Verbintenissenrecht
(Onder)aanneming van werk. Geschil over al dan niet terecht in rekening gebrachte uren.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 15 november 2023
ECLI:NL:RBZWB:2023:7963 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 15 november 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-zeeland-west-brabant/civiel-recht/verbintenissenrecht/bodemzaak/ecli-nl-rbzwb-2023-7963
Zaakgegevens
Op 15 november 2023 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Bergen op Zoom
- Datum uitspraak
- 15 november 2023
- Datum publicatie
- 16 november 2023
- Zaaknummer
- 10444469 CV EXPL 23-1035
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Verbintenissenrecht
- Procedure
- BodemzaakBodemzaakDe gewone procedure waarin de rechter definitief over het geschil beslist, in tegenstelling tot een kort geding of voorlopige voorziening.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2023:7963
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
(Onder)aanneming van werk. Geschil over al dan niet terecht in rekening gebrachte uren.
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Bergen op Zoom
Zaaknummer: 10444469 \ CV EXPL 23-1035
Vonnis van 15 november 2023
in de zaak van
[eiser] B.V.,
te [plaats 2] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: P. de Ruijter,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [plaats 1] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. C.G.A. Mattheussens.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
het tussenvonnis van 12 juli 2023 en de daarin genoemde stukken;
-
producties 7 tot en met 9 van [eiser] , ingekomen ter griffie op 25 september 2023;
-
de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling gehouden op 6 oktober 2023.
[eiser] is niet op de mondelinge behandeling, gehouden op 6 oktober 2023, verschenen.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 Waar gaat de zaak over?
[eiser] is een bedrijf dat zich bezighoudt met het knippen, buigen en vlechten van betonwapening, alsmede het uitvoeren van diverse betonwerken. [gedaagde] is een bouwbedrijf. Partijen hebben in het verleden meermaals samengewerkt.
In 2022 heeft [gedaagde] werk aangenomen op grond waarvan zij werkzaamheden zou verrichten ten behoeve van het project “ [projectnaam] ”. Voor de uit te voeren funderings- en vlechtwerkzaamheden heeft [gedaagde] [eiser] ingeschakeld. [eiser] heeft deze werkzaamheden vervolgens laten uitvoeren door werknemers van een uitzendbureau. Bij eerdere samenwerkingen tussen [eiser] en [gedaagde] werden de werkzaamheden uitgevoerd door de werknemers van [eiser] zelf.
Op 26 december 2022 heeft [eiser] een factuur (van in totaal € 18.944,00) gestuurd naar [gedaagde] voor de door haar verrichte werkzaamheden. [gedaagde] heeft een bedrag van € 16.944,00 betaald. In deze procedure vordert [eiser] de resterende € 2.000,00 van [gedaagde] .
[gedaagde] zegt het bedrag van € 2.000,00 niet verschuldigd te zijn, omdat de door [eiser] ingeschakelde werknemers niet alle in rekening gebrachte uren hebben gewerkt. Volgens [gedaagde] kwamen de werknemers (met name in week 49) te laat, gingen ze te vroeg weg en/of hielden ze te lang pauze.
Daarnaast zegt [gedaagde] schade te hebben geleden doordat de werknemers van [eiser] te langzaam werkten en doordat de kwaliteit van de verrichte werkzaamheden onvoldoende was. Volgens [gedaagde] werden de werkzaamheden niet door [eiser] gecoördineerd. Het bouwproject heeft hierdoor vertraging opgelopen, zodat [gedaagde] genoodzaakt was om zelf de betreffende werkzaamheden te verrichten. Ook werd [gedaagde] door de vertraging geconfronteerd met een hogere betonprijs. Volgens [gedaagde] bedraagt de door haar geleden schade in ieder geval € 4.800,00 exclusief btw. Mocht worden geoordeeld dat [gedaagde] het bedrag van € 2.000,00 toch verschuldigd is, dan beroept [gedaagde] zich op verrekening met de door haar geleden schade.
3 Wat is het oordeel van de kantonrechter?
Partijen zijn het erover eens dat zij een overeenkomst hebben gesloten op grond waarvan [eiser] werkzaamheden moet verrichten voor [gedaagde] en [gedaagde] de gewerkte uren aan [eiser] moet betalen. Ook is niet in geschil dat er door [eiser] werkzaamheden zijn verricht. Partijen verschillen echter van mening over het antwoord op de vraag of [eiser] alle in rekening gebrachte uren heeft gewerkt en [gedaagde] dus alle in rekening gebrachte uren moet betalen. Volgens [gedaagde] zijn de uren tot een bedrag van € 2.000,00 niet gewerkt en daarom onterecht door [eiser] in rekening gebracht bij [gedaagde] . De kantonrechter is van oordeel dat het bedrag van € 2.000,00 onterecht door [eiser] in rekening is gebracht bij [gedaagde] en licht dat als volgt toe.
Het is aan [eiser] om haar stelling dat zij de in de facturen genoemde uren heeft gewerkt, te onderbouwen en toe te lichten. [eiser] heeft dit gedaan door het overleggen van werkbonnen. [gedaagde] betwist het standpunt van [eiser] . [gedaagde] zegt namelijk dat haar manager steeds aanwezig is geweest op de bouwlocatie en dat deze manager heeft geconstateerd dat de door [eiser] ingeschakelde werknemers niet de door hen opgegeven uren hebben gewerkt. De werknemers zouden namelijk te laat starten, te vroeg weggaan en/of te lange pauzes nemen. Daarom heeft [gedaagde] de werkbon van week 49 ook niet getekend.
[eiser] heeft niet aangetoond dat de door haar gefactureerde uren wel degelijk zijn gewerkt. De hiervoor genoemde werkbonnen zijn daartoe onvoldoende, zeker omdat vaststaat dat [gedaagde] de werkbon van week 49 heeft geweigerd voor akkoord te tekenen.
[eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling van 6 oktober 2023 de gelegenheid gekregen om inhoudelijk op de argumenten van [gedaagde] te reageren. [eiser] heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. [eiser] heeft (daardoor) niet betwist dat de door haar ingehuurde krachten minder uren hebben gewerkt dan op de werkbonnen – en daarmee op de facturen – staat aangegeven. De kantonrechter gaat daarom uit van die stelling van [gedaagde] . Er kan dan ook niet worden vastgesteld dat de gefactureerde uren kloppen en dus kan niet worden vastgesteld dat [eiser] deze uren terecht heeft gefactureerd.
Het voorgaande leidt ertoe dat de vordering van [eiser] – te weten: de betaling van € 2.000,00 door [gedaagde] – wordt afgewezen. Doordat de door [eiser] gevorderde hoofdsom wordt afgewezen, zullen ook haar nevenvorderingen (waaronder de wettelijke rente, de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten) worden afgewezen.
Proceskosten
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op € 398,00 (2 punten x tarief € 199,00).
4 De beslissing
De kantonrechter
wijst de vorderingen van [eiser] af,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 398,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, moet [eiser] ook de kosten van betekening betalen.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van Dam, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 15 november 2023.