Bestuursrecht overig

Rechtbank Zeeland-West-Brabant · Eerste aanleg - enkelvoudig · Bestuursrecht overig

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 28 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 28 augustus 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Breda
Datum uitspraak
28 augustus 2026
Datum publicatie
26 augustus 2026
Zaaknummer
BRE 25/6378
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:8184
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

NTB, niet-ontvankelijk

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 25/6378


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 augustus 2026 in de zaak tussen


[eiseres] B.V., uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. C.M.M. van Mil),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat de staatssecretaris volgens haar niet op tijd heeft beslist op de aanvraag van 28 maart 2025.

1.1.

Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.

Is het beroep ontvankelijk en gegrond?

3. De rechtbank stelt vast dat de staatssecretaris na het instellen van het beroep op 10 december 2025 alsnog een besluit heeft genomen. Eiseres kan zich niet in dit besluit vinden, en heeft het beroep niet ingetrokken. In haar reactie op het reëele besluit heeft zij aangegeven tijdig bezwaar te zullen gaan maken. Gelet op de (vermoedelijk) aanhangige bezwaarprocedure bij de staatssecretaris, ziet de rechtbank in de voorliggende beroepsprocedure geen procesbelang meer voor eiseres.

3.1.

Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Omdat eiseres het beroep niet ten onrechte heeft ingesteld moet de staatssecretaris het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding voor haar proceskosten. De staatssecretaris moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

  • bepaalt dat de staatssecretaris het griffierecht van € 385,- aan eiseres moet vergoeden;

  • veroordeelt de staatssecretaris tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van drs. A. Lemaire, griffier, op 28 augustus 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.