Strafrecht overig

Bewezenverklaring hennepkwekerij, diefstal stroom en schuld aan brand met gevaar voor goederen.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 27 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 27 oktober 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Breda
Datum uitspraak
27 oktober 2026
Datum publicatie
26 oktober 2026
Zaaknummer
02-003044-23
Procedure
Op tegenspraak
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:10401
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Bewezenverklaring hennepkwekerij, diefstal stroom en schuld aan brand met gevaar voor goederen.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02-168061-24

Parketnummer TUL: 02-003044-23

Vonnis van de meervoudige kamer van 27 oktober 2026

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedag] 1985,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres 1],

raadsman mr. I. Azarkan, advocaat te Roosendaal.

1 Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 13 oktober 2026, waarbij de officier van justitie mr. I Bouhdan en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 20 oktober 2023, al dan niet samen met anderen,

  1. een grote hoeveelheid hennepplanten heeft gekweekt;

  2. een grote hoeveelheid elektriciteit heeft gestolen, en

  3. door de ondeugdelijke aanleg van de elektriciteit voor die hennepkwekerij, schuld heeft gehad aan het ontstaan van brand met gevaar voor goederen.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten, omdat uit het onderzoek onvoldoende is gebleken wat de rol van verdachte was, anders dan zijn formele betrokkenheid als degene die in de Basisregistratie Personen (BRP) als enige bewoner van de woning ingeschreven stond. Hij vordert daarom vrijspraak van de gehele tenlastelegging.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de ten laste gelegde feiten. Het dossier bevat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte de kwekerij heeft geëxploiteerd of dat hij ervan wist. Het enkele feit dat verdachte de huurder was van de woning en daar stond ingeschreven, is hiervoor onvoldoende. Bovendien zijn er aanwijzingen dat een ander dan verdachte verbleef in de woning. Verdachte heeft een overeenkomst van onderhuur overgelegd, welke concreet en verifieerbaar is, waaruit blijkt dat de woning destijds was onderverhuurd.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1.

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2.

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Op 20 oktober 2023 wordt een melding ontvangen over een woningbrand op [adres 2]. Bij het binnentreden van de woning wordt een hennepkwekerij aangetroffen. In vier ruimtes in de woning, drie op de eerste verdieping en één op zolder, worden moederplanten en hennepstekken aangetroffen. In alle ruimtes wordt de luchtverversing en -afvoer geregeld door een aan- en afzuiginstallatie. Ook worden er resten van hennepplanten aangetroffen en is er sprake van flinke vervuiling van de gebruikte apparatuur en andere materialen. Daarnaast blijkt dat er een illegale elektriciteitskabel is aangelegd die buiten de meter om liep en de elektrische installatie voorzag van elektriciteit. Door het aftappen van de stroom buiten de elektriciteitsmeter en de hoofdbeveiliging om is brand in de woning ontstaan. Op de zolder van de woning was op een houten plaat een schakelbord met minimaal 23 transformatoren gemaakt die door het rechtstreekse illegale aftappen van de stroom overbelast en oververhit werden. De zekering die normaliter zou zorgen voor het uitschakelen van de stroom ontbrak nu, waardoor de opbouw van de temperatuur niet werd gestopt. Hierdoor is de houten plaat waar de transformatoren aan waren bevestigd uiteindelijk tot ontbranding gekomen. Uit het forensische onderzoek blijkt dat de brand op zolder bij het schakelbord is ontstaan. Door de brand was de zolder zwaar beschadigd. Het halve dak was verdwenen, er lagen versmolten elektriciteitsdraden met daartussen verbrande delen van een koolstoffilter en de houten trap naar de zolder was aan de bovenzijde zwaar beschadigd. Ook was de woning zwart geblakerd van roetaanslag.

Verdachte stond als enige bewoner ingeschreven in deze woning. Hij huurde de woning van Stadlander en was contractant bij Enexis.

De verklaring van verdachte en het onderzoek daarnaar

Bij de politie is verdachte op 6 december 2023 als verdachte over deze feiten gehoord. Hij heeft zich daar bij alle vragen op zijn zwijgrecht beroepen. De rechter-commissaris heeft in 2024 bij de (toenmalig) raadsman van verdachte onderzoekswensen opgevraagd, maar die zijn niet ingediend.

Eerst op de voor de inhoudelijke behandeling van de strafzaak geplande dag, 23 maart 2025, heeft de verdediging het verzoek gedaan om [getuige] als getuige te horen. De verdediging heeft een (onvolledige) huurovereenkomst met ingangsdatum 1 september 2023 aan de rechtbank verzonden, met twee kopieën van een paspoort op naam van [getuige] met op één daarvan een handtekening en de datum van 1 september 2023 geschreven. Verdachte zou de woning aan deze [getuige] onderverhuurd hebben. De rechtbank heeft het verzoek van de verdediging om de behandeling van de zaak aan te houden voor het horen van de [getuige] toegewezen. Blijkens het proces-verbaal van de rechter-commissaris van 25 maart 2026 heeft het verhoor van de getuige, die geen vaste woon- of verblijfplaats heeft, niet plaats kunnen vinden omdat hij niet is verschenen bij het getuigenverhoor. Op 16 maart 2026 is er van de officier van justitie nieuwe informatie over een mogelijke verblijfplaats van de getuige ontvangen. De verdediging heeft echter afstand gedaan van het horen van de getuige omdat de eerdere pogingen niets hebben opgeleverd en verdachte zo snel mogelijk een inhoudelijke behandeling wenst.

Verdachte heeft op de zitting van 13 oktober 2026 verklaard dat hij niets te maken had met de hennepkwekerij en dat hij hiervan ook niet op de hoogte was. Verdachte had de woning onderverhuurd aan zijn goede vriend [getuige]. Hij ontving de huur contant per maand van hem, waarna hij het bedrag op zijn rekening stortte. Op deze zitting heeft verdachte ook voor het eerst verklaard dat hoewel de huur volgens de overgelegde overeenkomst pas per 1 september 2023 is ingegaan, de onderhuurder al vanaf februari 2023 in de woning zou hebben verbleven. De reden dat de huurovereenkomst op een latere datum is opgemaakt, zou erin zijn gelegen dat verdachte en de onderhuurder eerder niet waren toegekomen aan het opstellen van deze overeenkomst.

De rechtbank stelt vast dat verdachte daarmee zijn verklaring over onderhuur aan [getuige] en de huurovereenkomst in een zeer laat stadium van de procedure heeft ingediend. Bovendien is deze huurovereenkomst incompleet. Er ontbreken artikelen, zo gaat de overeenkomst van artikel 5 naar 15, en ontbreekt de handtekening van de (onder)huurder op de overeenkomst. De overeenkomst zelf is alleen ondertekend door verdachte, als verhuurder. Alleen op de bijgevoegde kopie van het paspoort van [getuige] staat een handtekening, zodat niet zonder meer duidelijk is dat [getuige] ook voor de overeenkomst heeft getekend. Daar komt nog bij dat de ingangsdatum van de gestelde overeenkomst 1 september 2023 is, terwijl verdachte heeft verklaard dat de onderhuurder al per februari 2023 woonachtig zou zijn in de woning. De verklaring van verdachte waarom het niet eerder mogelijk was om een huurovereenkomst op te stellen en te ondertekenen overtuigt de rechtbank niet. Verdachte zou immers ook maandelijks zelf contante betalingen hebben ontvangen van deze [getuige] en deze bedragen op zijn bankrekening hebben gestort. Afschriften van deze stortingen zijn overigens niet overgelegd.

