Goederenrecht
Vervroegde onteigening; voorwaardelijk KB geldige titel na herstelbesluit bestemmingsplan; deel voorschot aan…
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 6 april 2022
ECLI:NL:RBZWB:2022:8493 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 6 april 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-zeeland-west-brabant/civiel-recht/goederenrecht/bodemzaak/ecli-nl-rbzwb-2022-8493
Zaakgegevens
Op 6 april 2022 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over goederenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Middelburg
- Datum uitspraak
- 6 april 2022
- Datum publicatie
- 14 april 2023
- Zaaknummer
- C/02/385462 / HA ZA 21-267
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Goederenrecht
- Procedure
- BodemzaakBodemzaakDe gewone procedure waarin de rechter definitief over het geschil beslist, in tegenstelling tot een kort geding of voorlopige voorziening.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2022:8493
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vervroegde onteigening; voorwaardelijk KB geldige titel na herstelbesluit bestemmingsplan; deel voorschot aan hypotheekhouder.
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Cluster II Handelszaken
Middelburg
zaaknummer / rolnummer: C/02/385462 / HA ZA 21-267
Vonnis van 6 april 2022
in de zaak van
de publiekrechtelijke rechtspersoon
DE PROVINCIE NOORD-BRABANT,
zetelend te 's-Hertogenbosch,
eiseres,
advocaat mr. H.P. Wiersema te 's-Hertogenbosch,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
gedaagde,
advocaat mr. G.J.I.M. Seelen te Leiden
en
de coöperatie COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,
statutair gevestigd te Amsterdam, mede kantoorhoudende te Tilburg,
tussengekomen partij,
advocaat mr. D.S. van Lith te Utrecht.
Partijen zullen hierna de provincie, [gedaagde] (in mannelijk enkelvoud) en de Rabobank worden genoemd.
1 De procedure
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
-
de rolbeslissing van 19 januari 2022
-
de akte van de provincie.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
[gedaagde] is eigenaar van de percelen, kadastraal bekend gemeente Gilze en Rijen , [sectie] , nummers [perceelnummer 1] , [perceelnummer 2] en [perceelnummer 3] , groot respectievelijk 8.005 m², 9.352 m² en
1.488 m² (hierna: de percelen).
De heer [naam 1] oefent (middels [gedaagde] B.V. , enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 1] B.V. ) op de percelen een full service truckparking uit. Deze bestaat onder andere uit [bedrijf 1] , gelegen aan de [perceel 1] . Dit wegrestaurant wordt door [gedaagde] geëxploiteerd. Ten zuiden van het restaurant bevindt zich de bedrijfswoning, gelegen aan de [perceel 2] . Aan de zuidzijde van het wegrestaurant en aan de zuidwestzijde van de woning bevindt zich op gronden van [gedaagde] een verzorgingsplaats, met een parkeerplaats van ongeveer 16.000 m², met daarop een onbemand brandstofverkooppunt. Het wegrestaurant is primair gericht op de vrachtwagenchauffeurs die gebruik maken van de verzorgingsplaats.
Bij besluit van 20 februari 2017 heeft de raad van de gemeente Gilze en Rijen (hierna: de raad) het bestemmingsplan “N282” vastgesteld. Dit plan voorziet in een juridisch-planologische regeling voor verbreding van de Rijksweg (N282) tussen Breda en Tilburg.
In de huidige situatie ligt de Rijksweg (N282) voor het wegrestaurant en ten noorden van de woning aan [perceel 2] . In de plansituatie komt de Rijksweg (N282) achter het wegrestaurant en de bedrijfswoning en doorsnijdt de weg het parkeerterrein met tankgelegenheid.
Aan het deel van de gronden waarop de weg is voorzien is de bestemming “Verkeer” toegekend. Aan het overige gedeelte van het huidige parkeerterrein dat door het plan verloren gaat is de bestemming “Maatschappelijk-Militaire Vliegbasis 2” toegekend. Die gronden worden daardoor bij vliegbasis Gilze-Rijen betrokken.
[gedaagde] heeft beroep ingesteld tegen voornoemd besluit bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling).
Bij tussenuitspraak van 15 mei 2019 heeft de Afdeling ten aanzien van dit beroep van [gedaagde] onder meer het volgende overwogen:
“32.3 (…) Niet is gebleken dat de raad de belangen van [gedaagde] B.V. en (…) integraal heeft afgewogen bij zijn keuze voor de plek en uitvoering van het nieuwe weggedeelte. In het akoestisch onderzoek bij het plan is weliswaar gekeken naar maatregelen die kunnen worden genomen om de geluidsbelasting ter plaatse van de betrokken woningen te reduceren, maar de Afdeling mist een deugdelijke afweging van alle bij het besluit betrokken belangen waaronder de gevolgen van het plan voor de exploitatie van het wegrestaurant. Daar komt bij dat de raad zijn standpunt dat het nieuwe weggedeelte niet op een andere plek kan worden gerealiseerd, onvoldoende heeft gemotiveerd. Het enkel stellen dat enige afstand van het nieuwe weggedeelte tot de vliegbasis en het parkeerterrein van Defensie nodig is, is daarvoor onvoldoende. Gelet op het voorgaande heeft de raad onvoldoende gemotiveerd dat het bestreden besluit strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het betoog slaagt.
