond van artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden van bezwaar.

3. Eiser heeft in zijn beroepschrift verwezen naar zijn bezwaarschrift en verzocht die gronden als herhaald en ingelast te beschouwen. Hij heeft geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd tegen het bestreden besluit.

Op grond van artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb kan de bestuursrechter het onderzoek sluiten, indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat het beroep kennelijk ongegrond is.

4. De rechtbank overweegt dat in beroep wel gronden zijn aangevoerd, maar die gronden zijn niet gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar. Daarom zal het beroep kennelijk ongegrond worden verklaard.

5. Er is geen reden een proceskostenveroordeling uit te spreken.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H.J.G. Römers, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Azmi, griffier op 3 juni 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank.