Bestuursrecht overig

Rechtbank Zeeland-West-Brabant · Eerste aanleg - enkelvoudig · Bestuursrecht overig

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 11 september 2026

Zaakgegevens

Op 11 september 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Breda
Datum uitspraak
11 september 2026
Datum publicatie
11 september 2026
Zaaknummer
BRE 26/2811
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:8821
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

NTB

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 26/2811


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 september 2026 in de zaak tussen


[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ),

en

Dienst Toeslagen, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op het bezwaar van 16 februari 2026 tegen het besluit over aanvullende compensatie voor de werkelijke schade van

30 oktober 2025 op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).

1.1.

Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.

Is het beroep ontvankelijk?

3. Als de betrokkene de ingebrekestelling te vroeg stuurt, is het beroep niet-ontvankelijk. Dit betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk kan beoordelen.

3.1.

Eiseres heeft het bezwaarschrift ingediend op 16 februari 2026 en het is op dezelfde datum door verweerder ontvangen. In dit geval geldt de volgende beslistermijn. Verweerder moet binnen zes weken beslissen, gerekend vanaf zes weken na de dag van verzending van het besluit. Omdat het bezwaarschrift na deze zes weken is ontvangen, dient de beslistermijn berekend te worden vanaf de dag nadat het bezwaarschrift is ontvangen. Verweerder heeft de beslistermijn verlengd met zes weken. In dit geval eindigde de beslistermijn op 11 mei 2026. Eiseres heeft verweerder op 23 april 2026 in gebreke gesteld. Op dat moment was de beslistermijn nog niet verstreken.

3.2.

Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet kan beoordelen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van

I. Ambachtsheer, griffier, op 11 september 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb. Dit staat in artikel 7:10 van de Awb, en in geval van besluiten op of na 14 december 2024 in artikel 6:10aa van de Wet hersteloperatie toeslagen, en artikel 7:13 van de Awb. Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2136, r.o. 17.2.