(…)
33. Het bestreden besluit is voor de situatie van [gedaagde] B.V. en (…) genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb. De Afdeling zal de raad op grond van artikel 8:51d van de Awb opdragen om dit geconstateerde gebrek binnen een bepaalde termijn te herstellen. (…)”.
Bij besluit van 11 november 2019 (hierna: het herstelbesluit) heeft de raad het bestemmingplan “N282” opnieuw integraal en deels gewijzigd vastgesteld. Daarbij is besloten, voor zover hier van belang:
“1. De verbeelding van het bestemmingsplan “N282” zodanig te wijzigen dat:
a. (…)
b. de gronden die zijn gelegen aan de Rijksweg 25, Hulten, voor zover die nog geen deel uitmaakten van het op 20 februari 2017 vastgestelde bestemmingplan “N282”, deel gaan uitmaken van het plangebied en worden bestemd als:
-
Wonen – 1(enkelbestemming), voor zover het betreft de gronden met daarop een feitelijk aanwezige woning en de gronden die feitelijk zijn ingericht als erf bij die woning;
-
Groen (enkelbestemming), voor zover het betreft de overige gronden;
(…)
2. de regels van het bestemmingsplan “N282”zodanig te wijzigen dat:
(…)
3. aan de toelichting op het bestemmingsplan “N282” toe te voegen het document “Aanvulling op de toelichting van het bestemmingsplan “N282” in het kader van de bestuurlijke lus” d.d. 22 oktober 2019, met inbegrip van de daarbij behorende bijlagen:
(…).”
Bij Koninklijk Besluit van 20 januari 2020, nr. 2020000094, gepubliceerd in de Nederlandse Staatscourant van 24 februari 2020 met nr. 7174 (hierna: het KB), is goedgevonden en verstaan dat voor de uitvoering van het bestemmingsplan “N282” ten name van de provincie worden onteigend de in dat KB ter onteigening aangewezen onroerende zaken, aangeduid op de grondplantekeningen zoals die ter inzage hebben gelegen.
Dit onder de voorwaarden “dat niet zal worden overgegaan tot dagvaarding als bedoeld in artikel 18 van de Onteigeningswet, vóórdat het bestemmingsplan onherroepelijk zal zijn met betrekking tot de in het onteigeningsplan begrepen onroerende zaken en dat dit aanwijzingsbesluit vervalt, indien het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan met betrekking tot die onroerende zaken in beroep zal worden vernietigd.”
In voormeld KB zijn onder meer de volgende aan [gedaagde] in eigendom toebehorende onroerende zaken aangewezen:
- ( [grondplannummer 1] ) het gehele perceel, kadastraal bekend gemeente Gilze en Rijen, [sectie] , [perceelnummer 1] , terrein, (natuur), ter grootte van 8.005 m²,
- ( [grondplannummer 2] ) een deel van perceel, kadastraal bekend gemeente Gilze en Rijen, [sectie] , [perceelnummer 2] , parkeren, te onteigenen grootte 7.419 m² van totaal 9.352 m².
Bij einduitspraak van 4 november 2020 heeft de Afdeling onder meer het volgende overwogen:
“Het herstelbesluit van 11 november 2019
2. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de raad het plan “N282” in het herstelbesluit van 11 november 2019 opnieuw, gewijzigd vastgesteld. (…) Ook is de horecabestemming op de percelen [perceel 2] en [perceel 1] gewijzigd naar een woon- en groenbestemming. Daarnaast heeft de raad aan de hand van de meest recente akoestische gegevens uit het dossier een motivering gegeven waarom het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Die motivering is neergelegd in de “Aanvulling op de toelichting van het bestemmingsplan N282” (…) dat als bijlage 4 bij het herstelbesluit is gevoegd.
Artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) luidt:
“Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben”.
Op grond van deze bepaling zijn de beroepen van (…), [gedaagde] B.V. en (…) van rechtswege gericht tegen het herstelbesluit.
(…)
Belangenafweging/goede ruimtelijke ordening
5. Onder 32.2 van de tussenuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat niet is gebleken dat de raad de belangen van [gedaagde] B.V. en (…) integraal heeft afgewogen bij zijn keuze voor de plek en uitvoering van het nieuwe weggedeelte. Ook heeft de raad zijn standpunt dat het nieuwe weggedeelte niet op een andere plek kan worden gerealiseerd, onvoldoende gemotiveerd. De Afdeling heeft de raad opgedragen alsnog toereikend te motiveren dat het plan, gelet op alle betrokken belangen, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.
(…)
Motivering keuze plek en uitvoering van het nieuwe weggedeelte
(…)
In paragraaf (…) van de aanvullende toelichting is gemotiveerd waarom het nieuwe weggedeelte niet anders kan worden gerealiseerd. (…)
Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad met deze toelichting zijn standpunt dat het nieuwe weggedeelte niet op een andere plek kan worden gerealiseerd, voldoende gemotiveerd.
(…)
Gelet hierop heeft de raad het gebrek in de motivering over de ligging van het tracé hersteld.
De betogen slagen niet.
Bedrijfsbelangen en woon- en leefklimaat
Alles bij elkaar heeft de raad het gebrek dat de Afdeling in de tussenuitspraak constateerde, namelijk dat de belangen van [gedaagde] B.V. en (…) niet integraal zijn afgewogen bij de keuze voor de plek en uitvoering van het nieuwe weggedeelte, hersteld.
