Verbintenissenrecht

Gedaagde verhuurde de woning van eisers namens eisers. Eisers vorderen betaling van de geïnde huur. Gedaagde…

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 28 oktober 2020

Zaakgegevens

Op 28 oktober 2020 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Tilburg
Datum uitspraak
28 oktober 2020
Datum publicatie
13 augustus 2026
Zaaknummer
8059457 CV EXPL 19-5782 (E)
Procedure
Bodemzaak
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2020:7227
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Gedaagde verhuurde de woning van eisers namens eisers. Eisers vorderen betaling van de geïnde huur. Gedaagde beroept zich op verrekening. Dit verweer is niet eenvoudig vast te stellen, dus de kantonrechter gaat daaraan voorbij. De vordering wordt toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Cluster I Civiele kantonzaken

Tilburg

zaak/rolnr.: 8059457 CV EXPL 19-5782

vonnis d.d. 28 oktober 2020

inzake

1 [eiseres] ,

2. [eiser],

beiden wonende te [adres] ,

eisers,

gemachtigde: mr. M.G. van Dijken, werkzaam ten kantore van Stichting Achmea Rechtsbijstand te Tilburg,

tegen

de besloten vennootschap Tijdelijk Twee Woningen B.V.,

statutair gevestigd te Eindhoven, kantoorhoudende te (5051 NK) Goirle aan het adres Kalverstraat 29 09,

gedaagde,

vertegenwoordigd door: [persoon] .

Partijen worden hierna aangeduid als “ [eisers] ” en “TTW”.

1 Het verloop van het geding

De procesgang blijkt uit de volgende stukken:

a. het tussenvonnis in deze zaak van 12 februari 2020 met de daarin genoemde stukken;

b. de conclusie van repliek van 17 juni 2020 met producties;

c. de conclusie van dupliek van 12 augustus 2020 met producties;

d. de akte zijdens [eisers] van 26 augustus 2020.

2 Het geschil

2.1

[eisers] vorderen om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, TTW te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 3.738,00 aan hoofdsom, te vermeerderen met rente en kosten.

2.2

TTW voert verweer.

3 De beoordeling

3.1

Tussen partijen staat het volgende vast:

- [eisers] hebben in 2015 een overeenkomst gesloten met TTW tot tijdelijke verhuur van hun woning, staande en gelegen te [adres] (verder te noemen: de woning);

- op 17 augustus 2018 is een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot de woning met tussenkomst van TTW.

3.2

[eisers] stellen dat TTW in opdracht van [eisers] de woning tijdelijk hebben verhuurd aan een derde, waarbij TTW de uit hoofde van de huurovereenkomst te betalen bedragen zou innen en zou doorstorten aan [eisers] . De borg en huur over de periode 17 tot en met 31 augustus 2018 is nimmer aan [eisers] doorgestort. De borg is door [eisers] wel terugbetaald aan de huurders, zodat het nog onder TTW gehouden bedrag aan hen toekomt. Op het verweer van TTW voeren zij aan dat de gestelde kosten geenszins zijn onderbouwd. Nimmer is daarvoor een factuur ontvangen en het door TTW gestelde bijbehorende e-mailbericht van 22 februari 2019 komt niet overeen met het bericht dat eisers op 22 februari van TTW hebben ontvangen. [eisers] hebben TTW nimmer gevraagd advies te geven in hun geschil met huurders. Zij zijn immers direct door TTW doorverwezen naar [advocatenkantoor] voor juridische bijstand. Voor zover TTW al werkzaamheden heeft verricht, was dit om haar eigen fouten te corrigeren. Gelet op het voorgaande is de openstaande hoofdsom ten onrechte niet betaald aan [eisers] , zodat TTW rente en buitengerechtelijke kosten verschuldigd is geworden.

3.3

TTW voert aan dat de borg nog op de rekening van TTW staat en de huur is verrekend met de door TTW gemaakte kosten. Zij heeft immers een bedrag van € 2.258,75 aan kosten met betrekking tot het leveren van advies en bijstand aan [eisers] . Dit bedrag moet verrekend worden. Hooguit kan dan ook een bedrag van € 1.480,00 worden overgemaakt door TTW.

