Strafrecht overig

Veroordeling verkrachting. Gevangenisstraf 4 jaar met aftrek voorarrest.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 27 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 27 oktober 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Breda
Datum uitspraak
27 oktober 2026
Datum publicatie
27 oktober 2026
Zaaknummer
02-239954-25
Procedure
Op tegenspraak
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:10414
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Veroordeling verkrachting. Gevangenisstraf 4 jaar met aftrek voorarrest.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02-239954-25

Vonnis van de meervoudige kamer van 27 oktober 2026

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1990,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres 1] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats 2] ,

raadsman mr. J.J. Bronsveld, advocaat te Bergen op Zoom.

1 Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 13 oktober 2026, waarbij de officier van justitie mr. I.M. Peters en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 8 september 2025 met gebruik van dwang, geweld en bedreiging [slachtoffer] heeft verkracht.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen bewijsverweer gevoerd.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1.

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2.

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen, waaronder de aangifte en de verklaring van verdachte, het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen, zodanig als onder 4.4 is omschreven.

4.4.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 08 september 2025 te [plaats 1]
met een persoon, te weten [slachtoffer] , geboren [geboortedag 2] 1997 te [geboorteplaats] , seksuele handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, immers heeft verdachte,
- zijn penis in de mond van die [slachtoffer] gebracht en zich (vervolgens) laten pijpen door die [slachtoffer] , terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak en welke opzetverkrachting werd voorafgaan door en vergezeld van dwang, geweld en bedreiging, immers heeft verdachte,

- die [slachtoffer] bij haar nek en in haar gezicht vastgepakt en/of gegrepen en
- die [slachtoffer] (vervolgens) op de grond geduwd en/of gegooid en
- die [slachtoffer] aan haar haren getrokken
- zijn, verdachtes, penis in de mond van die [slachtoffer] gebracht en gehouden, terwijl hij, verdachte, klaarkwam en
- tegen die [slachtoffer] gezegd dat ze hem, verdachte, moest pijpen en zakelijk weergegeven, ‘ik hoef alleen in je mond klaar te komen’ en ‘als je nog een keer geluid maakt sla ik je dood, weet dat ik dat kan’.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De oplegging van een straf en/of een maatregel

6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen de maatregel van terbeschikking-stelling (hierna: tbs) met verpleging van overheidswege. De deskundigen hebben een stoornis bij verdachte vastgesteld en de kans op recidive wordt door hen verhoogd ingeschat (van bovengemiddeld tot zelfs hoog). Er is weliswaar niet vastgesteld dat er een causaal verband bestaat tussen de stoornis en het gedrag, maar dit is geen vereiste voor het opleggen van de tbs-maatregel. Oplegging daarvan acht de officier van justitie noodzakelijk gelet op het recidiverisico en het belang van bescherming van de maatschappij. Subsidiair vordert de officier van justitie het opleggen van een gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel (hierna: GVM) en een contact- en locatieverbod op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: 38v-maatregel), zoals door de reclassering is geadviseerd.

Daarnaast vordert de officier van justitie een gevangenisstraf op te leggen van 4 jaar met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat er twee rapportages over verdachte zijn opgesteld waarin geen advies tot het opleggen van een tbs-maatregel wordt gegeven. De verdediging acht oplegging van tbs niet noodzakelijk, temeer nu verdachte in het verleden niet is veroordeeld voor zedenfeiten. Hulp aan verdachte kan ook op een andere manier gegeven worden. De verdediging verzoekt de eis van de officier van justitie om tot oplegging van de tbs-maatregel over te gaan af te wijzen.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

Aard en ernst van het feit

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verkrachting door het slachtoffer onder bedreiging met de dood en met grof geweld te dwingen tot het ondergaan van een orale seksuele handeling (pijpen), waarbij verdachte in de mond van het slachtoffer is klaargekomen.

Seksueel geweld als het onderhavige maakt een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit, de persoonlijke levenssfeer en de seksuele autoriteit van het slachtoffer. Door zo te handelen heeft verdachte louter gehandeld uit eigen seksuele behoeftebevrediging, zonder acht te slaan op de wil, de grenzen en het welzijn van het slachtoffer. Een dergelijk feit veroorzaakt in de regel niet alleen acute gevoelens van angst, machteloosheid en vernedering, maar kan ook langdurige psychische en emotionele schade tot gevolg hebben voor het slachtoffer. Dat dit ook hier het geval is, blijkt uit de indrukwekkende slachtofferverklaring zoals deze tijdens de zitting is afgelegd. De verkrachting heeft het leven van aangeefster [slachtoffer] veranderd. Ze voelt zich slecht en heeft weinig energie meer. De persoon die zij was, is zij kwijt. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

Daarnaast zorgen dergelijke feiten voor gevoelens van onveiligheid in de maatschappij in het algemeen en voor vrouwen in het bijzonder.