De betogen die van [gedaagde] B.V. en (…) hebben ingebracht tegen de herstelpoging van de raad slagen daarom niet.
Woon- en groenbestemming
Wat de toegekende woon- en groenbestemming betreft, overweegt de Afdeling dat er geen aanleiding is voor het oordeel dat de raad zijn keuze voor die bestemmingen onvoldoende heeft gemotiveerd. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat in paragraaf 3.2.2.8 van de aanvullende toelichting is beschreven dat de horecabestemming als gevolg van het plan niet langer uitvoerbaar is en dat de raad heeft gezocht naar een passende bestemming die wel uitvoerbaar is.
(…)
Conclusie belangenafweging/goede ruimtelijke ordening
De Afdeling overweegt dat, zoals volgt uit het voorgaande, de raad met het herstelbesluit heeft laten zien dat hij bij zijn keuze voor de plek en uitvoering van het nieuwe weggedeelte een integrale belangenafweging heeft gemaakt. Daarin is onder meer betrokken dat het plan tot gevolg heeft dat [gedaagde] B.V. zijn horecabedrijf niet meer kan uitoefenen en dat het woon- en leefklimaat bij de woningen van [gedaagde] B.V. en (…) verandert. Gelet op de algemene belangen die gediend zijn met de aanleg van de weg, en het in artikel 2.6.4 van het Barro vastgelegde algemene nationale belang dat de functionele bruikbaarheid van de militaire vliegbasis niet mag worden belemmerd, heeft de raad bij de vaststelling van het plan in redelijkheid een zwaarder gewicht kunnen toekennen aan die algemene belangen dan aan de individuele belangen van [gedaagde] B.V. en (…). De Afdeling is dan ook van oordeel dat de raad, gelet op alle betrokken belangen, toereikend heeft gemotiveerd dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.
(…)
Conclusie herstelbesluit van 11 november 2019
7. De conclusie is dat de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken in het besluit van 20 februari 2017 met het herstelbesluit van 11 november 2019 zijn hersteld. De beroepen van (…) [gedaagde] B.V. en (…) tegen het herstelbesluit van 11 november 2019 zijn ongegrond.
(…)
De beroepen tegen het besluit van 20 februari 2017
(…)
19 (…)
Ook is gelet op wat in de tussenuitspraak onder 32.3 en 33 is overwogen, het besluit van 20 februari 2017, voor zover het betreft de vaststelling van de plandelen met de bestemmingen “Verkeer” en “Maatschappelijk – Militaire vliegbasis-2” op de percelen ten zuiden van de [perceel 1] en ten westen van de [perceel 2] , genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb, zodat het besluit van 20 februari 2017 in zoverre moet worden vernietigd.
Conclusie besluit van 20 februari 2017
20. Gelet op het voorgaande zijn de beroepen van (…), [gedaagde] B.V. en (…) tegen het besluit van de raad van 20 februari 2017 gegrond.
(…)
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart de beroepen van:
a. (…)
b. [gedaagde] B.V. en [bedrijf 1] B.V. ;
c. (…)
tegen het besluit van de raad van de gemeente Gilze-Rijen van 20 februari 2017 tot vaststelling van het bestemmingsplan “N282”, gegrond;
II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Gilze-Rijen van 20 februari 2017 tot vaststelling van het bestemmingsplan “N282”, voor zover:
a. (..)
b. het betreft de plandelen met de bestemmingen “Verkeer” en “Maatschappelijk – Militaire vliegbasis 2” op de percelen ten zuiden van de [perceel 1] en ten westen van de [perceel 2] ;
III. verklaart de beroepen van:
a. (…)
b. [gedaagde] B.V. en [bedrijf 1] B.V. ;
c. (…)
tegen het besluit van de raad van de gemeente Gilze-Rijen van 11 november 2019 tot vaststelling van het bestemmingsplan “N282” ongegrond;
(…)”.
2.9. Het perceel met [grondplannummer 2] is belast met een zakelijk recht als bedoeld in artikel 5, lid 3, onder b van de Belemmeringenwet privaatrecht ten name van het Waterschap Brabantse Delta, zetelend te Breda.
De percelen met grondplannummers [grondplannummer 1] en [grondplannummer 2] zijn belast met hypotheken ten gunste van BV [bedrijf 2] , gevestigd te [vestigingsplaats 2] , en de Rabobank.
Op de te onteigenen perceelsgedeelten exploiteert DCB Energy B.V. (hierna; DCB), gevestigd te Spijkenisse, een brandstoffenvulpunt onder de [naam 2] . De provincie heeft met DCB overeenstemming bereikt over de beëindiging van de exploitatie na verwerving van de eigendom.
Bij beschikking van 5 februari 2021 heeft de rechtbank op verzoek van de provincie drie deskundigen (te weten [deskundige 1] , [deskundige 2] en [deskundige 3] ) en een rechter-commissaris benoemd en bevolen dat de door de rechter-commissaris nader te bepalen tijd en plaats van de plaatsopneming op een later moment bekend wordt gemaakt. Op 17 maart 2021 heeft een vervroegde plaatsopneming plaatsgevonden.
