Strafrecht overig
Poging tot aanranding met minderjarige beneden de 12 jaar en bedreiging. Voorwaardelijke PIJ-maatregel.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 29 oktober 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:10508 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 29 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-zeeland-west-brabant/strafrecht/strafrecht-overig/op-tegenspraak/ecli-nl-rbzwb-2026-10508
Zaakgegevens
Op 29 oktober 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Middelburg
- Datum uitspraak
- 29 oktober 2026
- Datum publicatie
- 29 oktober 2026
- Zaaknummer
- 02-137202-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Op tegenspraakOp tegenspraakBeide partijen – of in een strafzaak de verdachte – hebben zich verweerd; het tegenovergestelde van verstek.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2026:10508
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Poging tot aanranding met minderjarige beneden de 12 jaar en bedreiging. Voorwaardelijke PIJ-maatregel.
Uitspraak
Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Parketnummers: 02-137202-25 en 02-202445-25 (gev. ttz.)
Vonnis van de meervoudige kamer van 29 oktober 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2011,
thans verblijvende te GGzE [verblijfsadres] ,
raadsvrouw mr. C.E.J.E. Kouijzer, advocaat te Middelburg.
1 Onderzoek op de terechtzitting
De zaken zijn (inhoudelijk) behandeld met gesloten deuren op de zittingen van 4 december 2025, 29 mei 2026 en 15 oktober 2026, waarbij de officier van justitie mr. M.C. Fimerius en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
Ter zitting van 4 december 2025 zijn overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering de zaken onder voormelde parketnummers gevoegd.
2 De tenlastelegging
De tenlastelegging in de zaak met parketnummer 02-137202-25 is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.
De tenlasteleggingen zijn als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
(02-137202-25)
[slachtoffer] , die de leeftijd van 12 jaar nog niet had bereikt, heeft verkracht, dan wel heeft geprobeerd te verkrachten, dan wel heeft aangerand, dan wel heeft geprobeerd aan te randen;
(02-202445-25)
zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging van [benadeelde] .
3 De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4 De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder parketnummer 02-137202-25 primair ten laste gelegde verkrachting en de onder parketnummer 02-202445-25 ten laste gelegde bedreiging heeft begaan.
Het standpunt van de verdediging
(02-137202-25)
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het primair en meer subsidiair ten laste gelegde feit wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs en verzoekt verdachte daarvan vrij te spreken. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde feit is zij van mening dat het onderdeel ‘binnendringen’ niet is uitgewerkt in de tenlastelegging, hetgeen leidt tot partiële nietigheid van dat gedeelte van de dagvaarding. Mocht de rechtbank een ander oordeel zijn toegedaan, dan is er ook voor het subsidiair ten laste gelegde feit onvoldoende wettig en overtuigend bewijs en verzoekt de verdediging verdachte daarvan vrij te spreken.
De verdediging is van mening dat de rechtbank wel tot een bewezenverklaring kan komen van de meest subsidiair ten laste gelegde poging tot aanranding, met dien verstande dat verdachte [slachtoffer] op bed heeft laten liggen en haar haar onderkleding heeft laten uittrekken.
(02-202445-25)
De verdediging is van mening dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen van de ten laste gelegde bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, met dien verstande dat zij verzoekt verdachte vrij te spreken van het onderdeel van de tenlastelegging dat ziet op het tonen van een mes bij het uiten van de dreigende woorden. Verdachte had wel een mes bij zich, maar dat mes was vóór de ruzie en de dreigende woorden voor [benadeelde] zichtbaar in de broeksband van verdachte.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
(02-137202-25)
Vaststaande feiten en omstandigheden
Op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast. Op 4 december 2024 waren verdachte en de toen 4-jarige [slachtoffer] samen op de slaapkamer van verdachte in de woning van de ouders van [slachtoffer] , tevens toen pleegouders van verdachte, te [plaats 1] .