Verder heeft verdachte ter zitting een e-mail van 15 november 2023 overgelegd van de woningbouwcoöperatie. Hieruit blijkt dat verdachte [getuige] heeft opgegeven als de aannemer die de (herstel)werkzaamheden zal gaan uitvoeren, die verdachte na de brand als vertrekkende huurder verplicht is uit te voeren. Daaruit blijkt niet dat verdachte, zoals hij heeft verklaard, aan Stadlander heeft gemeld dat hij de woning had onderverhuurd aan [getuige]. De rechtbank acht niet aannemelijk dat Stadlander de onderhuurder die ten tijde van het aantreffen van de hennepkwekerij de woning gehuurd zou hebben en verantwoordelijk voor de brand zou zijn, vervolgens als aannemer zou aanmerken en accepteren. Verdachte is ook overigens niet consistent in zijn verklaringen. Zoals hiervoor overwogen heeft verdachte verklaard dat hij maandelijks een contante betaling van [getuige] ontving, maar ook dat hij in de zomer van 2023 drie maanden in Marokko is geweest. Verdachte stond tijdens de hele periode van de vermeende onderhuur als enige ingeschreven op [adres 2] en uit de gegevens van de BRP blijkt dat hij zelfs tot 21 mei 2024 daar stond ingeschreven. Ook heeft verdachte zelf tijdens zijn verhoor op 6 december 2023 geen andere woonplaats opgegeven. Mede met inachtneming daarvan is niet aannemelijk geworden dat hij in de betreffende periode op een ander adres verbleef dan het adres waar hij stond ingeschreven, zoals hij ter zitting heeft verklaard.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het door verdachte gestelde alternatieve scenario dat hij de woning had onderverhuurd, niet aannemelijk is geworden. Bij dit oordeel heeft de rechtbank tevens betrokken dat verdachte eerder is veroordeeld voor een Opiumwet feit en ook in die zaak zijn betrokkenheid ontkende en de verantwoordelijkheid bij een onderhuurder neerlegde.

Conclusie ten aanzien van het bewijs

De rechtbank staat vervolgens voor de vraag of verdachte als enig huurder van de woning verantwoordelijk kan worden gehouden voor de aangetroffen hennepkwekerij en de daarmee samenhangende diefstal van de stroom en de ontstane brand. Dit kan in het geval dat de huurder, ondanks dat alles in zijn richting wijst, geen aannemelijke verklaring aflegt over de hem belastende feiten en omstandigheden. Daarbij is ook van belang of er van enige betrokkenheid van mogelijke andere personen is gebleken. Verdachte heeft geen aannemelijke verklaring afgelegd, nu de rechtbank zoals hiervoor is overwogen de verklaring van verdachte over de onderhuur niet aannemelijk geworden acht. Daarbij stelt de rechtbank vast dat uit het dossier onvoldoende aanwijzingen volgen voor de betrokkenheid van anderen. Het kan dan ook niet anders zijn dan dat verdachte, als huurder van de woning, degene is geweest die de kwekerij in zijn woning heeft geëxploiteerd. Om deze teelt mogelijk te maken heeft verdachte tevens stroom gestolen.

Het is een feit van algemene bekendheid en moet dus ook bij verdachte bekend zijn geweest, dat hennepkwekerijen een zeer aanzienlijke hoeveelheid stroom vragen en dat de daarvoor benodigde elektrische installaties doorgaans illegaal en veelal op onprofessionele wijze worden aangelegd, met daarbij hoge risico’s op overbelasting, kortsluiting en brand. Van verdachte, die hennep in zijn woning teelde, mocht daarom worden verwacht dat hij zich van de deugdelijkheid van de daarvoor aangelegde elektrische installatie had vergewist. Verdachte heeft dit nagelaten. Door dit nalaten is er sprake van aanmerkelijke onvoorzichtigheid. Door de kwekerij en de daarbij illegale en onveilige aftakking van de stroom is brand ontstaan, waardoor gevaar voor goederen, namelijk het pand, is ontstaan.