Aan het Waterschap Brabantse Delta, BV [bedrijf 2] , [bedrijf 1] B.V. , de Rabobank en DCB Energy B.V. is op 3 respectievelijk 4 mei 2021 een afschrift van de onderhavige dagvaarding betekend.
3 Het geschil
De provincie vordert dat de rechtbank:
I. vervroegd uitspreekt de onteigening van de in het lichaam van de dagvaarding nader aangeduide percelen, in het belang van de uitvoering van het bestemmingsplan “N282”;
II. het bedrag van de schadeloosstelling bepaalt.
De provincie stelt dat de grondslag voor de planologische uitvoering van het werk waarin de ter onteigening aangewezen onroerende zaken zijn gelegen wordt gevormd door het bestemmingsplan “N282” van de gemeente Gilze en Rijen. Dit bestemmingsplan is op 20 februari 2017 vastgesteld. Na tussenuitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 mei 2019 is het bestemmingsplan opnieuw integraal en deels gewijzigd vastgesteld bij herstelbesluit van 11 november 2019. Het bestemmingsplan is bij einduitspraak van de Afdeling van 4 november 2020 onherroepelijk geworden. Daarmee is het KB van 20 januari 2020 definitief en biedt dit een geldige titel voor onteigening van de gronden van [gedaagde] voor de uitvoering van het bestemmingsplan “N282”, aldus de provincie.
De provincie voert verder aan dat in het bestemmingsplan “ N282” aan de te onteigenen gronden deels de bestemming “Verkeer” is toegekend, ten behoeve van de aanleg en verbreding van de N282. Daarnaast is aan een deel van de te onteigenen gronden de bestemming “Maatschappelijk – Militaire vliegbasis 2” toegekend. Verwerving van deze gronden is noodzakelijk met het oog op de veiligheidssituatie van de militaire vliegbasis, aldus de provincie.
De provincie heeft getracht om met [gedaagde] in der minne tot overeenstemming te komen over de overdracht van de ter onteigening aangewezen onroerende zaken. Zij heeft aan [gedaagde] (voor [gedaagde] en [bedrijf 1] B.V. gezamenlijk) ter zake van schadeloosstelling laatstelijk een bedrag van € 1.228.000,00 (+ 1x PM) aangeboden, dat door [gedaagde] niet is aanvaard. De provincie handhaaft dit aanbod. Zij heeft voorts nog twee bijkomende aanbiedingen gedaan, die zij eveneens gestand doet.
[gedaagde] voert verweer. Hij concludeert tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van de provincie in de proceskosten.
stelt zich primair op het standpunt dat er geen, althans geen geldig KB ten grondslag ligt aan de gevorderde onteigening. Bij uitspraak van 4 november 2020 van de Afdeling is het oorspronkelijke besluit van 20 februari 2017 tot vaststelling van het bestemmingsplan vernietigd voor zover het betreft de plandelen met de bestemmingen “Verkeer” en “Maatschappelijk – Militaire vliegbasis 2” op de percelen ten zuiden van de [perceel 1] en ten westen van de [perceel 2] . Dit is de plaats waar het tracé een afbuiging maakt richting het zuiden en aan de achterzijde van het wegrestaurant van [gedaagde] komt te liggen, over de truckparking. Nu de vaststelling van het bestemmingsplan met betrekking tot de in het onteigeningsplan begrepen onroerende zaken van [gedaagde] is vernietigd, is de ontbindende voorwaarde in het KB ingetreden en is het KB komen te vervallen, aldus [gedaagde] .
De omstandigheid dat de raad bij herstelbesluit van 11 november 2019 opnieuw een bestemmingsplan “N282” heeft vastgesteld dat door de ongegrondverklaring van het beroep tegen dat herstelbesluit onherroepelijk is geworden, leidt er volgens [gedaagde] niet toe dat de vernietiging van het besluit van 20 februari 2017 zonder gevolgen blijft. Met het herstelbesluit van 11 november 2019 is een wezenlijk ander plan vastgesteld dan het plan dat was vastgesteld met het besluit van 20 februari 2017. De Afdeling heeft dit herstelbesluit (slechts) goedgekeurd, omdat daarin het gehele bedrijf van [gedaagde] is wegbestemd. Zonder deze wijzigingen in het herstelbesluit zou de Afdeling de planologische regeling voor het tracé niet akkoord hebben bevonden. In dit geval is het plan voor het werk waarvoor wordt onteigend aan het eind van de administratieve fase gewijzigd. Er is niet langer slechts een deel van de gronden van [gedaagde] benodigd, maar nu zijn alle gronden benodigd. De Kroon heeft het verzoek tot aanwijzing ter onteigening niet beoordeeld op basis van het bestemmingsplan zoals dat uiteindelijk onherroepelijk is geworden.
Subsidiair voert [gedaagde] aan dat de onteigening in strijd is met het recht. Er is volgens hem sprake van strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer in bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel. Zowel de Afdeling als de raad is tot het oordeel gekomen dat de gevolgen van gedeeltelijke onteigening onevenredig zijn, omdat het niet mogelijk is om op het overblijvende nog een levensvatbaar bedrijf uit te oefenen. In dat licht bezien is het onbegrijpelijk (onzorgvuldig) dat de provincie nu gedeeltelijke onteigening van de gronden vordert. De provincie heeft weliswaar een bijkomend aanbod gedaan om het gehele bedrijfsobject aan te kopen, maar een aankoop op basis van een bijkomend aanbod is volgens [gedaagde] wezenlijk anders dan een onteigening van het geheel; het bijkomend aanbod vormt geen aanbod tot volledige schadeloosstelling.
