Verbintenissenrecht

Vordering tot medehuur, art. 7:267 lid 3 sub a BW. Vader en zoon. Geen duurzame gemeenschappelijke huishouding.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 24 september 2025

Zaakgegevens

Op 24 september 2025 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Bergen op Zoom
Datum uitspraak
24 september 2025
Datum publicatie
29 september 2025
Zaaknummer
11388467 \ CV EXPL 24-3767 (E)
Procedure
Bodemzaak
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2025:6497
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vordering tot medehuur, art. 7:267 lid 3 sub a BW. Vader en zoon. Geen duurzame gemeenschappelijke huishouding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Bergen op Zoom

Zaaknummer: 11388467 \ CV EXPL 24-3767

Vonnis van 24 september 2025

in de zaak van

1 [eiser 1] ,

wonend in [plaats] ,
2. [eiser 2],

wonend in [plaats] ,

eisende partijen,

hierna samen te noemen: [eisers] ,

gemachtigde: mr. P.F.M. Gulickx ,

tegen

CUSTODIAN VESTEDA FUND I B.V.,

gevestigd in Amsterdam,

gedaagde partij,

hierna te noemen: Vesteda ,

gemachtigde: mr. M. Jansen .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 12 februari 2025 en de daarin genoemde stukken;

- de aanvullende productie 5 van Vesteda ;

- de aanvullende productie 12 van [eisers] .

1.2.

Op 26 augustus 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig: de gemachtigden van partijen en de heer [naam] van Vesteda . De beide eisers zijn niet verschenen.

2 De beoordeling

Waar gaat de zaak over?

2.1.

[eiser 2] (zoon) huurt sinds 1 mei 2016 de woning aan [adres] in [plaats] van Vesteda . Sinds 3 oktober 2016 woont [eiser 1] (vader van [eiser 2] ) in de woning. De echtgenote en het minderjarig kind van vader wonen daar ook. [eiser 2] wil dat zijn vader als medehuurder wordt aangemerkt, omdat zij al ruim acht jaar samenwonen en een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren. Vesteda vindt dat de vordering moet worden afgewezen. Vesteda betwist dat sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Ook vindt Vesteda dat de vordering moet worden afgewezen, omdat [eiser 2] niet in de woning wil blijven en het verzoek alleen maar doet om zijn vader de positie van huurder te geven. Ook stelt Vesteda dat [eiser 1] de huur niet zal kunnen betalen, wat volgens haar volgt uit de huurachterstanden en eerdere procedures waarin ontbinding van de huurovereenkomst is gevorderd en toegewezen.

2.2.

De kantonrechter wijst de vordering van [eisers] af, omdat niet is komen vast te staan dat vader en zoon een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren. Dit oordeel zal hierna worden toegelicht.

Er is geen duurzame gemeenschappelijke huishouding

2.3.

Om te kunnen worden aangemerkt als medehuurder, is het (onder andere) noodzakelijk dat vader en zoon [eisers] een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren (artikel 7:267 lid 3 sub a BW). Volgens [eisers] heeft Vesteda erkend dat wordt voldaan aan dit criterium. Daarbij wijst [eisers] op de brief van 22 augustus 2024. Daarin schrijft Vesteda dat op het eerste gezicht lijkt te worden voldaan aan het vereiste van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Vesteda verklaart in deze brief echter niet uitdrukkelijk dat zij vindt dat vader en zoon een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren; zij houdt daarbij een slag om de arm. Van een erkenning kan dus niet worden gesproken.

2.4

Dat betekent dat moet worden beoordeeld of aan het criterium van een duurzame gemeenschappelijke huishouding wordt voldaan. [eisers] heeft zonder onderbouwing gesteld dat dit het geval is. Omdat Vesteda dit heeft betwist, is het aan [eisers] om voldoende concrete feiten aan te voeren waaruit blijkt dat sprake is van een gemeenschappelijke huishouding. Dat heeft [eisers] niet gedaan. Daarmee heeft [eisers] zijn standpunt onvoldoende onderbouwd.

2.5.

Er is dus niet vast komen te staan dat vader en zoon [eisers] een gemeenschappelijke huishouding voeren. Vader [eisers] komt daarom niet in aanmerking voor het medehuurderschap. De vorderingen worden dan ook afgewezen.

Proceskosten

2.6.

[eisers] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Vesteda worden vastgesteld op:

- salaris gemachtigde

€

542,00

(2 punten × € 271,00)

- nakosten

€

135,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

677,00

3 De beslissing

De kantonrechter

3.1.

wijst de vorderingen van [eisers] af,

3.2.

veroordeelt [eisers] in de proceskosten van € 677,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.

Dit vonnis is gewezen door mr. De Danschutter en in het openbaar uitgesproken op 24 september 2025.