Verbintenissenrecht
Verstek, eindvonnis na tussenvonnis, sportschool
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 13 september 2023
ECLI:NL:RBZWB:2023:6504 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 13 september 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-zeeland-west-brabant/civiel-recht/verbintenissenrecht/bodemzaak/ecli-nl-rbzwb-2023-6504
Zaakgegevens
Op 13 september 2023 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Middelburg
- Datum uitspraak
- 13 september 2023
- Datum publicatie
- 14 september 2023
- Zaaknummer
- 10563221 CV EXPL 23-1449 (E)
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Verbintenissenrecht
- Procedure
- BodemzaakBodemzaakDe gewone procedure waarin de rechter definitief over het geschil beslist, in tegenstelling tot een kort geding of voorlopige voorziening.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2023:6504
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verstek, eindvonnis na tussenvonnis, sportschool
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Cluster I Civiele kantonzaken
Middelburg
zaak/rolnr.: 10563221 CV EXPL 23-1449
vonnis d.d. 13 september 2023
inzake
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Basic-Fit Nederland B.V. h.o.d.n. Basic Fit Terneuzen,
gevestigd en kantoorhoudende te Hoofddorp,
eiseres,
gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2],
tegen
[gedaagde] ,
wonende op een geheim adres in de gemeente Terneuzen,
gedaagde,
niet verschenen.
1 Het verloop van het geding
De procesgang blijkt uit:
-
het tussenvonnis d.d. 19 juli 2023 met het daarin genoemde stuk;
-
de akte na tussenvonnis d.d. 16 augustus 2023.
2 De verdere beoordeling
In juist genoemd vonnis heeft de kantonrechter geconstateerd dat eiseres zich mogelijk op een oneerlijk beding in de zin van artikel 3 lid 3 van de Richtlijn 93/13 EEG beroept. Eiseres is in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vraag of het beding, artikel 6g van de tussen partijen geldende algemene voorwaarden, dient te worden gekwalificeerd als een onredelijk bezwarend beding.
Eiseres stelt in de eerste plaats dat artikel 5g van haar algemene voorwaarden niet onredelijk bezwarend is en voert daartoe aan als volgt. Gedaagde is een overeenkomst aangegaan met eiseres voor de duur van 12 maanden, ingaande op 9 november 2020. Gedaagde heeft slechts de eerste termijnbetaling voldaan en is daarna in gebreke gebleven met de betaling van zijn lidmaatschap. Na het uitblijven van de betalingen heeft eiseres het contract beëindigd per 9 november 2021. Nu gedaagde tot 9 november 2021 gebruik heeft kunnen blijven maken van de faciliteiten van eiseres, en eiseres niet meer vordert dan de reeds vervallen termijnen, is er dus geen sprake van een verstoord evenwicht tussen partijen.
De kantonrechter overweegt als volgt. Op grond van artikel 5g van de algemene voorwaarden kan eiseres de overeenkomst met directe ingang beëindigen, indien gedaagde niet aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, terwijl deze wel alle lidmaatschapsgelden voor de looptijd van de overeenkomst verschuldigd is. Daarmee staan de rechten en plichten van partij niet in een redelijk verhouding tot elkaar, hetgeen het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoren. De kantonrechter kwalificeert dit beding dan ook als onredelijk bezwarend en zal het op grond van artikel 3:40 lid 2 vernietigen.
Vernietiging van dit beding laat onverlet dat tussen partijen tot 9 november 2021 een overeenkomst heeft bestaan, op basis waarvan door eiseres nakoming wordt gevorderd van de betalingsverplichting van gedaagde. Nu de vordering van eiseres ziet op betaling van de vervallen termijnen tot 9 november 2021 én gedaagde tot die datum gebruik heeft kunnen maken van de faciliteiten van eiseres, zal deze worden toegewezen.
Gedaagde zal als de hoofdzakelijk in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten, met dien verstande dat voor de akte na tussenvonnis geen salaris zal worden toegekend nu eiseres haar dagvaarding deugdelijk had moeten weergeven.
De proceskosten aan de zijde van eiseres worden tot op heden vastgesteld op:
dagvaardingskosten € 107,84
griffierecht € 128,00
salaris gemachtigde € 39,00
totaal € 274,84.
De nakosten aan de zijde van eiseres worden begroot op € 19,50 (half salarispunt met een maximum van € 132,00) aan salaris gemachtigde, als niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan dit vonnis is voldaan, te vermeerderen met de explootkosten van betekening van dit vonnis, als er vervolgens betekening heeft plaatsgevonden.
3 De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt gedaagde om aan eiseres te betalen een bedrag van € 166,85 op grond van nakoming, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 119,94 vanaf 9 mei 2023 tot aan de dag der algehele voldoening;
veroordeelt gedaagde in de kosten van het geding, aan de zijde van eiseres tot op heden vastgesteld op € 274,84;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Ponds, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 13 september 2023.