Voorts is de gemeente volgens [gedaagde] met de provincie overeengekomen dat de provincie indien nodig de eigendom van de gronden van [gedaagde] middels een onteigeningsprocedure zal proberen te verkrijgen, indien geen minnelijke overeenstemming wordt bereikt. Het zou onredelijk zijn als de overige gronden van [gedaagde] pas tegen het einde van de planperiode (van 10 jaar) worden onteigend. De verschillende onderdelen van het bedrijf zijn los van elkaar immers minder waard dan het geheel bij elkaar. Volgens [gedaagde] eisen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur dat provincie alle benodigde gronden in één keer onteigent, indien nu reeds duidelijk is dat alle gronden voor realisatie van het plan nodig zijn. Door dat niet te doen, frustreert de provincie een algehele bedrijfsverplaatsing van [gedaagde] en wordt het bedrijf te gronde gericht. Dat is niet behoorlijk en ook niet zorgvuldig, aldus [gedaagde] .
De provincie heeft het verweer van [gedaagde] gemotiveerd weersproken. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
De Rabobank heeft als tussenkomende partij ten aanzien van de vordering tot vervroegde onteigening geen standpunt ingenomen. Voor zover relevant zal de rechtbank hierna onder de beoordeling ingaan op de vordering van de Rabobank en de reacties daarop van de provincie en [gedaagde] .
4 De beoordeling
Ten aanzien van het primaire verweer van [gedaagde] dat een geldige titel voor onteigening ontbreekt overweegt de rechtbank als volgt.
beroept zich in dit verband op de vervulling van de ontbindende voorwaarde in het Koninklijk Besluit van 20 januari 2020, als gevolg waarvan dit KB volgens hem is komen te vervallen.
De rechtbank stelt het volgende voorop. De opschortende en ontbindende voorwaarden in het KB luiden “dat niet zal worden overgegaan tot dagvaarding als bedoeld in artikel 18 van de Onteigeningswet, vóórdat het bestemmingsplan onherroepelijk zal zijn met betrekking tot de in het onteigeningsplan begrepen onroerende zaken en dat dit aanwijzingsbesluit vervalt, indien het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan met betrekking tot die onroerende zaken in beroep zal worden vernietigd.” De rechtbank gaat ervan uit dat met de zinsnede “de in het onteigeningsplan begrepen onroerende zaken” wordt bedoeld de zaken die ter onteigening zijn aangewezen, aangezien het KB een besluit betreft op het daartoe strekkende verzoek van de provincie.
Bij besluit van 20 februari 2017 heeft de raad van de gemeente Gilze en Rijen het bestemmingsplan “N282” vastgesteld. [gedaagde] heeft beroep ingesteld tegen dit besluit. Ten aanzien van dit beroep heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bij tussenuitspraak van 15 mei 2019 twee motiveringsgebreken met betrekking tot het besluit geconstateerd. De Afdeling heeft - kort gezegd - overwogen dat een deugdelijke afweging van alle bij het besluit betrokken belangen, waaronder de gevolgen van het plan voor de exploitatie van het wegrestaurant, ontbreekt en dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd dat het nieuwe weggedeelte niet op een andere plek kan worden gerealiseerd (zie hiervoor onder r.o. 2.4.). Gelet daarop heeft de Afdeling geoordeeld dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd dat het bestreden besluit strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. De raad is in de gelegenheid gesteld om deze gebreken te herstellen.
Vervolgens heeft de raad het herstelbesluit van 11 november 2019 genomen. Daarbij zijn de resterende gronden van [gedaagde] - die niet ter onteigening zijn aangewezen - deel gaan uitmaken van het plangebied en bestemd als wonen en groen en zijn de regels van het bestemmingsplan aangepast. Voorts is een aanvulling op de toelichting op het bestemmingsplan “N282” toegevoegd in het kader van de “bestuurlijke lus”.
In de einduitspraak van 4 november 2020 heeft de Afdeling - kort gezegd - overwogen (zie hiervoor onder r.o. 2.8.):
- dat de raad ter uitvoering van de tussenuitspraak van 15 mei 2019 het plan “N282” in het herstelbesluit van 11 november 2019 opnieuw, gewijzigd heeft vastgesteld (r.o. 2 van de einduitspraak)
- dat in paragraaf 3.2.2.1 en 3.2.2.2 van de aanvullende toelichting bij het herstelbesluit is gemotiveerd waarom het nieuwe weggedeelte niet anders kan worden gerealiseerd (r.o. 5.3 van de einduitspraak)
- dat de raad naar het oordeel van de Afdeling met deze toelichting zijn standpunt dat het nieuwe weggedeelte niet op een andere plek kan worden gerealiseerd, voldoende heeft gemotiveerd (r.o. 5.4 van de einduitspraak)
- dat de raad gelet hierop het gebrek in de motivering over de ligging van het tracé heeft hersteld (r.o. 5.5 van de einduitspraak)
- dat wat de toegekende woon- en groenbestemming betreft er geen aanleiding is voor het oordeel dat de raad zijn keuze voor die bestemmingen onvoldoende heeft gemotiveerd (r.o. 5.6 van de einduitspraak)
- dat de raad, gelet op alle betrokken belangen, toereikend heeft gemotiveerd dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening (r.o. 5.7 van de einduitspraak)
- dat de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken in het besluit van 20 februari 2017 met het herstelbesluit van 11 november 2019 zijn hersteld (r.o. 7 van de einduitspraak)
- dat het besluit van 20 februari 2017, voor zover het betreft de vaststelling van de plandelen met de bestemmingen “Verkeer” en “Maatschappelijk – Militaire vliegbasis-2” op de percelen ten zuiden van de [perceel 1] en ten westen van de [perceel 2] , is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb, het motiveringsbeginsel, en in zoverre moet worden vernietigd.
