Verbintenissenrecht

Regelrechter. Koopovereenkomst auto tussen particulieren. Eiser is bij tussenvonnis in de gelegenheid gesteld…

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 7 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 7 oktober 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Tilburg
Datum uitspraak
7 oktober 2026
Datum publicatie
7 oktober 2026
Zaaknummer
12054795 RR FORM 26-6 (E)
Procedure
Bodemzaak
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:9696
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Regelrechter. Koopovereenkomst auto tussen particulieren. Eiser is bij tussenvonnis in de gelegenheid gesteld om te bewijzen dat sprake was van (ernstig) overmatig olieverbruik ten tijde van aflevering van de auto en hij is daarin geslaagd. De auto is non-conform en daarmee bestaat er een grondslag voor ontbinding van de koopovereenkomst. Vordering tot terugbetaling van de aankoopsom van de auto wordt toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Tilburg

Zaaknummer: 12054795 \ RR FORM 26-6

Vonnis van 7 oktober 2026 in de experimentele procedure bij de regelrechter

in de zaak van

[eiser] ,

te [plaats 1],

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser],

procederend in persoon,

tegen

[gedaagde] ,

te [plaats 2],

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde],

procederend in persoon.

De zaak in het kort

[eiser] heeft een auto gekocht van [gedaagde]. In het tussenvonnis is [eiser] in de gelegenheid gesteld om te bewijzen dat sprake was van (ernstig) overmatig olieverbruik ten tijde van aflevering van de auto. Met de bewijstukken die [eiser] heeft overgelegd is naar het oordeel van de kantonrechter voldoende aannemelijk dat de auto op het moment van aflevering (ernstige) overmatig olieverbruik had. De auto is daardoor non-conform, want dit is niet wat [eiser] mocht verwachten. Daarmee bestaat er een grondslag voor ontbinding van de koopovereenkomst. Dit betekent dat de vordering van [eiser] tot terugbetaling van de aankoopsom van de auto wordt toegewezen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • het tussenvonnis van 17 juni 2026 met de daarin genoemde stukken,

  • de akte van [eiser] met reactie op het tussenvonnis met producties (USB-stick),

  • de akte van [gedaagde] met reactie op het aangeleverde bewijsmateriaal.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

Volhard wordt bij wat is overwogen en beslist in het tussenvonnis van 17 juni 2026. In dat vonnis is [eiser] toegelaten te bewijzen dat sprake was van (ernstig) overmatig olieverbruik ten tijde van aflevering van de auto.

2.2.

[eiser] heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt en heeft op 1 juli 2026 een toelichting en USB-sticks overgelegd met aanvullende stukken. Daarnaast heeft hij ook om uitstel gevraagd om bewijs te leveren. [eiser] heeft vervolgens nog tot uiterlijk woensdag 22 juli 2026 de tijd gekregen voor zijn bewijsopdracht. Hij heeft daarna nog een toelichting ingediend zonder aanvullende bewijsstukken.

2.3.

[gedaagde] heeft vervolgens de gelegenheid gekregen om te reageren op de bewijsopdracht van [eiser]. [gedaagde] heeft hiervan ook gebruik gemaakt en op 14 augustus 2026 een reactie ingediend.

Bewijsopdracht

2.4.

Beoordeeld moet worden of [eiser] in zijn bewijsopdracht is geslaagd. Voor het oordeel dat een partij is geslaagd in een op haar rustende bewijsopdracht moet de kantonrechter een redelijke mate van zekerheid hebben dat het betreffende feit zich heeft voorgedaan. Niet is vereist dat de te bewijzen feiten en omstandigheden onomstotelijk komen vast te staan. Het moet voor de rechter voldoende aannemelijk zijn.

2.5.

De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] met het overgelegde schriftelijke bewijs en de videopnames is geslaagd om zijn stelling te bewijzen dat de auto ten tijde van aflevering (ernstig) overmatig olieverbruik had. De kantonrechter overweegt hiertoe als volgt.

2.6.

[eiser] heeft (nogmaals) verwezen naar de factuur van [bedrijf] waarop als diagnose staat: “Overmatig olieverbruik geconstateerd. vermoedelijk langs de zuigerveren.”. Zoals ook in het tussenvonnis van 17 juni 2026 is geoordeeld, volgt uit deze bewoordingen nog niet dat al sprake was van overmatig olieverbruik ten tijde van aflevering van de auto. [eiser] heeft als extra geleverd bewijsmateriaal een filmpje overgelegd dat hij heeft opgenomen tijdens zijn bezoek aan [bedrijf] op 2 oktober 2025 om 16:24 uur. Op het filmpje is te zien dat de uitlaat van de auto overmatig rookt en dat er olie via de uitlaat naar buiten wordt geblazen. Partijen zijn het er over eens dat hierop duidelijk te zien is dat de motor niet naar behoren functioneert. Op het filmpje is verder te horen dat de monteur aangeeft “dat is duidelijk olieverbruik”, maar ook “dat had hij van tevoren moeten weten”. De kantonrechter begrijpt dat de monteur hiermee bedoelt dat de verkoper/vorige eigenaar van de auto bekend moet zijn geweest met dit olieverbruik van de auto. De kantonrechter is van oordeel dat met deze verklaring van de monteur voldoende aannemelijk is dat bij aflevering van de auto al sprake was van overmatig olieverbruik.