Toen de moeder van [slachtoffer] de slaapkamerdeur van verdachte opende, zag zij [slachtoffer] met haar rug op het bed van verdachte liggen en verdachte gehurkt voor [slachtoffer] zitten. De benen van [slachtoffer] waren wijd open en bungelden naast het bed, haar bovenkleding was naar boven geschoven en haar onderbroek, legging en broekrokje hingen op haar enkels. Van haar middenrif tot aan haar enkels was [slachtoffer] bloot. Terwijl verdachte in een gehurkte houding voor [slachtoffer] zat, had hij zijn broek en onderbroek op zijn enkels en zijn blote billen waren zichtbaar. Op het moment dat de moeder van [slachtoffer] binnenstapte in de slaapkamer van verdachte, draaide verdachte van haar weg, kwam hij overeind en trok hij zijn broek en onderbroek omhoog.
De rechtbank moet vervolgens beoordelen of en hoe deze gedragingen juridisch gekwalificeerd kunnen worden binnen de grenzen van de tenlastelegging.
Verkrachting (primair)
De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verkrachting van [slachtoffer] en zal verdachte daarvan vrijspreken. De moeder van [slachtoffer] heeft weliswaar verklaard dat [slachtoffer] tegen haar heeft verteld dat verdachte met zijn plasser in haar buik ging, maar die enkele uitlating van [slachtoffer] biedt de rechtbank onvoldoende basis om buiten redelijke twijfel vast te stellen dat er sprake is geweest van seksueel binnendringen door verdachte. De rechtbank weegt daarin mee dat verdachte heeft ontkend seksueel te zijn binnengedrongen, dat [slachtoffer] niet is gehoord door de politie en dat er geen medisch onderzoek bij [slachtoffer] is verricht. Buiten de de auditu-verklaring van de moeder is er dus geen ander bewijsmiddel om dit te bevestigen.
Poging tot verkrachting (subsidiair)
De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot verkrachting van [slachtoffer] en zal verdachte daarvan vrijspreken. Voor een strafbare poging tot verkrachting is namelijk vereist dat verdachte handelingen heeft verricht die kennelijk tot doel hadden een begin te maken met het binnendringen van het lichaam van [slachtoffer] . Daarnaast moeten die handelingen niet zodanig zijn dat zij ook bedoeld hadden kunnen zijn om andere misdrijven, zoals bijvoorbeeld aanranding, te plegen. Gelet op de gedragingen van verdachte die de rechtbank heeft kunnen vaststellen, lagen deze naar de uiterlijke verschijningsvorm niet dusdanig dicht bij voltooiing van het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer] , dat een poging tot verkrachting wettig en overtuigend kan worden bewezen. Verder is van belang dat de gedragingen van verdachte ook beperkt hadden kunnen blijven tot (bijvoorbeeld) aanranding.
Aanranding (meer subsidiair)
Voor een voltooide aanranding moet worden bewezen dat een seksuele handeling daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. In de tenlastelegging zijn de seksuele handelingen expliciet omschreven als ‘het betasten van de vagina, althans de schaamstreek, en/of de buik van die [slachtoffer] ’. De rechtbank is van oordeel dat in het dossier en het verhandelde ter zitting het bewijs daarvoor ontbreekt. De rechtbank zal verdachte daarom ook vrijspreken van de aanranding.
Poging tot aanranding (meest subsidiair)
Naar het oordeel van de rechtbank kan wel wettig en overtuigend worden bewezen dat de eerder omschreven feitelijke handelingen (van verdachte) naar hun uiterlijke verschijningsvorm gericht waren op het verrichten van seksuele handelingen bij [slachtoffer] . Het is daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot aanranding van [slachtoffer] , die toen nog niet de leeftijd van 12 jaren had bereikt.
(02-202445-25)
Gelet op de bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging van [benadeelde] met enig misdrijf tegen het leven gericht door naar hem de dreigende bewoordingen “de volgende keer ga ik jou steken” te uiten. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de aangifte van [benadeelde] en de verklaring van [getuige] ook vastgesteld kan worden dat verdachte daarbij een mes heeft getoond aan [benadeelde] , zodat ook dit onderdeel van de tenlastelegging wettig en overtuigend is bewezen.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
(02-137202-25)
meest subsidiair:
op 4 december 2024 te [plaats 1] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [slachtoffer] , geboren [geboortedag 2] -2020, seksuele handelingen te verrichten
- die [slachtoffer] op het bed heeft gelegd en/of heeft laten gaan liggen en
- de broek en onderbroek van die [slachtoffer] naar beneden heeft getrokken, althans laten trekken en
- zijn, verdachtes, broek en onderbroek naar beneden heeft getrokken en
- tussen de benen van die [slachtoffer] heeft gezeten/gehurkt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
(02-202445-25)
op 19 april 2025 te [plaats 2] , gemeente Borsele, [benadeelde] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [benadeelde] dreigend de woorden toe te voegen: "volgende keer ga ik jou steken" en die [benadeelde] daarbij een mes te tonen.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5 De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid geheel uitsluit.
