Verbintenissenrecht
De vordering omtrent betaling van de facturen wordt toegewezen.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 17 juli 2024
ECLI:NL:RBZWB:2024:5015 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 17 juli 2024
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-zeeland-west-brabant/civiel-recht/verbintenissenrecht/bodemzaak/ecli-nl-rbzwb-2024-5015
Zaakgegevens
Op 17 juli 2024 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Middelburg
- Datum uitspraak
- 17 juli 2024
- Datum publicatie
- 19 juli 2024
- Zaaknummer
- 10842718 CV EXPL 23-3346
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Verbintenissenrecht
- Procedure
- BodemzaakBodemzaakDe gewone procedure waarin de rechter definitief over het geschil beslist, in tegenstelling tot een kort geding of voorlopige voorziening.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2024:5015
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De vordering omtrent betaling van de facturen wordt toegewezen.
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer: 10842718 \ CV EXPL 23-3346
Vonnis van 17 juli 2024
in de zaak van
[eiser],
handelend onder de naam [handelsnaam 1],
wonende te [plaats 1],
eiser,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: [gemachtigde],
tegen
[gedaagde] ,
handelend onder de naam [handelsnaam 2],
wonende te [plaats 2],
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 10 januari 2024;
- de mondelinge behandeling van 2 april 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
[gedaagde] is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen of vertegenwoordigd.
Ten slotte heeft de kantonrechter vonnis bepaald.
2 De feiten
[eiser] heeft in de periode oktober 2021 t/m juni 2022 in opdracht van [gedaagde] verschillende werkzaamheden verricht en materialen geleverd. Hij heeft daarvoor aan [gedaagde] vijf facturen gestuurd die in totaal € 20.487,63 bedragen.
Op 1 september 2022 heeft de accountant van [eiser], [accountant], een betalingsherinnering gestuurd aan [gedaagde]. Op 19 september 2022, 29 september 2022 en 11 oktober 2022 heeft [gerechtsdeurwaarder] nogmaals verzocht om betaling.
Op 24/25 oktober 2022 is tussen partijen een betalingsregeling tot stand gekomen. Partijen hebben afgesproken dat de factuur van € 14.516,28 wordt betaald vanuit een bouwdepot en dat de rest wordt afgelost met € 500,00 per maand. [gedaagde] heeft
€ 4.000,00 afgelost en uit het bouwdepot € 14.516,12 betaald.
3 Het geschil en de beoordeling
[eiser] vordert in de dagvaarding de veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 20.598,97, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over € 20.487,63 vanaf 1 december 2023, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Ter zitting heeft [eiser] erkend dat van de gevorderde hoofdsom, buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke handelsrente berekend tot 1 december 2023 na betaling van - in totaal - € 18.516,12, nog € 6.082,85 resteert. [eiser] heeft zijn vordering tot dat bedrag verminderd.
Tegen deze vordering heeft [gedaagde] geen verweer gevoerd. De kantonrechter zal hem daarom veroordelen tot betaling van dit bedrag van € 6.082,85. Ook wijst de kantonrechter de gevorderde wettelijke handelsrente toe vanaf 1 december 2023, nu [eiser] daartoe voldoende heeft aangevoerd en [gedaagde] niet heeft betwist dat hij deze rente is verschuldigd.
Proceskosten
Omdat [gedaagde] de overwegend in het ongelijk gestelde partij is, wordt hij veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten).
[eiser] heeft € 693,00 aan griffierecht betaald. Dat bedrag is gebaseerd op de hoogte van de vordering zoals deze in de dagvaarding is vermeld, zijnde een bedrag van € 20.598,97. In deze zaak bleek dat [gedaagde] al voordat hij werd gedagvaard € 15.571,95 had afgelost. Daarmee bedroeg de vordering ten tijde van de dagvaarding niet € 20.598,97 maar € 9.027,02 (€ 24.598,97? aan hoofdsom, rente en incassokosten - € 15.571,95 aan aflossingen vòòr 4 december 2023) te vermeerderen met de op dat moment verschenen rente. Op basis daarvan zou een bedrag van € 244,00 aan griffierecht zijn geheven. De kantonrechter zal het verschil van € 449,00 aan meer geheven griffierecht op grond van artikel 237, eerste lid, laatste volzin, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voor rekening van [eiser] laten, aangezien deze kosten nodeloos zijn gemaakt. Dat leidt ertoe dat de proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- dagvaarding € 110,03
- griffierecht € 244,00
- salaris gemachtigde € 678,00 (2 punten x € 339,00 per punt)
- nakosten € 169,50
totaal € 1.201,53
4 De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 6.082,85, vermeerderd met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over de afzonderlijke, nog openstaande, factuurbedragen, vanaf 1 december 2023 tot aan de dag van algehele betaling;
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [eiser] vastgesteld op € 1.201,53, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van der Lende-Mulder Smit en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2024.