3.4

De kantonrechter overweegt dat TTW erkent dat een bedrag van € 1.480,00 dient te worden betaald, zodat dit bedrag in ieder geval toewijsbaar is. Voor het overige beroept zij zich op verrekening.

3.5

In artikel 6:127 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat de bevoegdheid tot verrekening wordt verkregen, wanneer de schuldenaar een prestatie te vorderen heeft die beantwoordt aan zijn schuld jegens dezelfde wederpartij en hij bevoegd is zowel tot betaling van de schuld als tot het afdwingen van de betaling van de vordering. Het beroep op verrekening kan echter ex artikel 6:136 BW worden gepasseerd, indien de gegrondheid van het verrekeningsverweer niet op eenvoudige wijze is vast te stellen en de oorspronkelijke vordering voor toewijzing vatbaar is.

3.6

Tussen partijen staat vast dat TTW de verplichting had alle inkomsten uit hoofde van de huurovereenkomst door te storten aan [eisers] , zodat vaststaat dat het nog resterende deel van de vordering in beginsel toewijsbaar is. Met betrekking tot het verrekeningsverweer is van belang dat [eisers] betwisten dat zij opdracht hebben gegeven tot het verrichten van werkzaamheden, dat zij betwisten een factuur te hebben ontvangen voor die werkzaamheden en dat zij betwisten, voor zover zij wel de opdracht hebben gegeven, verantwoordelijk te kunnen worden gehouden de kosten te voldoen. Of TTW terecht een beroep doet op verrekening is derhalve niet op eenvoudige wijze vast te stellen. Met die stand van zaken dient de kantonrechter het beroep op verrekening ex artikel 6:136 BW te passeren.

3.7

Voor zover TTW een beroep doet op opschorting ter verrekening van door haar gemaakte kosten overweegt de kantonrechter als volgt. TTW doet naar het oordeel van de kantonrechter ten onrechte een beroep op opschorting. Het bedrag van de factuur is niet nader onderbouwd of gespecificeerd door TTW. Hetzelfde geldt voor de stelling dat [eisers] opdracht hebben gegeven tot het verrichten van werkzaamheden door TTW. Ook die stelling, die door [eiseres] van [eiser] gemotiveerd is betwist, wordt niet nader onderbouwd door TTW. Vast staat ook dat het beroep op verrekening met de factuur pas in deze procedure is gedaan en TTW vóór deze procedure nooit aanmaningen of betalingsverzoeken aan [eisers] heeft gestuurd.

3.8

Het voorgaande betekent dat TTW in verzuim is met betaling van de volledige hoofdsom en een bedrag van € 3.738,00 toewijsbaar is.

3.9

Met betrekking tot de gevorderde buitengerechtelijke kosten dienen [eisers] te stellen en te onderbouwen dat voldoende buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht. Hiervan is, gelet op de inhoud van het dossier, gebleken, zodat het gevorderde bedrag van € 498,80 toewijsbaar is.

3.10

De wettelijke rente is, als gegrond op de wet, toewijsbaar als gevorderd.

3.11

TTW wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten. Aan de zijde van [eisers] worden deze begroot op een bedrag van € 104,54 aan dagvaardingskosten, een bedrag van € 231,00 aan griffierecht en een bedrag van € 600,00 aan gemachtigdensalaris (2,5 punt à € 240,00 voor de dagvaarding, de conclusie van repliek en de akte zijdens [eisers] ).

4 De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt TTW om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisers] te betalen:

- een bedrag van € 3.378,00 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 september 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening;

- een bedrag van € 498,80 aan buitengerechtelijke incassokosten;

veroordeelt TTW in de kosten van dit geding, aan de zijde van [eisers] tot op heden begroot op een bedrag van € 935,54, daarin begrepen een bedrag van € 600,00 als salaris voor de gemachtigde van [eisers] ;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Eijssen-Vruwink en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2020.