De rechtbank acht de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

4.4.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1

op 20 oktober 2023 te [plaats] opzettelijk heeft geteeld een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, te weten 8194 hennepplanten en -stekken, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

2

op 20 oktober 2023 te [plaats] een hoeveelheid elektriciteit, die aan Enexis toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte dat te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

3

op 20 oktober 2023 te [plaats] aanmerkelijk onvoorzichtig in een pand gelegen aan [adres 2], een hennepkwekerij aanwezig heeft gehad, terwijl die hennepkwekerij was voorzien van een onveilig, ondeugdelijk aangelegde elektrische constructie, ten gevolge waarvan het aan zijn schuld te wijten is geweest, dat het pand gelegen op voornoemd adres gedeeltelijk is verbrand en daardoor gemeen gevaar voor dat pand ontstond.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert vrijspraak voor de ten laste gelegde feiten.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft subsidiair, als het tot een veroordeling zou komen, verzocht om rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn. Daarnaast dienen ook de persoonlijke omstandigheden van verdachte meegewogen te worden. Verdachte heeft sinds 2023 geen strafbare feiten meer gepleegd, is werkzaam als kok in vaste dienst en heeft een gezin. Indien verdachte gedetineerd raakt, verliest hij zijn inkomen en worden de betalingsregelingen met het CJIB gestopt.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het telen van een grote hoeveelheid hennepplanten en stekken. Verdachte heeft hierdoor een bijdrage geleverd aan de handel in softdrugs en de daarmee gepaard gaande criminaliteit. Voor het telen van de hennep heeft verdachte gebruik gemaakt van een illegale stroomvoorziening. Naast het benadelen van de energieleverancier, levert dit ook grote veiligheidsrisico’s op. Dit weegt nog zwaarder nu het gaat om een illegale aftakking die in een woning met aangrenzende woningen was aangebracht. In deze zaak is ook daadwerkelijk brand ontstaan, met gevaar voor goederen. Verdachte heeft zich kennelijk om al deze gevolgen niet bekommerd en heeft enkel gehandeld met het oog op zijn eigen financiële gewin.

Uit het strafblad van verdachte van 28 augustus 2026 volgt dat verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke zaken. Hierdoor is sprake van recidive, wat de rechtbank in strafverzwarende zin meeweegt. Ook liep verdachte nog in een proeftijd wegens een veroordeling voor een Opiumwetfeit. Daarnaast blijkt uit het strafblad dat artikel 63 Wetboek van Strafrecht van toepassing is, aangezien verdachte op 18 februari 2025 is veroordeeld door het gerechtshof in Den Bosch.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 29 september 2026. Hieruit volgt dat er bij verdachte sprake is van een delictpatroon met betrekking tot de Opiumwet. Eerdere justitiële interventies en strafrechtelijke afdoeningen hebben verdachte er niet van weerhouden opnieuw in aanraking te komen met soortgelijke feiten. De leefgebieden van verdachte, waaronder het sociaal netwerk, de huisvesting en zijn houding zijn mogelijk delictgerelateerd. Ook is er sprake van financiële problematiek. De schulden van verdachte zijn in de afgelopen jaren alleen maar toegenomen. De reclassering ziet het werk van verdachte als positief punt, net als het uitblijven van nieuwe verdenkingen of veroordelingen voor feiten na 2023. Echter, ondanks deze positieve ontwikkelingen, acht de reclassering deze onvoldoende om het aanwezig recidiverisico wezenlijk naar beneden te brengen. Mede omdat de intrinsieke motivatie van betrokkene voor reclasseringstoezicht en eventuele bijzondere voorwaarden gering lijkt te zijn. De reclassering adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden en ziet geen mogelijkheden om met interventies of toezicht de risico's te beperken of het gedrag te veranderen.

Gelet op de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd, de recidive en de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, ziet de rechtbank geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie dan een gevangenisstraf. Daarbij ziet de rechtbank geen aanleiding voor een voorwaardelijk deel, mede gelet op het reclasseringsadvies.

