Civiel recht overig
geschil over omvang en verdeling nalatenschap
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 25 februari 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:1226 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 25 februari 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-zeeland-west-brabant/civiel-recht/civiel-recht-overig/bodemzaak/ecli-nl-rbzwb-2026-1226
Zaakgegevens
Op 25 februari 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Breda
- Datum uitspraak
- 25 februari 2026
- Datum publicatie
- 25 februari 2026
- Zaaknummer
- 433315 / HA ZA 25-161 (E)
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- BodemzaakBodemzaakDe gewone procedure waarin de rechter definitief over het geschil beslist, in tegenstelling tot een kort geding of voorlopige voorziening.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. C.G.A Mattheussens, mr. A.J.W. Vugs
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2026:1226
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
geschil over omvang en verdeling nalatenschap
Uitspraak
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/433315 / HA ZA 25-161
Vonnis van 25 februari 2026
in de zaak van
1 [eiser 1],
wonende te [plaats 1],
2. [eiser 2],
wonende te [plaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eisers],
advocaat: mr. C.G.A. Mattheussens,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [plaats 1],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. A.J.W. Vugs.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 10 september 2025,
- de akte indiening producties 8 tot en met 10 van [gedaagde],
- producties 11 en 12 van [eisers],
- akte wijziging van eis,
- nadere conclusie van antwoord na wijziging van eis, tevens akte indiening producties 11
tot en met 13 van [gedaagde],
- akte nadere wijziging van eis,
- de mondelinge behandeling van 12 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen
zijn gemaakt.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 Waar gaat de procedure over
Partijen zijn broers van elkaar en de enige erfgenamen van hun vader, overleden op [datum]
2022. Tussen partijen bestaat een verschil van inzicht over de omvang en de verdeling van
de nalatenschap van vader (hierna ook erflater).
3. Het geschil
[eisers] vorderen na wijziging van eis, samengevat, [gedaagde] te veroordelen:
I. tot betaling van primair € 137.266,86 aan de nalatenschap van erflater dan wel
subsidiair € 43.088,86 aan ieder van hen afzonderlijk, vermeerderd met wettelijke rente,
II. voorwaardelijk, te weten als [gedaagde] niet kan bewijzen dat hij het bedrag van
€ 300.000,00 heeft betaald, tot betaling van € 300.000,00 aan de nalatenschap van erflater, vermeerderd met wettelijke rente,
III. tot het verlenen van medewerking, op straffe van verbeurte van een dwangsom, aan:
- de verdeling van de saldi van de betaal- en spaarrekeningen van erflater,
- de verkoop van het perceel grond aan de [straat], in [plaats 2],
IV. tot betaling van de kosten van deze procedure.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eisers], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure, vermeerderd met wettelijke rente.
Op de stellingen van partijen wordt hierna bij de beoordeling, voor zover nodig, nader ingegaan.
4 De beoordeling
vordering tot vergoeding aan c.q. inbreng in de nalatenschap van € 137.266,86
Ter zitting is tussen partijen niet langer in geschil dat in de periode oktober 2020 tot juli 2021 een bedrag van in totaal (afgerond) € 129.000,00 van de Rabobank-rekening van erflater is overgemaakt naar de zakelijke ING-rekening van [gedaagde]. [eisers] stellen primair dat [gedaagde] dit bedrag moet vergoeden aan de nalatenschap dan wel moet inbrengen in de nalatenschap van vader, omdat [gedaagde] dit bedrag – zo stellen zij – op onrechtmatige wijze aan het vermogen van vader heeft onttrokken dan wel door vader geschonken heeft gekregen. [eisers] stellen dat zij als erfgenamen van vader worden benadeeld als het bedrag niet terugvloeit in het vermogen c.q. de nalatenschap van vader. Subsidiair stellen [eisers] dat [gedaagde] aan ieder van hen hun aandeel (1/3) in het bedrag moet betalen.
[gedaagde] betwist dat hij het bedrag van € 129.000,00 is verschuldigd. [gedaagde] stelt dat hij samen met zijn echtgenote en zijn vader een boerenbedrijf in de vorm van een vennootschap onder firma heeft uitgeoefend ([bedrijf]). In 2020 heeft hij samen met zijn echtgenote het aandeel van vader in het bedrijf overgenomen en het bedrijf voortgezet. Vader heeft bij het uittreden uit het bedrijf de pinpas van de zakelijke ING-rekening van het bedrijf behouden. Van die rekening heeft vader zelf of zijn ten behoeve van hem – onder meer – kosten van levensonderhoud betaald, waaronder kosten van medische zorg en autokosten. Als vader van zijn Rabobank-rekening bedragen naar de zakelijke ING-rekening heeft teruggestort c.q. overgemaakt, dan is dat zijn eigen keuze geweest. Vader was tot aan zijn overlijden wilsbekwaam en beheerde zelf zijn financiën, zo stelt [gedaagde].