4.5. De conclusie is dat de Afdeling in de einduitspraak van 4 november 2020 heeft geoordeeld dat de motiveringsgebreken van het besluit van 20 februari 2017 met het besluit van 11 november 2019 zijn hersteld. Het beroep van [gedaagde] tegen het herstelbesluit is ongegrond verklaard.
De rechtbank is met de provincie van oordeel dat uit het voorgaande volgt dat het besluit van 20 februari 2019 is vervangen door het herstelbesluit van 11 november 2019 en dat het herstelbesluit gelijktijdig met de vernietiging van het besluit van 20 februari 2019 definitief is geworden. De zinsnede “het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan” in de ontbindende voorwaarde van het KB dient niet aldus te worden geïnterpreteerd dat deze zich beperkt tot het besluit van 20 februari 2019. Dat zou ook niet stroken met de aan de provincie geboden mogelijkheid tot herstel in het kader van de bestuurlijke lus. Ten tijde van de afgifte van het KB was de tussenuitspraak van 15 mei 2019 al bekend en was het herstelbesluit van 11 november 2019 al genomen.
De provincie heeft het verweer van [gedaagde] dat met het herstelbesluit een wezenlijk ander plan is vastgesteld gemotiveerd weersproken. Volgens de provincie is naar aanleiding van de tussenuitspraak van 15 mei 2019 de ligging van het tracé heroverwogen. Dit heeft niet tot een gewijzigde ligging van het tracé geleid, aldus de provincie; ten aanzien van de in de onteigening betrokken gronden is het bestemmingsplan inhoudelijk ongewijzigd gebleven. Volgens de provincie is de tracékeuze in het herstelbesluit nader onderbouwd en gemotiveerd. De wijzigingen zien op gronden die aanvankelijk geen onderdeel uitmaakten van het plangebied; met het herstelbesluit zijn passende bestemmingen toegekend aan de resterende gronden met bijbehorende planregels, aldus de provincie. De rechtbank onderschrijft dit standpunt van de provincie. Het verweer van [gedaagde] dienaangaande wordt gepasseerd.
[gedaagde] heeft voorts aangevoerd dat de Kroon het verzoek tot aanwijzing ter onteigening niet heeft beoordeeld op basis van het bestemmingsplan zoals dat uiteindelijk onherroepelijk is geworden. De rechtbank overweegt hierover als volgt.
Uit de tekst van het KB van 20 januari 2020 blijkt dat [gedaagde] zienswijzen naar voren heeft gebracht tegen het ontwerp KB. Hij heeft onder meer betoogd dat het bestemmingsplan onvoldoende is om het publieke belang van de onteigening te onderbouwen. Daartoe heeft hij aangevoerd dat het bestemmingsplan nog niet onherroepelijk was, waarbij hij heeft verwezen naar de tussenuitspraak van de Afdeling van 15 mei 2019. Volgens [gedaagde] was de kans aanwezig dat het tracé nog zou wijzigen als gevolg van de uitspraak en was daarom het bestemmingsplan onvoldoende om het publiek belang te onderbouwen, althans was de onteigening volgens hem prematuur.
De Kroon heeft in het KB van 20 januari 2020 omtrent deze zienswijze van [gedaagde] overwogen:
“Ondanks dat het bestemmingsplan nog niet onherroepelijk is, zien Wij geen grond voor het oordeel dat het bestemmingsplan onvoldoende is om het publieke belang van de onteigening te onderbouwen. Hiervoor hebben Wij onder het kopje “Noodzaak en urgentie” het publieke belang van de reconstructie van de N282 omschreven. De omstandigheid dat het bestemmingsplan nog niet onherroepelijk is, doet niet af aan dit publieke belang. De belangen van reclamant 1 (rechtbank: lees [gedaagde] ) en (…) zullen worden gewaarborgd door de opschortende en ontbindende voorwaarden die aan dit koninklijk besluit zullen worden verbonden.”
4.8. Hieruit volgt dat de opschortende en ontbindende voorwaarden in het KB, voor zover die de aanwijzing ter onteigening betreffen van onroerende zaken van [gedaagde] , zijn gekoppeld aan voornoemde zienswijze van [gedaagde] , namelijk dat de weg mogelijk op een andere plaats komt te liggen. Thans staat met de einduitspraak van de Afdeling vast dat daarvan geen sprake is.
De Kroon heeft in het KB geoordeeld dat het publiek belang gebaat is bij de weg op deze plaats en de weg komt op deze plaats te liggen. Het verweer van [gedaagde] op dit punt slaagt niet.
Uit het voorgaande volgt dat de ontbindende voorwaarde in het KB niet is vervuld. Het KB is niet komen te vervallen. Er is dus een geldige onteigeningstitel.
Ten aanzien van het subsidiaire verweer van [gedaagde] overweegt de rechtbank als volgt.
miskent met zijn stellingen op dit punt dat de resterende gronden van [gedaagde] met de bestemming “Groen” en “Wonen” thans niet benodigd zijn voor de realisatie van het onteigeningsplan. Een door de provincie ingediend verzoekbesluit tot onteigening van deze gronden zou worden afgewezen, omdat niet is voldaan aan het vereiste van nut, noodzaak en urgentie dat de Onteigeningswet stelt aan een dergelijk verzoek. Toepassing van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur kan er niet toe leiden dat de provincie in strijd met het bepaalde in de Onteigeningswet overgaat tot onteigening van de gronden. Er bestaat voor een belanghebbende geen recht op onteigening. Het verweer van [gedaagde] moet alleen al daarom worden gepasseerd.
Gelet op het voorgaande, alsmede gelet op het feit dat de in de Onteigeningswet (Ow) voorgeschreven formaliteiten en termijnen zijn nageleefd, kan de vordering van de provincie tot het vervroegd uitspreken van de onteigening van het onderhavig perceel en perceelsgedeelte worden toegewezen.
4.12. Met betrekking tot de schadeloosstelling heeft de provincie aangeboden aan [gedaagde] een bedrag van € 1.228.000,- te voldoen.
Verder heeft de provincie als bijkomend aanbod aangeboden:
1a) het resterende bedrijfsperceel, dan wel 1b) het resterende bedrijfsperceel en de woning als één geheel, aan te kopen tegen een door de commissie van deskundigen te begroten marktwaarde, te bepalen op de peildatum die van toepassing is op de begroting van de schadeloosstelling voor de te onteigenen gronden en met inachtneming van de resultaten van een actueel verkennend bodemonderzoek;
2. het voortgezet gebruik om niet van de te onteigenen gronden tot 1 maart 2022.
Volgens de provincie dient de inhoud van dit schadebeperkend aanbod bij de begroting van de schadeloosstelling te worden betrokken.
vindt het aangeboden bedrag van de schadeloosstelling te laag.
Gelet hierop kan het bedrag van de schadeloosstelling nog niet worden vastgesteld. Daartoe zijn reeds (met toepassing van artikel 54a e.v. Ow) deskundigen benoemd en heeft een descente plaatsgevonden op 17 maart 2021. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat in het kader van de met de rechter-commissaris ter gelegenheid van de descente gemaakte procedureafspraken de deskundigen een conceptrapport hebben opgesteld, dat op 16 november 2021 is ingekomen bij de rechtbank. Tevens is afgesproken dat het definitieve deskundigenrapport zou worden uitgebracht op uiterlijk 8 december 2021. In verband met onderhavige procedure is die datum aangehouden in afwachting van de uitkomst hiervan. De rechtbank zal de datum waarop de nederlegging van het definitieve deskundigenrapport zal moeten plaatsvinden thans nader vaststellen.
De provincie zal worden veroordeeld tot betaling van een voorschot op de schadeloosstelling aan [gedaagde] . Met betrekking tot dat voorschot heeft de provincie ter gelegenheid van het pleidooi verzocht dit vast te stellen op 90% van de aangeboden schadeloosstelling. [gedaagde] heeft verzocht het voorschot vast te stellen op een bedrag van 100% van het aangeboden bedrag. Nu partijen hieromtrent geen overeenstemming hebben bereikt, zal het door de provincie te betalen voorschot conform artikel 54i lid 2 Ow worden vastgesteld op 90% van de aangeboden schadeloosstelling. Dit komt overeen met een bedrag van € 1.105.200,00. De rechtbank ziet geen aanleiding het voorschot op een ander bedrag vast te stellen.
4.15. Gelet op het bepaalde in artikel 54i lid 4 Ow, zal de rechtbank bepalen dat de provincie ten behoeve van [gedaagde] zekerheid dient te stellen voor een bedrag van
€ 122.800,00 door dit bedrag te deponeren op de derdengeldrekening van een door [gedaagde] aan te wijzen notaris (en indien [gedaagde] geen notaris aanwijst: van een notaris naar keuze van de provincie).
De rechtbank begrijpt dat de Rabobank als hypotheekhoudster vordert dat de rechtbank bepaalt dat de provincie uit het bij (tussen)vonnis door de rechtbank vast te stellen (voorschot op de) schadeloosstelling, een bedrag van € 587.407,78, te vermeerderen met rente vanaf 1 mei 2021, provisie en/of kosten rechtstreeks aan haar betaalt en
de provincie en/of [gedaagde] veroordeelt in haar proceskosten.
Ook de provincie en [gedaagde] hebben de vordering van de Rabobank kennelijk zo opgevat.