Opleggen van een maatregel

De vraag die de rechtbank allereerst zal beantwoorden, is of de noodzaak bestaat tot het opleggen van tbs met verpleging van overheidswege, dan wel een GVM en/of 38v-maatregel, zoals geëist door de officier van justitie.

De persoon van verdachte

Uit het rapport van psychiater [psychiater] van 16 februari 2026 komt naar voren dat bij verdachte sprake is van een antisociale persoonlijkheidsstoornis, een intellectuele beperking en matige tot lichte stoornissen in het gebruik van alcohol, cocaïne en cannabis. Het recidiverisico wordt ingeschat als bovengemiddeld, waarbij dit risico niet direct samenhangt met de beschreven stoornissen. De overige vragen konden niet worden beantwoord, omdat door de ontkenning van verdachte geen delictscenario kon worden opgesteld. Hierdoor is het onduidelijk gebleven of en in welke mate de stoornissen een rol hebben gespeeld bij het tenlastegelegde feit, en of en in hoeverre zijn wilsvrijheid hierbij beperkt was.

Psycholoog drs. [psycholoog] komt tot een (vrijwel) gelijke diagnose als de psychiater. Er wordt daarnaast een matig/hoog recidiverisico vastgesteld. Hoewel het onderhavige onderzoek wel leidde tot het diagnosticeren van verschillende vormen van psychopathologie bij verdachte, kon in verband met zijn ontkenning van het tenlastegelegde niet worden gekomen tot het opstellen van een delictscenario, zodat niet kon worden bepaald of en in hoeverre deze vormen van psychopathologie een (deels) veroorzakende rol speelden in het huidige tenlastegelegde. Om die reden kan niet in kaart worden gebracht voor welke behandelingsvormen verdachte in aanmerking zou kunnen komen, noch kan een uitspraak worden gedaan over een juridisch kader waarin een eventuele behandeling vorm zou moeten krijgen.

Ook de reclassering heeft op 10 juli 2026 een rapport over verdachte opgemaakt. Hieruit komt naar voren dat bij verdachte nauwelijks sprake is van beschermende factoren. Hij heeft schulden, geen woning meer, regelmatig conflicten met zijn ex-vriendin over de omgang met hun dochter en er is sprake van problematisch middelengebruik. Verdachte erkent echter alleen problemen met zijn financiën en heeft alleen op dat gebied een hulpvraag. De kans op recidive wordt door de reclassering ingeschat als hoog. Gelet op de ontkennende houding van verdachte is de reclassering niet tot een inhoudelijk strafadvies gekomen. Indien hij schuldig wordt bevonden zien zij geen andere mogelijkheid dan om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf te adviseren. Daarnaast adviseert de reclassering een GVM op te leggen om langdurig toezicht op verdachte mogelijk te maken en een contactverbod en eventueel een locatieverbod in de vorm van een 38v-maatregel.

De rechtbank sluit zich aan bij de conclusie van de psychiater en psycholoog dat sprake is van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis bij verdachte. De rechtbank stelt voorts op grond van artikel 37a, eerste lid en onder 2 Sr vast dat het onderhavige feit een feit betreft waarvoor een tbs-maatregel kan worden opgelegd.

De rechtbank ziet echter in hetgeen door de deskundigen is overwogen en ook overigens uit de stukken en ter zitting is gebleken, onvoldoende aanleiding voor het opleggen van de maatregel tbs met dwangverpleging als de aangewezen en meest doeltreffende maatregel voor verdachte. De rechtbank overweegt hiertoe dat de rapportages onvoldoende richting en concrete onderbouwing geven dat deze maatregel op dit moment daadwerkelijk het optimum remedium vormt in het kader van de voorkoming van recidive. De rechtbank acht hierbij met name ook van belang dat niet kan worden bepaald of en in hoeverre de hiervoor genoemde vormen van psychopathologie een direct veroorzakende rol speelden in het huidige tenlastegelegde. De rechtbank ziet voldoende mogelijkheden om de voor verdachte noodzakelijke zorg en behandelinterventies ook buiten het kader van tbs vorm te geven. De rechtbank ziet hiervoor mogelijkheden binnen het kader van een eventuele voorwaardelijke invrijheidstelling en/of de GVM.

