Verbintenissenrecht
Eindvonnis na eisvermindering waarbij energieleverancier niet langer ontbinding van de overeenkomst tot…
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 4 juni 2025
ECLI:NL:RBZWB:2025:3963 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 4 juni 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-zeeland-west-brabant/civiel-recht/verbintenissenrecht/bodemzaak/ecli-nl-rbzwb-2025-3963
Zaakgegevens
Op 4 juni 2025 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Breda
- Datum uitspraak
- 4 juni 2025
- Datum publicatie
- 25 juni 2025
- Zaaknummer
- 11182725 CV EXPL 24-2313 (E)
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Verbintenissenrecht
- Procedure
- BodemzaakBodemzaakDe gewone procedure waarin de rechter definitief over het geschil beslist, in tegenstelling tot een kort geding of voorlopige voorziening.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2025:3963
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Eindvonnis na eisvermindering waarbij energieleverancier niet langer ontbinding van de overeenkomst tot levering van stadsverwarming en afsluiting stadsverwarming vordert. De gevorderde betalingsachterstand wordt toegewezen.
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 11182725 \ CV EXPL 24-2313
Vonnis van 4 juni 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap ENNATUURLIJK B.V.,
gevestigd te ‘s-Hertogenbosch,
eisende partij,
hierna te noemen: Ennatuurlijk,
gemachtigde: Flanderijn & van Eck,
tegen
[gedaagde] ,
wonende op een geheim adres in de [gemeente] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. A.C.M. van den Kieboom.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 31 december 2024 en de daarin genoemde processtukken;
- de akte van Ennatuurlijk met producties van 15 januari 2025;
- de antwoordakte van [gedaagde] van 7 mei 2025;
- de akte van Ennatuurlijk tot vermindering van eis van 7 mei 2025.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De verdere beoordeling van het geschil
Bij tussenvonnis van 31 december 2024 is Ennatuurlijk in de gelegenheid gesteld om aanmaningen te overleggen waaruit blijkt dat de volgens de Warmteregeling vereiste vermeldingen daarin zijn opgenomen.
Ennatuurlijk heeft vervolgens bij akte aanmaningen overgelegd, waarop [gedaagde] bij antwoordakte heeft gereageerd. Gelijktijdig met de antwoordakte heeft Ennatuurlijk een akte vermindering van eis ingediend. Ennatuurlijk vordert bij akte van 7 mei 2025 dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van het bedrag van € 2.500,00 (als deel van de totale vordering, onder uitdrukkelijke reservering van haar rechten op het restant) vermeerderd met de wettelijke rente over € 4.498,55 vanaf 7 mei 2025 tot alles is betaald, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure. Door deze eisvermindering vordert Ennatuurlijk niet langer een verklaring voor recht dat zij de aansluiting mag onderbreken. Ook vordert zij niet langer ontbinding van de overeenkomst, ontruiming in verband met het onderbreken van de aansluiting en de maandelijkse voorschotbijdrage.
Gezien de eisvermindering kan de beoordeling of Ennatuurlijk aanmaningen heeft verstuurd aan [gedaagde] die voldoen aan de Warmteregeling verder achterwege blijven.
Ten aanzien van de wettelijke rente ex artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek (BW) wijst [gedaagde] bij antwoordakte op haar persoonlijke problemen en voert aan dat toewijzing niet in de rede ligt, danwel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De persoonlijke problemen van [gedaagde] , hoe vervelend ook, staan echter niet in de weg aan toewijzing van de rente omdat die problemen voor haar risico komen. Toewijzing van de rente is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar.
De beperkte vordering van € 2.500,00 zal zoals in het tussenvonnis is overwogen, worden toegewezen. Ook de gevorderde wettelijke rente over € 4.498,55 vanaf 7 mei 2025 zal worden toegewezen.
Omdat [gedaagde] in het ongelijk is gesteld, zal zij op grond van artikel 237 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in de proceskosten (inclusief nakosten) worden veroordeeld. Er zijn geen redenen aanwezig om op grond van beginselen van redelijkheid en billijkheid van de hoofdregel af te wijken. Wel ziet de kantonrechter aanleiding om voor de akte na tussenvonnis van 15 januari 2025 geen salaris toe te kennen omdat dit een nodeloze proceshandeling is geworden na de vervolgens ingediende eisvermindering. Voor die akte eisvermindering is er ook geen recht op loon. De proceskosten van Ennatuurlijk worden begroot op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
112,37 |
|
|
- griffierecht |
€ |
372,00 |
|
|
- salaris gemachtigde |
€ |
306,00 |
(1,5 punt × € 204,00) |
|
- nakosten |
€ |
102,00 |
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
892,37 |
3 De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan Ennatuurlijk te betalen een bedrag van € 2.500,00 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over € 4.498,55 vanaf 7 mei 2025 tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 892,37, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
Dit vonnis is gewezen door mr. Van 't Nedereind en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2025.