Als uitgangspunt geldt dat de behandeling van een zaak ter terechtzitting binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen met een eindvonnis moet zijn afgerond. In deze zaak is verdachte op 6 december 2023 verhoord door de politie. Die dag geldt als de dag waarop voornoemde termijn is aangevangen, omdat verdachte daaraan de verwachting kon ontlenen dat hij zou worden vervolgd voor enig strafbaar feit. Dit betekent dat het vonnis voor 6 december 2025 had moeten worden uitgesproken. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, is overschreden. De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding een matiging van de op te leggen straf tot gevolg moet hebben.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van achttien weken passend. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn zal de rechtbank een gevangenisstraf van zestien weken opleggen.

7 De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij Enexis Netbeheer B.V. vordert een schadevergoeding van € 11.347,67 voor feit 2.

Dit bedrag bestaat uit geleden materiële schade en omvat de posten illegaal afgenomen elektriciteit, administratiekosten, uurtarief fraude-inspecteur, uurtarief monteur, afsluitkosten elektriciteit buiten, elektriciteitsmeter slim en het capaciteitstarief.

De rechtbank heeft bewezen verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.

De raadsman heeft de gevorderde posten betwist. Deze zouden niet rechtstreeks door het feit zijn veroorzaakt. Daarbij omvat de vordering een langere periode dan de ten laste gelegde dag. Derhalve dient de vordering te worden afgewezen, althans te worden gematigd.

De rechtbank is van oordeel dat vergoeding van de schade veroorzaakt over een periode voorafgaand aan de bewezenverklaarde dag waarop er sprake was van diefstal van elektriciteit kan worden toegewezen. Op grond van de bewijsmiddelen is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij in de betreffende periode ook schade heeft geleden (zie het arrest van de Hoge Raad van 17 oktober 2017: ECLI:NL:HR:2017:2637).

Daarnaast kunnen redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid en ter beperking van de schade in aanmerking komen voor vergoeding op grond van artikel 6:96, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek. De gevorderde kosten acht de rechtbank redelijk en redelijkerwijs noodzakelijk om de omvang van de schade vast te kunnen stellen. Derhalve hebben deze kosten te gelden als rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde.

De rechtbank zal de volledige vordering toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 20 oktober 2023. De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

8 De vordering tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van deze rechtbank van 12 mei 2023 ten uitvoer zal worden gelegd.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 57, 63, 158 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de

Opiumwet gegeven verbod;

feit 2: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;

feit 3: aan zijn schuld brand te wijten zijn, terwijl daardoor gemeen gevaar voor goederen ontstaat;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 16 weken;

Benadeelde partij

T.a.v. feit 2

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij Enexis Netbeheer B.V. van € 11.347,67, aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 20 oktober 2023 tot aan de dag der voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer Enexis Netbeheer B.V., € 11.347,67 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 20 oktober 2023 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 81 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Vordering tenuitvoerlegging

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis van 12 mei 2023 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 02-003044-23 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten

1 maand gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. V.M. Schotanus, voorzitter, mr. C.H.M. Pastoors en mr. M.H.M. Collombon, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.A. Lequin, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 27 oktober 2026.

De voorzitter, de jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

1
hij op of omstreeks 20 oktober 2023 te [plaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, te weten 8194 hennepplanten en/of -stekken, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

( art 11 lid 5 Opiumwet, art 3 ahf/ond B Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )

2
hij op of omstreeks 20 oktober 2023 te [plaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een grote hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Enexis, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;

( art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht )

3
hij op of omstreeks 20 oktober 2023 te [plaats], tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam in een pand gelegen op/aan [adres 2], een hennepkwekerij aanwezig heeft gehad, terwijl die hennepkwekerij was voorzien van een onveilig, ondeugdelijk aangelegde elektrische constructie, (mede) ten gevolge waarvan het aan zijn en/of zijn mededaders schuld te wijten is geweest, dat het pand gelegen op voornoemd adres geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval, dat er brand is ontstaan en daardoor gemeen gevaar voor dat pand en/of de aangrenzende panden, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, ontstond;

( art 158 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )