Verbintenissenrecht

Regelrechterzaak. Terugbetaling van de aanbetaling voor niet-uitgevoerde werkzaamheden. Verstek.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 17 juni 2026

Zaakgegevens

Op 17 juni 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Middelburg
Datum uitspraak
17 juni 2026
Datum publicatie
4 augustus 2026
Zaaknummer
12093808 RR 26-4
Procedure
Bodemzaak
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:7217
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Regelrechterzaak. Terugbetaling van de aanbetaling voor niet-uitgevoerde werkzaamheden. Verstek.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Middelburg

Zaaknummer: 12093808 RR 26-4

Vonnis van 17 juni 2026 in de experimentele procedure bij de kantonrechter als regelrechter

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [plaats 1] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser] ,

procederend in persoon,

tegen

[gedaagde] , h.o.d.n. [bedrijf] ,

wonende te [plaats 2] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

niet verschenen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het op 5 november 2025 ontvangen aanvraagformulier met bijlagen 1 tot en met 5;

- de oproepingsbrieven van 17 februari 2026;

- de e-mail met eisvermeerdering van [eiser] van 7 mei 2026;

- de mondelinge behandeling van 19 mei 2026.

1.2.

[gedaagde] is niet in de procedure verschenen. Tegen hem is daarom verstek verleend (artikel 14 lid 1 Besluit).

1.3.

Aan het slot van de mondelinge behandeling is bepaald dat vandaag vonnis wordt gewezen.

2 De beoordeling

Waar gaat de zaak over?

2.1.

[eiser] eist in deze procedure, na vermeerdering van eis, betaling van € 3.875,00 (bestaande uit terugbetaling van de aanbetaling van € 3.500,00 en € 375,00 voor het vervangen van de sloten). Volgens hem is het volgende gebeurd. [eiser] heeft op 11 februari 2025 contact gezocht met [gedaagde] via trustoo.nl. Partijen zijn op 17 februari 2025 mondeling en via whatsapp een overeenkomst aangegaan. [eiser] heeft de opdracht gegeven tot het renoveren van zijn zolder aan [adres] te [plaats 1] . Het gaat onder andere om het leggen van een nieuwe vloer en het maken van kasten, een boekenrek en een nieuwe scheidingswand. [eiser] heeft hiervoor een bedrag van € 3.500,00 cash aan [gedaagde] betaald. [gedaagde] heeft op 14 maart 2025 laten weten dat hij de werkzaamheden in de week van 17 maart 2025 zou afronden. Dit is niet gebeurd. [gedaagde] is nog een paar keer langs gekomen, waarbij hij nog een balk heeft bevestigd en drie MDF platen heeft gebracht. Hij heeft deze platen echter buiten laten liggen, waardoor deze inmiddels niet meer bruikbaar zijn. [gedaagde] is daarna niet meer teruggekomen. [eiser] heeft [gedaagde] vervolgens een aangetekende brief gestuurd. Op 18 april 2025 en 4 mei 2025 heeft Blankedal [gedaagde] per e-mail verzocht tot het terugbetalen van de aanbetaling en het terugbrengen van de huissleutel. [gedaagde] heeft de huissleutel van [eiser] niet teruggegeven en de aanbetaling niet terugbetaald. Hierdoor heeft [eiser] de sloten van zijn woning moeten vervangen.

[eiser] krijgt gelijk

2.2.

[gedaagde] is niet verschenen in deze regelrechterzaak. Als de gedaagde in een regelrechterzaak niet rechtsgeldig in het geding verschijnt en de voorgeschreven termijnen en formaliteiten zoals genoemd in artikel 8 derde lid, artikel 9 en artikel 11, eerste lid van het Tijdelijk besluit experiment regelrechter in acht zijn genomen, wordt tegen haar verstek verleend (artikel 14 Tijdelijke besluit experiment regelrechter).

2.3.

De regelrechter is van oordeel dat aan de voorgeschreven termijnen en formaliteiten is voldaan. De regelrechter zal daarom verstek verlenen tegen [gedaagde] . Daarbij merkt de regelrechter op dat de stukken met daarin een uitnodiging voor een zitting op 17 februari 2026 aangetekend aan het adres van [gedaagde] is verzonden. [gedaagde] heeft de stukken echter niet bij het Post-NL punt opgehaald, waarna de stukken retour zijn ontvangen. [gedaagde] is daarnaast op 8 mei 2026 door de rechtbank per e-mail geïnformeerd over de eisvermeerdering van [eiser] , waarbij hij nogmaals is gewezen op de datum van de mondelinge behandeling.

2.4.

De verstekverlening leidt ertoe dat de vorderingen ten aanzien van [gedaagde] zullen worden toegewezen, tenzij deze de regelrechter onrechtmatig of ongegrond voorkomen (artikel 139 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

2.5.

Gelet op hetgeen [eiser] op het aanvraagformulier met de bijgevoegde stukken en de toelichting op de mondelinge behandeling heeft aangevoerd komt de regelrechter de vordering niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal deze worden toegewezen zoals is gevorderd. De wettelijke rente over het gevorderde zal worden toegewezen vanaf de datum van het aanvraagformulier, zijnde 5 november 2025.

[gedaagde] moet de proceskosten betalen

2.6.

[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:

- griffierecht

€

93,00

- een forfaitair bedrag aan reis-, verblijf- en verletkosten vanwege het verschijnen ter zitting

€

50,00

Totaal

€

143,00

Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad

2.7.

Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dat eist en [gedaagde] daar niet op heeft gereageerd (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3 De beslissing

De kantonrechter als regelrechter

3.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 3.875,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het bedrag van € 3.500,00, met ingang van 5 november 2025, tot de dag van volledige betaling,

3.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 143,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,

3.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

Dit vonnis is gewezen door mr. Van Spronssen en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.

Bent u het niet eens met dit vonnis? Dan kunt u in verzet gaan door een schriftelijke mededeling aan de griffier van deze rechtbank, die wordt gedaan per gewone post of langs elektronische weg. Dat doet u in beginsel binnen vier weken na de betekening van het vonnis aan u in persoon of nadat u bekend bent geworden met het vonnis. De termijn begint ook op de dag waarop het vonnis ten uitvoer is gelegd. Er zijn uitzonderingen mogelijk op de termijn van verzet.