Vaststaat dat de bedragen bij leven van erflater zijn overgemaakt. De rechtbank stelt voorop dat erflater zelf mocht bepalen waaraan hij zijn geld wilde uitgeven. Niet weersproken is dat erflater tot aan zijn overlijden wilsbekwaam was en dat hij zijn eigen financiën beheerde. Bij dagvaarding is een verklaring van erflater overgelegd van 1 mei 2022, waaruit kan worden afgeleid dat erflater bewust bedragen heeft overgemaakt naar [gedaagde] om schulden te voldoen. Gelet hierop en op wat [gedaagde] als verweer heeft gevoerd, konden [eisers] niet volstaan met enkel handhaving van hun stelling dat [gedaagde] zich gelden van erflater op onrechtmatige wijze heeft toegeëigend dan wel dat vader de betaalde bedragen aan [gedaagde] heeft geschonken. Deze stelling is niet meer dan een blote stelling die op geen enkele wijze wordt onderbouwd. De rechtbank verwerpt daarom deze stelling. Dit brengt met zich dat de primaire vordering tot vergoeding c.q. betaling van het gevorderde bedrag wordt afgewezen door het ontbreken van een juridische grondslag. De subsidiaire vordering deelt hetzelfde lot.
voorwaardelijke vordering tot betaling van € 300.000,00
De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] door het overleggen van stukken (nota van afrekening en kopie overschrijving) heeft aangetoond dat hij de overnamesom voor het aandeel van erflater in het boerenbedrijf aan erflater heeft betaald bij de notariële levering van de (on)roerende zaken van het bedrijf. Dit brengt met zich dat de voorwaarde voor het instellen van de vordering tot betaling van € 300.000,00 aan de nalatenschap van erflater niet in vervulling is gegaan. Deze vordering heeft daarom te gelden als zijnde niet ingesteld en kan daarom onbesproken blijven.
vordering tot het verlenen van medewerking aan de verdeling van de saldi op de betaal- en spaarrekeningen van erflater
Ter zitting is erkend dat het saldo van de inmiddels opgeheven Rabobank-rekening
van erflater onder partijen is verdeeld. In het dossier bevinden zich geen aanknopingspunten
om aan te kunnen nemen dat erflater – zoals [eisers] vermoeden – nog meer
bankrekeningen had met een saldo dat tot de nalatenschap van erflater behoort. De
vordering tot medewerking aan de verdeling van saldi op bankrekeningen wordt daarom
door het ontbreken van een juridische grondslag afgewezen.
vordering tot het verlenen van medewerking aan de verkoop van het perceel grond aan de [straat]
Bij conclusie van antwoord en ter zitting heeft [gedaagde] toegezegd dat hij bereid is zijn medewerking te verlenen aan de verkoop van het perceel grond aan de [straat] in [plaats 2]. [gedaagde] stelt dat hij dat al meerdere keren aan zijn broers te kennen heeft gegeven. Niet weersproken is dat het verlenen van medewerking aan de verkoop door [gedaagde] tussen partijen nooit ter discussie heeft gestaan. De vordering tot het verlenen van medewerking wordt daarom door het ontbreken van enig belang bij toewijzing daarvan, afgewezen.
proceskosten
De rechtbank ziet in de uitkomst van het geschil aanleiding om in afwijking van wat gebruikelijk is in familiezaken de proceskosten tussen partijen niet te compenseren, maar [eisers] als de geheel in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de proceskosten. Er is geen juridische grondslag voor de vorderingen van [eisers] dan wel ontbreekt enig belang bij toewijzing daarvan.
De proceskosten (inclusief nakosten) van [gedaagde] worden begroot op:
|
- griffierecht |
€ |
2.723,00 |
|
|
- salaris advocaat |
€ |
11.169,00 |
(3 punten × € 3.723,00) |
|
- nakosten |
€ |
189,00 |
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
14.081,00 |
De gevorderde wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten wordt als niet weersproken toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
De gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring wordt als niet weersproken toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5 De beslissing
De rechtbank
wijst de vorderingen van eisende partij af,
veroordeelt eisende partij in de proceskosten van € 14.081,00 van gedaagde partij, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als eisende partij niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt eisende partij tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door Sterk en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026.