Gelet op de aard en de ernst van het feit is de rechtbank van oordeel dat daarnaast alleen een gevangenisstraf van een aanzienlijke duur een passende strafrechtelijke reactie is. Voor de bepaling van de hoogte hiervan heeft de rechtbank ook gekeken naar gevangenisstraffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van

4 jaar, met aftrek van de periode die verdachte in voorarrest heeft gezeten, passend en geboden is.

Naast de gevangenisstraf zal de rechtbank ook een GVM, - de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z Sr - , opleggen. Daarmee wordt de mogelijkheid gecreëerd om verdachte ook na afloop van de gevangenisstraf onder toezicht te stellen indien dat in verband met dan bestaande risico’s noodzakelijk is. Aan de wettelijke vereisten voor oplegging van de maatregel is voldaan. De beoordeling van de noodzaak tot tenuitvoerlegging van de maatregel, en indien nodig onder welke voorwaarden, zal in de laatste fase van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf plaatsvinden. Gelet op de op te leggen straf en de GVM ziet de rechtbank – anders dan de officier van justitie – geen noodzaak om een contact- en locatieverbod op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

7 De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 14.574,62, bestaande uit € 2.074,62 aan materiële schade en € 12.500,- aan immateriële schade.

De rechtbank heeft hiervoor bewezen verklaard dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.

De door de benadeelde gevorderde materiële schadevergoeding van € 2.074,62 acht de rechtbank geheel toewijsbaar. Deze schade staat in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit. De vordering is niet betwist door de verdediging.

De door de benadeelde partij gevorderde immateriële schadevergoeding van € 12.500,- acht de rechtbank eveneens geheel toewijsbaar. De rechtbank is van oordeel dat verdachte met het bewezenverklaarde op grove wijze inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van de benadeelde partij. De aard en de ernst van de normschending door verdachte brengt mee dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’, zodat zij in aanmerking komt voor vergoeding van immateriële schade. Gelet op alle omstandigheden en de bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, acht de rechtbank vergoeding van het gevorderde bedrag van € 12.500,- billijk.

De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel. Tot slot zal de rechtbank de wettelijke rente toewijzen vanaf 8 september 2025.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 38z en 243 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

gekwalificeerde opzetverkrachting;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 jaren;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- Gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel

legt aan verdachte op de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 14.574,62, waarvan € 2.074,62 aan materiële schade en € 12.500,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 september 2025 tot aan de dag der voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer] , € 14.574,62 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 september 2025 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat bij niet- of niet volledige betaling 107 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.H.M. Pastoors, voorzitter, mr. D.S.G. Froger-Zeeuwen en mr. M.H.M. Collombon, rechters, in tegenwoordigheid van K. van Rijs, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 27 oktober 2026.

Mrs. Froger-Zeeuwen en Collombon zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

hij op of omstreeks 08 september 2025 te [plaats 1]
met een persoon, te weten [slachtoffer] , geboren [geboortedag 2] 1997 te [geboorteplaats] , een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, immers heeft verdachte,
meermalen, althans eenmaal
- zijn penis in de mond van die [slachtoffer] gebracht en zich (vervolgens) laten pijpen door die [slachtoffer] , terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak en welke opzetverkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, immers heeft verdachte, meermalen, althans eenmaal,
- die [slachtoffer] bij haar nek en/of in haar gezicht vastgepakt en/of gegrepen en/of
- die [slachtoffer] (vervolgens) op de grond geduwd en/of gegooid en/of
- die [slachtoffer] aan haar haren getrokken
- zijn, verdachtes, penis in de mond van die [slachtoffer] gebracht en/of gehouden, terwijl hij, verdachte, klaarkwam en/of
- tegen die [slachtoffer] gezegd dat ze hem, verdachte, moest pijpen en/of zakelijk weergegeven, ‘ik hoef alleen in je mond klaar te komen’ en/of‘als je nog een keer geluid maakt sla ik je dood, weet dat ik dat kan’, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;
( art 243 lid 2 Wetboek van Strafrecht )