Bestuursrecht overig
Proces-verbaal van een mondelinge uitspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 30 april 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:4058 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 30 april 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-zeeland-west-brabant/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbzwb-2026-4058
Zaakgegevens
Op 30 april 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Breda
- Datum uitspraak
- 30 april 2026
- Datum publicatie
- 13 mei 2026
- Zaaknummer
- 25/5771
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2026:4058
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Proces-verbaal van een mondelinge uitspraak
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/5771
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 april 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
en
de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, het CBR.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het besluit van 30 oktober 2025 (bestreden besluit) waarbij het CBR het bezwaar van eiseres ongegrond heeft verklaard.
De rechtbank heeft het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit op 30 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: [gemachtigde] namens het CBR. Eiseres is zonder bericht niet op de zitting verschenen.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de rechtbank
2. Op grond van artikel 8:41, eerste lid, van de Awb wordt van de indiener van het beroepschrift een griffierecht geheven. Uit het zesde lid volgt dat het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard indien het bedrag niet tijdig is bijgeschreven of gestort op de rekening van de rechtbank, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat eiseres in verzuim is geweest.
3. Bij brieven van 13 november 2025 en 12 december 2025 is aan eiseres een nota toegestuurd voor het griffierecht. Bij brief van 19 december 2025 is aan eiseres gevraagd om het beroep op betalingsonmacht binnen twee weken te onderbouwen, omdat het beroep op betalingsonmacht anders wordt afgewezen. Met het e-mailbericht van 22 april 2026 is aan eiseres gevraagd om het griffierecht uiterlijk voor de zitting te voldoen en daar op zitting een betalingsbewijs van te overhandigen. Eiseres is niet ter zitting verschenen en heeft geen betalingsbewijs overhandigd.
4. De rechtbank stelt vast dat het griffierecht niet is betaald en dat niet is gebleken van enige omstandigheid op grond waarvan redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat eiseres niet in verzuim is geweest. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.
5. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
6. Het CBR is gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 april 2026 door mr. K. de Weijze, rechter, in aanwezigheid van mr. N. van Asten, griffier.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.