6 De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: de PIJ-maatregel) voorwaardelijk op te leggen met een proeftijd van 2 jaar, met de bijzondere voorwaarden zoals door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad) geadviseerd. Zij vordert de voorwaarden en het op te leggen toezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren. De officier van justitie heeft rekening gehouden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt de feiten in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. Verder verzoekt zij de rechtbank rekening te houden met het feit dat verdachte een blanco strafblad heeft en ook in zijn voordeel rekening te houden met het feit dat hij nog jong is en bereid is om aan zichzelf te werken. Verdachte verblijft nu al enige tijd bij [verblijfsadres] en de verdediging verzoekt – gelet op de ernst van de feiten – de opname bij [verblijfsadres] als een bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijke straf op te leggen. De feiten zijn niet PIJ-waardig. De voorkeur van de verdediging gaat uit naar oplegging van een voorwaardelijke werkstraf, maar zij kan zich ook vinden in een voorwaardelijke jeugddetentie.
Zij verzoekt de bijzondere voorwaarde die ziet op opname bij [verblijfsadres] als volgt te formuleren: ‘opname in [verblijfsadres] gedurende de proeftijd of zoveel korter als de behandelaars en jeugdreclassering nodig achten.’ De verdediging kan zich vinden in de overige door de Raad geadviseerde bijzondere voorwaarden, met uitzondering van het alcohol- en drugsverbod. Zij verzoekt deze voorwaarde minder strikt te formuleren, in die zin dat verdachte gedurende de proeftijd inzicht moet geven in zijn drugsgebruik en moet meewerken aan urinecontroles indien en zolang als dit door behandelaren en/of jeugdreclassering nodig wordt gevonden.
Het oordeel van de rechtbank
De aard en de ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot aanranding van zijn toenmalige pleegzusje en aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht van [benadeelde] , waarbij verdachte zich woordelijk bedreigend heeft geuit en een mes heeft getoond. De poging tot aanranding heeft plaatsgevonden in de gezinswoning, een plek die voor de toen 4-jarige [slachtoffer] juist een veilige omgeving had moeten zijn. Verdachte heeft misbruik gemaakt van het overwicht dat hij als negen jaar oudere pleegbroer op [slachtoffer] had en heeft het vertrouwen van zijn pleegouders op grove wijze beschaamd. Op dit moment lijken de gevolgen en de schade voor [slachtoffer] relatief beperkt te zijn, maar het is nog niet vast te stellen wat het effect van het feit in de toekomst op [slachtoffer] zal zijn. Ieder kind heeft recht op een veilige en gezonde ontwikkeling, ook op seksueel gebied. Verdachte heeft hierbij niet stilgestaan en zijn eigen behoeften laten prevaleren.
De bedreiging heeft gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt bij [benadeelde] . Daarnaast is een vriend van [benadeelde] getuige geweest van deze bedreiging. Verdachte heeft hiermee geen respect getoond voor het gevoel van veiligheid van anderen.
De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte
De rechtbank heeft kennis genomen van het blanco strafblad van verdachte.
Om meer inzicht in de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte te krijgen, is verdachte onderzocht door [psycholoog 1] en [psycholoog 2] , GZ-psychologen, en [psychiater] , kinder- en jeugdpsychiater.
De door hen opgemaakte rapporten, daterend van 21 april 2026 respectievelijk 17 juni 2026, bevatten onder meer de volgende overwegingen en conclusies.
Zowel de psychologen als de psychiater concluderen dat er bij verdachte sprake is van een normoverschrijdende gedragsstoornis. De psychologen concluderen dat er daarnaast sprake is van een posttraumatische stressstoornis en een stoornis in het gebruik van cannabis (momenteel in vroege remissie), alsmede van hechtingsproblematiek die in verband staat met een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling in antisociale richting. De psychiater benoemt een ongespecificeerde aan psychotrauma of stressor-gerelateerde stoornis op basis van hechtingsproblematiek bij beneden gemiddelde cognitieve mogelijkheden.
Alle deskundigen concluderen dat de door hen benoemde problematiek aanwezig was ten tijde van het plegen van de feiten en in de feiten heeft doorgewerkt. Het advies van de deskundigen is om de feiten in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. Door de deskundigen wordt het risico op herhaling van zowel seksueel grensoverschrijdend gedrag als gewelddadig gedrag als hoog ingeschat.
Om het recidiverisico te verkleinen en in het belang van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van verdachte is het volgens de deskundigen noodzakelijk dat verdachte een intensieve, langdurige behandeling en begeleiding krijgt binnen een klinische forensische setting, zoals [verblijfsadres] of een soortgelijke instelling. De behandeling moet zich richten op de posttraumatische stressstoornis, het bijstellen van antisociale denkpatronen en het werken aan hechtingsproblematiek, emotionele tekorten en de gewetensontwikkeling. Daarnaast zijn agressieregulatie en emotieregulatie essentiële behandeldoelen. Ook blijft aandacht voor middelengebruik, met name cannabis, van belang, gelet op de vroege remissie en het blijvende risico op terugval, hetgeen de behandeling en ontwikkeling kan belemmeren. Als de gedragsproblematiek niet tijdig en adequaat wordt begrensd en behandeld, dan zal de bestaande vicieuze cirkel naar verwachting in stand blijven en mogelijk verder escaleren. Tegelijkertijd zijn er op dit moment nog mogelijkheden om een negatieve ontwikkeling te doorbreken. Behandeling en begeleiding kunnen volgens de deskundigen (enkel) worden vormgegeven binnen het juridisch kader van een voorwaardelijke PIJ-maatregel, verwacht wordt dat een andere straf of maatregel onvoldoende kader biedt om het recidiverisico terug te dringen.
De vertegenwoordiger van de Raad heeft tijdens de zitting verwezen naar het door de Raad uitgebrachte rapport van 9 oktober 2026, waarin wordt geadviseerd om aan verdachte een voorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen met de genoemde voorwaarden, waaronder ook het strikte drugs- en alcoholverbod, en het toezicht door Jeugdbescherming west Zeeland. Ook is de dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaarden en het toezicht geadviseerd. Verder volgt uit het rapport dat de kans op herhaling van delictgedrag en seksueel grensoverschrijdend gedrag ook door de Raad als hoog wordt geschat.
Tijdens de zitting is namens de Raad naar voren gebracht dat een voorwaardelijke PIJ-maatregel een stok achter de deur vormt, omdat verdachte niet erg gemotiveerd lijkt te zijn. Er is dan een mogelijkheid tot omzetting in een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel als hij zich niet aan de voorwaarden zou houden, zodat behandeling gegarandeerd is.
Namens Jeugdbescherming west Zeeland is naar voren gebracht dat verdachte op dit moment al bij [verblijfsadres] verblijft. Behandeling in een meer gedwongen kader lijkt nodig te zijn en [verblijfsadres] lijkt daarvoor een goede setting met voldoende behandelmogelijkheden te zijn, zodat kan worden ingezet op een positieve verandering. Het is van belang dat als een van de voorwaarden het drugs- en alcoholverbod wordt opgelegd.
Verminderde toerekenbaarheid
De rechtbank neemt de conclusie van de deskundigen ten aanzien van de toerekenbaarheid over. Dat betekent dat de rechtbank de feiten in verminderde mate aan verdachte toerekent. Ook stelt de rechtbank op basis van de conclusies van de deskundigen vast dat een langdurige en intensieve behandeling in een strikt kader nodig is om het gevaar op herhaling te beperken.