[gedaagde] heeft meegedeeld te kunnen instemmen met toewijzing van de vordering tot rechtstreekse uitbetaling aan de Rabobank van een bedrag van € 587.407,78, vermeerderd met rente vanaf 1 mei 2021. Hij heeft de vordering tot betaling van provisie en/of kosten betwist, nu deze volgens hem onvoldoende is onderbouwd. Hij heeft eveneens de gevorderde proceskostenveroordeling weersproken.
De provincie heeft de vordering van de Rabobank voor zover deze ziet op de vergoeding van rente en provisie en/of kosten betwist. Volgens de provincie heeft de Rabobank als hypotheekhoudster geen afzonderlijk recht op schadevergoeding. Schade in verband met rente, provisie en/of kosten is op grond van artikel 43 Ow niet toewijsbaar, behoudens wettelijke rente vanaf de dag nadat het vonnis is gewezen, aldus de provincie.
Ten aanzien van de gevorderde proceskostenveroordeling stelt de provincie zich op het standpunt dat deze dient te worden gemaximeerd op het toepasselijke liquidatietarief.
De rechtbank overweegt als volgt. Gelet op de referte van [gedaagde] en de provincie ten aanzien van de vordering van de Rabobank tot rechtstreekse betaling aan haar van een bedrag van € 587.407,78, kan deze worden toegewezen op na te melden wijze.
Uit de door de Rabobank als productie 11 overlegde opgave van de restant hoofdsom blijkt dat deze is berekend per 10 mei 2021. De gevorderde rente op basis van de door de Rabobank met [gedaagde] gesloten financieringsovereenkomsten kan als door [gedaagde] onweersproken worden toegewezen vanaf voornoemde datum tot de dag der algehele voldoening. Het verweer van de provincie op dit punt wordt gepasseerd nu het rente betreft die op basis van de financieringsovereenkomsten door [gedaagde] verschuldigd is en voor de betaling waarvan het hypotheekrecht van de Rabobank tot zekerheid strekt.
De beslissing op de vordering van de Rabobank voor zover deze ziet op provisie en/of kosten zal worden aangehouden, nu deze vordering vooralsnog onvoldoende is onderbouwd. De Rabobank zal in de gelegenheid worden gesteld een nadere specificatie over te leggen.
De beslissing omtrent de gevorderde proceskosten in het incident zal eveneens worden aangehouden, totdat over de aan [gedaagde] ter zake de onteigening te betalen (definitieve) schadeloosstelling wordt beslist.
De rechtbank ziet geen grond te bepalen dat de provincie en/of [gedaagde] eerdergenoemd bedrag hoofdelijk moeten voldoen. De Rabobank heeft daarvoor ook geen grondslag gesteld.
De zaak zal voor het overige worden verwezen naar de rol van 10 augustus 2022, voor akte uitlaten de provincie na deskundigenbericht, alsmede voor akte uitlaten van de zijde van de Rabobank, zoals hiervoor in r.o. 4.19. omschreven.
5 De beslissing
De rechtbank
spreekt vervroegd uit ten behoeve van de uitvoering van het bestemmingsplan “N282” en ten name van de provincie de onteigening, vrij van alle lasten en rechten,
van de onroerende zaken die zijn aangeduid op de grondplantekening met [grondplannummer 1] en [grondplannummer 2] , welke grondplantekening ingevolge de wet ter inzage heeft gelegen en in het Koninklijk Besluit van 20 januari 2020 (nr. 2020000094, Stcrt. 24 februari 2020, nr. 7174), nader zijn aangeduid als:
- [grondplannummer 1] : het perceel kadastraal bekend gemeente Gilze en Rijen, [sectie] [perceelnummer 1] , groot 8.005 m², kadastraal omschreven als “terrein (natuur)”;
- [grondplannummer 2] : een deel van 7.419 m² van het perceel kadastraal bekend gemeente Gilze en Rijen, [sectie] [perceelnummer 2] , groot 9.352 m², kadastraal omschreven als “parkeren”,
bepaalt het bedrag van het voorschot op de schadeloosstelling voor [gedaagde] op 90% van het in de dagvaarding aangeboden bedrag zijnde € 1.105.200,00 (een miljoen honderdvijfduizend tweehonderd euro), waarvan rechtstreeks aan de Rabobank dient te worden betaald een bedrag van € 587.407,78, vermeerderd met rente vanaf 10 mei 2021 tot de dag der algehele voldoening, en aan [gedaagde] een bedrag van € 517.792,22, minus voornoemd bedrag aan rente vanaf 10 mei 2021 tot de dag der algehele voldoening,
bepaalt dat de provincie zekerheid dient te stellen voor de voldoening van de schadeloosstelling ten behoeve van [gedaagde] voor een bedrag van € 122.800,00 door dit bedrag te deponeren op de derdengeldrekening van een door [gedaagde] aan te wijzen notaris (indien [gedaagde] geen notaris aanwijst: van een notaris naar keuze van de provincie),
5.4. stelt de datum voor nederlegging van het deskundigenrapport vast op 29 juni 2022,
wijst BN De Stem aan als het nieuwsblad waarin een uittreksel van dit vonnis dient te worden geplaatst,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 10 augustus 2022 voor akte uitlaten na deskundigenbericht eerst door de provincie, alsmede voor akte uitlaten van de zijde van de Rabobank,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van der Lende-Mulder Smit, mr. Kool en mr. Van den Boom en in het openbaar uitgesproken op 6 april 2022.