Bestuursrecht overig

Rechtbank Zeeland-West-Brabant · Eerste aanleg - enkelvoudig · Bestuursrecht overig

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 15 september 2023

Zaakgegevens

Op 15 september 2023 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Middelburg
Datum uitspraak
15 september 2023
Datum publicatie
19 september 2023
Zaaknummer
AWB- 22_5890
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2023:6587
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

WIB

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 22/5890


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 september 2023 in de zaak tussen


[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. F.A. van den Berg),

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder,

(gemachtigde: mr. G.J.M. Naber).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor gedeeltelijke vrijstelling van de inburgeringsplicht.

1.1.

De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 22 augustus 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 10 november 2022 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

1.2.

De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

1.3.

De rechtbank heeft het beroep op 4 augustus 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, vergezeld door haar echtgenoot [naam] , de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister. De gemachtigde van verweerder nam digitaal deel aan de zitting.

Totstandkoming van het besluit

2. Eiseres heeft op 20 juni 2022 een aanvraagformulier ‘Vrijstelling van de inburgeringsplicht’ bij de minister ingediend. Daarbij heeft zij ook een aanvraag ingediend voor vrijstelling Oriëntatie op de Nederlandse Arbeidsmarkt (ONA) – zelfstandig ondernemer.

3. Bij besluit van 22 augustus 2022 heeft de minister eiseres kenbaar gemaakt dat zij niet inburgeringsplichtig is en dat zij daarom ook geen vrijstelling van de inburgeringsplicht kan krijgen. De aanvraag voor vrijstelling voor het examenonderdeel ONA is bij besluit van 24 augustus 2022 toegewezen. De minister heeft daaraan ten grondslag gelegd dat eiseres heeft laten zien dat zij als zelfstandig ondernemer werkt op de Nederlandse arbeidsmarkt.

4. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 22 augustus 2022. Eiseres bevestigt dat zij niet inburgeringsplichtig is, maar dat zij wil naturaliseren en dat zij daarvoor een naturalisatietoets zal moeten doen die gelijk is aan het inburgeringsexamen. Zij meent in aanmerking te komen voor vrijstelling, omdat zij beschikt over taalcertificaten uit België. Eiseres heeft in haar bezwaar gesteld dat de minister haar aanvraag ten onrechte in behandeling heeft genomen als een aanvraag voor vrijstelling van de inburgeringsplicht.

5. Bij het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard. De minister heeft het primaire besluit in stand gelaten. De minister heeft daaraan ten grondslag gelegd dat de Belgische certificaten van NT2-examens niet kunnen worden gelijkgesteld aan onderdelen van het Nederlandse NT2-staatsexamen.

Beoordeling door de rechtbank

6. De rechtbank beoordeelt of de minister de aanvraag van eiseres terecht heeft afgewezen. In dat kader ligt aan de rechtbank voor of de minister de aanvraag van eiseres terecht in behandeling heeft genomen als aanvraag voor gedeeltelijke vrijstelling van de inburgeringsplicht. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.

7. Partijen zijn het erover eens dat eiseres niet inburgeringsplichtig is. Eiseres is het echter niet eens met de opvatting van de minister dat hij alleen bevoegd zou zijn om eiseres vrij te stellen van de inburgeringsplicht en niet voor wat betreft de naturalisatieplicht.

Eiseres voert aan dat zij getrouwd is met een Nederlandse man en daarmee gezinslid is van een EUonderdaan. Om te kunnen naturaliseren dient zij een naturalisatietoets af te leggen. Voor een vrijstelling van de naturalisatietoets gelden volgens eiseres dezelfde regels als voor een vrijstelling van het inburgeringsexamen.

8. Vast staat dat eiseres haar aanvraag heeft ingediend door middel van het aanvraagformulier ‘Vrijstelling van de inburgeringsplicht’. De rechtbank stelt vast dat bovenaan het formulier cursief en vetgedrukt is vermeld: “Gebruik dit formulier alleen als u inburgeringsplichtig bent geworden op of na 1 januari 2022.”.

9. De minister heeft in zijn verweerschrift terecht vermeld dat voor verzoeken om vrijstelling de naturalisatietoets andere wetgeving geldt. Voor wat betreft de inburgering zijn regels gesteld in de Wet inburgering, het Besluit inburgering en de Regeling inburgering. De regels voor naturalisatie en de naturalisatietoets zijn neergelegd in de Rijkswet op het Nederlanderschap, het Besluit naturalisatietoets en de Regeling naturalisatietoets. Op grond van de Wet inburgering is de minister het bevoegde bestuursorgaan om te beslissen op verzoeken voor vrijstelling van de inburgeringsplicht. In het Besluit naturalisatietoets is bepaald dat de minister van Justitie en Veiligheid de bevoegde minister is met betrekking tot de naturalisatietoets.

Op grond van artikel 2:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is de minister verplicht om geschriften, tot behandeling waarvan kennelijk een ander bestuursorgaan bevoegd is, onverwijld door te sturen naar dat bevoegde bestuursorgaan. Eiseres heeft haar aanvraag ingediend met het aanvraagformulier ‘Vrijstelling van de inburgeringsplicht’. Op het aanvraagformulier heeft eiseres niet vermeld dat zij heeft bedoeld om (gedeeltelijke) vrijstelling van de naturalisatietoets aan te vragen. Het kon de minister dan ook niet duidelijk zijn dat eiseres heeft bedoeld vrijstelling van de naturalisatietoets aan te vragen en dat de minister van Justitie en Veiligheid het bevoegde bestuursorgaan was om de aanvraag in behandeling te nemen. De minister heeft de aanvraag dan ook niet hoeven doorsturen naar de minister van Justitie en Veiligheid.

10. De minister heeft de aanvraag van eiseres terecht in behandeling genomen als een aanvraag voor (gedeeltelijke) vrijstelling van de inburgeringsplicht en heeft de aanvraag terecht afgewezen, omdat de inburgeringsplicht niet op eiseres van toepassing is.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond.

12. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.F. van Ginneken, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 september 2023.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.