PIJ-maatregel
De rechtbank stelt vast dat aan de wettelijke vereisten voor het opleggen van een PIJ-maatregel is voldaan. Het zedenfeit is een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. Uit de rapporten van de deskundigen volgt dat bij verdachte ten tijde van het begaan van het misdrijf een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond en dat de kans op herhaling van zowel seksueel grensoverschrijdend gedrag als gewelddadig gedrag als hoog wordt ingeschat en behandeling noodzakelijk wordt geacht om dit risico te verkleinen. Daarmee is de PIJ-maatregel noodzakelijk voor de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen en goederen. Tot slot moet de PIJ-maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte zijn. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
Uit voornoemde rapporten van de deskundigen blijkt dat een langdurige behandeling en begeleiding binnen een klinische forensische setting nodig zijn om de kans op herhaling te verminderen en een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van verdachte te bevorderen. Het is van belang dat de bestaande vicieuze cirkel in de gedragsproblematiek van verdachte wordt doorbroken en niet verder escaleert. De rechtbank is daarom van oordeel dat oplegging van de PIJ-maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van verdachte. Op deze manier kan de noodzakelijke langdurige en intensieve behandeling en begeleiding worden gewaarborgd, ook als verdachte zich niet aan de voorwaarden zou houden, hetgeen bij andere strafmodaliteiten zoals een voorwaardelijke straf of een GBM niet het geval is.
De rechtbank zal de PIJ-maatregel voorwaardelijk opleggen. Dat houdt in dat deze niet ten uitvoer zal worden gelegd wanneer verdachte zich de komende twee jaar aan de door de rechtbank opgelegde (bijzondere) voorwaarden houdt. De rechtbank zal bepalen dat verdachte zich dient te houden aan de bijzondere voorwaarden zoals door de Raad geadviseerd. De rechtbank ziet geen aanleiding om het drugs- en alcoholverbod minder strikt te formuleren, zoals door de verdediging is verzocht, omdat de rechtbank het belangrijk vindt dat verdachte duidelijke kaders meekrijgt. Het lukt verdachte nu kennelijk al enkele weken om van de drugs af te blijven. Een minder strikt verbod zal naar verwachting enkel averechts werken.
Dadelijke uitvoerbaarheid
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan misdrijven die gericht zijn tegen en gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Gelet op de adviezen van de deskundigen is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat hij zonder de juiste hulp en begeleiding opnieuw een dergelijk misdrijf zal begaan. De rechtbank ziet in de tekst van de wet, artikel 77za van het Wetboek van Strafrecht, de bedoeling van de wetgever, en in het doel van de voorwaardelijke PIJ-maatregel, voldoende argumenten om de voorwaarden die verbonden worden aan een voorwaardelijke PIJ-maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
De rechtbank zal dan ook bevelen dat de bijzondere voorwaarden en het toezicht door de jeugdreclassering dadelijk uitvoerbaar zijn.
7 De vordering van de benadeelde partij
(02-137202-25)
[slachtoffer]
Namens de benadeelde partij [slachtoffer] is een schadevergoeding gevorderd van € 3.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
Namens de benadeelde partij is aangevoerd dat het feit ernstige gevolgen heeft gehad voor de benadeelde partij en haar ouders. Naar het oordeel van de rechtbank brengt de aard en de ernst van de normschending door verdachte mee dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze dan door lichamelijk letsel of aantasting in zijn eer of goede naam.
Vooralsnog lijken de schade en de gevolgen relatief beperkt te zijn, maar er is nog geen uitspraak te doen met betrekking tot de toekomst. Gelet op het voorgaande, gelet op de aard en de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, acht de rechtbank een vergoeding van een bedrag van € 1.000,00 billijk.
Voor het overige is de rechtbank van oordeel dat feiten en omstandigheden die tot toewijzing van het gevorderde bedrag zouden kunnen leiden niet voldoende vast staan, nu (de omvang van) de schade onvoldoende is onderbouwd.
Verdere behandeling van dat deel van de vordering levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op, zodat de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk in haar vordering zal worden verklaard. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf 4 december 2024.
Nu verdachte ten tijde van het plegen van het feit nog geen 14 jaar oud was, is de wettelijke vertegenwoordiger, de Gecertificeerde Instelling die de voogdij over verdachte uitoefent, te weten Jeugdbescherming west Zeeland, aansprakelijk voor de schade die de benadeelde partij heeft geleden. De rechtbank zal derhalve de wettelijke vertegenwoordiger veroordelen tot betaling van bovengenoemd bedrag.
Schadevergoedingsmaatregel bij minderjarige verdachte
Een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht kan worden opgelegd aan verdachten die ten tijde van het bewezen verklaarde feit veertien jaar of ouder waren. Nu verdachte ten tijde van het begaan van het bewezen verklaarde feit 13 jaar was, zal de rechtbank geen schadevergoedingsmaatregel opleggen.