2.7.

Hoewel [gedaagde] weinig waarde hecht aan de verklaring is de kantonrechter van oordeel dat deze verklaring wel op waarde mag worden geschat, omdat een automonteur over het algemeen een deskundige is op dit gebied. [gedaagde] heeft aangevoerd dat de auto zeven dagen voor de verkoop nog APK gekeurd is, maar deze algemene keuring in het kader van de verkeersveiligheid blijft een momentopname, waarbij niet is uitgesloten dat de auto geen problemen heeft. Hetzelfde geldt voor de proefrit. [gedaagde] heeft aangevoerd dat [eiser] tijdens de proefrit en bij hem thuis geen rook of olie uit de uitlaat heeft geconstateerd, maar ook dit is een momentopname geweest waarbij het goed mogelijk is dat het olieverbruik in dat korte tijdsbestek niet is opgemerkt. De kantonrechter weegt in de beoordeling mee dat het gaat om een zeer korte termijn waarop [eiser] de verschillende meldingen heeft gekregen van een laag oliepeil. Gelet op de tijdlijn van [eiser] is dat al meteen één dag na aankoop, waarna [eiser] binnen zes dagen nog tweemaal de olie heeft moeten bijvullen. Zoals ook in het tussenvonnis is overwogen heeft de auto binnen drie weken na levering ongeveer 3 liter op 1.350 kilometer verbruikt. Dit is ruim vele malen hoger dan de indicatie die [gedaagde] heeft medegedeeld, namelijk 1 liter op 10.000 km. [gedaagde] heeft nog aangevoerd dat de motorschade moet zijn ontstaan door de wijze van gebruik van de auto door [eiser], waarbij hij [eiser] verwijt dat hij na de melding van een laag olieniveau nog 40 kilometer met de auto is doorgereden. De kantonrechter is echter van oordeel dat 40 kilometer niet zodanig ver is dat dit [eiser] kan worden verweten. Een brandend olielampje wordt immers vaak pas opgemerkt tijdens het rijden en dan moet vaak eerst nog een stuk gereden worden naar bijvoorbeeld een eerstvolgend tankstation of autogarage.

2.8.

Gelet op de omstandigheden dat vrijwel meteen na aankoop van de auto meerdere keren olie bijgevuld moest worden en binnen een week na aankoop bij [bedrijf]

geconstateerd wordt dat er sprake is van overmatig olieverbruik en de monteur verklaart dat dit al bekend had moeten zijn, is naar het oordeel van de kantonrechter voldoende aannemelijk dat op het moment van aflevering ook al sprake was van overmatig olieverbruik.

Conclusie

2.9.

De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] in zijn opgedragen bewijs is geslaagd. Hierdoor komt voldoende vast te staan dat de auto ten tijde van aflevering (ernstig) overmatig olieverbruik had en daardoor non-conform is. Dit is niet wat [eiser] – mede gelet op de hierover door [gedaagde] gedane mededeling over het olieverbruik, ook al was dit volgens [gedaagde] slechts een indicatie – mocht verwachten van de auto. Dit betekent dat er een tekortkoming kan worden vastgesteld op basis waarvan [eiser] tot ontbinding van de koopovereenkomst kan overgaan.

[gedaagde] moet aan [eiser] betalen

2.10.

Gebleken is dat [eiser] op 4 oktober 2025 [gedaagde] in gebreke heeft gesteld en [gedaagde] een redelijke termijn heeft gegeven om met een oplossing te komen. Vast staat dat [gedaagde] niet tot herstel van de auto of tot een andere oplossing is overgegaan, zodat hij daarmee in verzuim is. Dit brengt mee dat [eiser] tot ontbinding van de koopovereenkomst kan overgaan. Door de ontbinding van de koopovereenkomst ontstaat voor partijen de verplichting tot ongedaanmaking van de prestaties die zij van elkaar hebben ontvangen. Dit betekent dat [gedaagde] de koopsom aan [eiser] moet terugbetalen en dat [eiser] de auto aan [gedaagde] moet terugleveren. Op grond van het voorgaande kan de vordering van [eiser] tot terugbetaling van het aankoopbedrag van € 3.900,00 worden toegewezen.

De proceskosten

2.11.

[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht

€

93,00

- verletkosten

€

50,00

Totaal

€

143,00

3 De beslissing

De kantonrechter als regelrechter

3.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 3.900,00,

3.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 143,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.

Dit vonnis is gewezen door Goossens en in het openbaar uitgesproken op

7 oktober 2026.