8 De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 45, 77a, 77g, 77s, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 249 en 285 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9 Beslissing
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt verdachte vrij van het onder parketnummer 02-137202-25 primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde feit;
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
(02-137202-25)
meest subsidiair: poging tot aanranding in de leeftijdscategorie beneden twaalf
jaren;
(02-202445-25)
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
- verklaart verdachte strafbaar;
Maatregel
- beveelt de plaatsing van verdachte in een inrichting voor jeugdigen;
- bepaalt dat deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaar na te melden voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde:
* dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;
- stelt als bijzondere voorwaarden:
* dat verdachte gedurende de proeftijd of zoveel korter als de behandelaren in overleg met de jeugdreclassering noodzakelijk achten, meewerkt aan de plaatsing bij [verblijfsadres] of een soortgelijke instelling;
* dat verdachte meewerkt aan de adviezen die voortkomen uit de behandeling en zich niet aan de behandeling onttrekt;
* dat verdachte geen drugs en/of alcohol gebruikt;
* dat verdachte meewerkt aan het vormgeven van een positieve dag- en vrijetijdsbesteding;
- stelt vast dat van rechtswege de volgende voorwaarden gelden:
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;
* dat verdachte zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking van huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- bepaalt dat de aan de voorwaardelijke maatregel verbonden voorwaarden en het op de naleving van die voorwaarden uit te oefenen reclasseringstoezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;
- draagt de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west Zeeland op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
Benadeelde partij
(02-137202-25)
- veroordeelt de wettelijke vertegenwoordiger van verdachte, te weten de Gecertificeerde Instelling die de voogdij over verdachte uitoefent, te weten Jeugdbescherming west Zeeland, tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 1.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 4 december 2024 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt de wettelijke vertegenwoordiger van verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.E. Verschoor-Bergsma, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. N.C.W. Haesen en mr. H. Skalonjic, (kinder)rechters, in tegenwoordigheid van
mr. S.A. Huwae, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 29 oktober 2026.
Bijlage I: De tenlasteleggingen
(02-137202-25)
hij op of omstreeks 4 december 2024 te [plaats 1]
met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [slachtoffer] geboren
[geboortedag 2] -2020
een of meer seksuele handelingen, die bestonden uit of mede bestonden uit het
seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten het
duwen/brengen van de penis in de vagina, althans tussen de schaamlippen, van die
[slachtoffer] ;
( art 250 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 4 december 2024 te [plaats 1]
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [slachtoffer] geboren
[geboortedag 2] -2020
een of meer seksuele handelingen, die bestonden uit of mede bestonden uit het
seksueel binnendringen van het lichaam, te weten het duwen/brengen van de penis in vagina;
- die [slachtoffer] op het bed heeft gelegd en/of heeft laten liggen, en/of
- de broek en/of onderbroek van die [slachtoffer] naar beneden heeft getrokken, en/of
- zijn, verdachtes, broek en/of onderbroek naar beneden heeft getrokken, en/of
- tussen de benen van die [slachtoffer] heeft gezeten/gehurkt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 250 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of
zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 4 december 2024 te [plaats 1]
met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [slachtoffer] geboren
[geboortedag 2] -2020
een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten het betasten van de
vagina, althans de schaamstreek, en/of de buik van die [slachtoffer] ;
( art 249 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
meest subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht
of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 4 december 2024 te [plaats 1]
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [slachtoffer]
geboren [geboortedag 2] -2020
een of meer seksuele handelingen te verrichten:
- die [slachtoffer] op het bed heeft gelegd en/of heeft laten gaan liggen, en/of
- de broek en/of onderbroek van die [slachtoffer] naar beneden heeft
getrokken, althans laten trekken, en/of
- zijn, verdachtes, broek en/of onderbroek naar beneden heeft
getrokken, en/of
- tussen de benen van die [slachtoffer] heeft gezeten/gehurkt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 249 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
(02-202445-25)
hij, op of omstreeks 19 april 2025 te [plaats 2] , gemeente Borsele, althans in
Nederland, [benadeelde] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht
en/of zware mishandeling, door die [benadeelde] dreigend de woorden toe te voegen:
"volgende keer ga ik jou steken" en/of die [benadeelde] daarbij een mes te tonen;
( art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht )