Strafrecht overig
Verdachte is veroordeeld voor meerdere verkeersfeiten, waaronder artikel 6 WVW waarbij sprake is van…
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 29 oktober 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:10512 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 29 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-zeeland-west-brabant/strafrecht/strafrecht-overig/op-tegenspraak/ecli-nl-rbzwb-2026-10512
Zaakgegevens
Op 29 oktober 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Breda
- Datum uitspraak
- 29 oktober 2026
- Datum publicatie
- 29 oktober 2026
- Zaaknummer
- 02.015378.26
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Op tegenspraakOp tegenspraakBeide partijen – of in een strafzaak de verdachte – hebben zich verweerd; het tegenovergestelde van verstek.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2026:10512
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verdachte is veroordeeld voor meerdere verkeersfeiten, waaronder artikel 6 WVW waarbij sprake is van roekeloos rijgedrag. Gevangenisstraf van 30 maanden en een rijontzegging van 5 jaar.
Uitspraak
Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02.015378.26
Vonnis van de meervoudige kamer van 29 oktober 2026
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1977 te [geboorteplaats] (Polen),
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] ,
1 Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 15 oktober 2026. Tegen verdachte is verstek verleend. De officier van justitie mr. P.W.P. Emmen heeft zijn standpunt kenbaar gemaakt.
2 De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 15 juli 2025
feit 1: een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt waarbij [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen;
feit 2: gevaar en of hinder op de weg heeft veroorzaakt;
feit 3: een voertuig heeft bestuurd terwijl hij onder invloed was van alcohol;
feit 4: een voertuig heeft bestuurd terwijl hij niet in het bezit was van een geldig rijbewijs;
feit 5: de plaats van een verkeersongeval heeft verlaten, terwijl hij wist of kon vermoeden dat aan een ander letsel en/of schade was toegebracht;
feit 6: roekeloos heeft gereden.
3 De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4 De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, waarbij voor feit 1 voor de mate van schuld wordt uitgegaan van roekeloosheid.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen het volgende vast. Op 15 juli 2025 rond 18.00 uur hebben op de A16 ter hoogte van Breda kort na elkaar twee verkeersongevallen plaatsgevonden. Bij deze ongevallen was verdachte betrokken.
Verdachte reed als bestuurder van een auto op de A16, komende uit de richting van Rotterdam en gaande in de richting van België. [slachtoffer 1] reed ook als bestuurder van een auto op de A16. Zij wisselde op enig moment van rijstrook twee naar rijstrook drie, de uitvoegstrook richting Roosendaal. Verdachte reed op dat moment ook op deze uitvoegstrook en haalde met een snelheid van 184 kilometer per uur eerst rechts een vrachtauto in, en reed heel kort daarna met deze hoge snelheid achterop de auto van [slachtoffer 1] . Als gevolg van deze botsing heeft [slachtoffer 1] letsel opgelopen.
De auto van verdachte is vervolgens 400 meter doorgereden, en op rijstrook twee tot stilstand gekomen. Verdachte en zijn passagiers zijn toen uit de auto gestapt, terwijl de auto op die rijstrook is blijven staan. Een andere auto, bestuurd door [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ), is tegen de auto van verdachte gebotst.
Uit ademanalyse is gebleken dat verdachte tijdens de ongevallen zodanig onder invloed was van alcohol dat sprake was van 1075 microgram alcohol per liter bloed. Ook was verdachte niet in het bezit van een rijbewijs.
Verder stelt de rechtbank vast dat verdachte kort voor deze ongevallen op de A16 en op de A59 gevaarlijk rijgedrag heeft laten zien door met hoge snelheid te rijden, daarbij te slingeren, meerdere keren te bumperkleven en onnodig te rijden en stil te staan op de vluchtstrook.
Kwalificaties
De rechtbank constateert dat de verkeersgedragingen van verdachte aan hem ten laste zijn gelegd in verschillende strafbare feiten op grond van de Wegenverkeerswet (hierna: WVW). De rechtbank overweegt als volgt.
Feit 1 (artikel 6 WVW: veroorzaken van een verkeersongeval) en feit 6 (artikel 5a WVW: roekeloos rijden)
Voor een bewezenverklaring van een overtreding van artikel 6 WVW moet worden vastgesteld dat verdachte zich in het verkeer zodanig heeft gedragen dat het aan zijn schuld te wijten is dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Het juridische begrip “schuld” als bedoeld in artikel 6 WVW kent drie gradaties: 1) aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend 2) zeer onvoorzichtig en onoplettend en 3) roekeloos.
Roekeloosheid
Van roekeloosheid in de zin van artikel 6 WVW is in elk geval sprake indien het verkeersgedrag tevens als een overtreding van artikel 5a, eerste lid, WVW kan worden aangemerkt. Voor een bewezenverklaring van overtreding van artikel 5a WVW moet de rechtbank beoordelen of verdachte met het begaan van deze verkeersgedragingen (a) de verkeersregels heeft geschonden, (b) of hij dat in ernstige mate heeft gedaan, (c) of hij dat opzettelijk heeft gedaan en (d) of daardoor gevaar was te duchten voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen.
( a) Schending van de verkeersregels
De rechtbank stelt vast dat verdachte meerdere verkeersregels heeft geschonden. Verdachte heeft gereden terwijl hij niet in het bezit was van een rijbewijs en terwijl hij onder invloed was van alcohol. Ook reed verdachte al een langere tijd met een aanzienlijk hogere snelheid dan ter plaatse was toegestaan. In ieder geval reed verdachte kort voor het ongeval 184 kilometer per uur, terwijl op dat moment 100 kilometer per uur was toegestaan. Daarnaast reed verdachte zeer dicht achter andere voertuigen (bumperkleven) en reed hij over de vluchtstrook en stond hij daarop stil, terwijl dit niet was toegestaan.
( b) In ernstige mate
Artikel 5a WVW heeft alleen betrekking op ernstig verkeersgevaarlijk gedrag. Ongeveer 10 minuten vóór de twee ongevallen kreeg de politie van een getuige een melding van asociaal verkeersgedrag op de A59 binnen. Dat bleek betrekking te hebben op de auto van verdachte. Op de A16 reed verdachte voor een langere periode met een veel te hoge snelheid – 84 kilometer per uur te hard – terwijl zijn alcoholgehalte meer dan viermaal de toegestane waarde betrof. Dit alles terwijl hij geen rijbewijs had. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte hiermee de verkeersregels in ernstige mate geschonden.
( c) Opzettelijk
Voor een overtreding van artikel 5a WVW moet het opzet van verdachte zowel gericht zijn op het schenden van de verkeersregels als op het in ernstige mate schenden van die regels.
De rechtbank is van oordeel dat hiervan sprake is. De rechtbank is van oordeel dat de hierboven vermelde gedragingen, gelet op de omstandigheden waaronder die zijn begaan, niet anders dan opzettelijk kunnen worden gedaan en dat deze - zeker in samenhang bezien - naar hun uiterlijke verschijningsvorm gericht waren op een ernstige schending van de verkeersregels.
( d) Gevaar te duchten voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen
In zijn algemeenheid acht de rechtbank het voorzienbaar dat gevaarlijke situaties kunnen ontstaan door het hiervoor beschreven verkeersgedrag van verdachte. Het verkeersgedrag was op ieder onderdeel reeds op zichzelf gevaarlijk en door de combinatie van gedragingen alleen maar gevaarlijker. Dit gevaar heeft zich ook daadwerkelijk verwezenlijkt doordat verdachte twee verkeersongevallen heeft veroorzaakt met meerdere slachtoffers tot gevolg.
Tussenconclusie
Al het bovenstaande, mede in onderlinge samenhang bezien, leidt tot het oordeel dat verdachte zich buitengewoon onvoorzichtig in het verkeer heeft gedragen. Zo heeft hij meerdere verkeersregels in ernstige mate geschonden, waardoor levensgevaar dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was. Een aantal van die verkeersgedragingen zijn expliciet genoemd in artikel 5a, eerste lid WVW. Bij dit oordeel is, tot slot, betrokken dat de verdachte ook onder invloed was van alcohol.
De verdachte heeft zich daarom schuldig gemaakt aan een verkeersongeval, waarbij sprake is geweest van de zwaarste vorm van schuld, namelijk roekeloosheid.
Letsel
Als gevolg van dit ongeval heeft [slachtoffer 1] letsel opgelopen, bestaande uit aangezichtsletsel, een hersenschudding, een elleboog uit de kom, en een zwelling in het rechterbovenbeen. De rechtbank is, gelet op de aard van dit letsel en de lange duur van het herstel, van oordeel dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel.
Conclusie
De rechtbank acht de onder feit 1 en 6 ten laste gelegde overtredingen van de artikelen 5a en 6 WVW wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna onder 4.4. wordt weergegeven.
Feit 2 (artikel 5 WVW: gevaarlijk rijgedrag)
Gelet op wat hiervoor is vastgesteld en overwogen acht de rechtbank eveneens wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich door zijn gedragingen schuldig heeft gemaakt aan het veroorzaken van gevaar op de weg. Zowel op de A59 als de A16 reed verdachte veel te hard, was hij aan het bumperkleven en reed hij over de vluchtstrook. Op de A16 haalde hij een vrachtwagen rechts in. Verdachte had veel te veel gedronken en vertoonde volgens meldingen asociaal verkeersgedrag. Het gevolg is dat er kort na elkaar twee verkeersongevallen hebben plaatsgevonden. Bij deze twee ongevallen zijn [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en het zoontje van [slachtoffer 2] gewond geraakt en hebben zij schade geleden.
Feiten 3 en 4 (artikelen 8 en 107 WVW)
De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen ook bewezen dat verdachte heeft gereden onder invloed van alcohol (feit 3), terwijl hij niet in het bezit was van een geldig rijbewijs (feit 4).
Feit 5 (artikel 7 WVW: verlaten plaats ongeval)
De rechtbank acht tot slot ook dit feit wettig en overtuigend bewezen. Het eerste ongeval heeft plaatsgevonden bij hectometerpaal 60.0, terwijl de auto van verdachte tot stilstand is gekomen bij hectometerpaal 60.5. De auto van verdachte is dus pas 400 meter verderop tot stilstand gekomen. Dat de auto 400 meter is doorgeschoven na het ongeval acht de rechtbank niet aannemelijk. Het kan niet anders zijn dan dat verdachte nadat hij het verkeersongeval heeft veroorzaakt, is doorgereden. Verdachte heeft dan ook de plaats van het verkeersongeval verlaten terwijl hij wist dat [slachtoffer 1] letsel en schade had opgelopen.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
Feit 1
op 15 juli 2025 in Nederland als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de A16, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door roekeloos
zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde, en
na het gebruik van alcoholhoudende drank te rijden, en
voordat hij onderstaande ongeval veroorzaakte op de A59 en/of A16 al langere tijd met een veel hogere dan ter plaatse toegestane snelheden had gereden en/of meermalen had gebumperkleefd en/of slingerend had gereden en/of op de vluchtstrook had stilgestaan,
te rijden met een snelheid waarbij hij, verdachte, de vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden en
niet op het voor hem gelegen weggedeelte van die weg en op het overige verkeer te letten en
onvoldoende afstand te houden van en niet tijdig uit te wijken voor de voor hem, verdachte, rijdende medeweggebruiker, en
in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeersteken 1990 de snelheid van het door hem bestuurde voertuig niet zodanig te regelen dat hij in staat was het voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was,
waardoor hij, verdachte, met het door hem bestuurde motorrijtuig (personenauto) tegen de personenauto (merk Seat, gekentekend [kenteken] ) met daarin de bestuurster [slachtoffer 1] , is gereden,
waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 1] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten een afwijkende stand van de rechter elleboog (uit de kom) en een hersenschudding en een onderhuidse zwelling met vocht in het rechter bovenbeen werd toegebracht, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994;
Feit 2
op 15 juli 2025 te Breda als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de A16,
zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde, en
na het gebruik van alcoholhoudende drank te rijden, en
voordat hij onderstaande ongeval veroorzaakte op de A59 en/of A16 al langere tijd met een veel hogere dan ter plaatse toegestane snelheden had gereden en/of meermalen had gebumperkleefd en/of slingerend had gereden en/of op de vluchtstrook had stilgestaan,
heeft gereden met een snelheid waarbij hij, verdachte, de vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden en
niet op het voor hem gelegen weggedeelte van die weg en op het overige verkeer heeft gelet en/
onvoldoende afstand heeft gehouden van en niet tijdig heeft uitgeweken voor de voor hem, verdachte, rijdende medeweggebruiker, en
in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeersteken 1990 de snelheid van het door hem bestuurde voertuig niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was het voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was,
waardoor hij, verdachte, met het door hem bestuurde motorrijtuig (personenauto) tegen de personenauto (merk Seat, gekentekend [kenteken] ) met daarin de bestuurster [slachtoffer 1] , is gereden, en
door is gereden na deze bovengenoemde aanrijding in plaats van zijn voertuig aan de kant van de weg te zetten en diens voertuig uiteindelijk, nadat deze niet meer verder kon rijden, heeft laten staan op de middelste rijstrook van de A16,
door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt en het verkeer op die weg werd gehinderd,
immers heeft verdachte aldus een verkeersongeval veroorzaakt waarbij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en het zoontje van [slachtoffer 2] , gewond zijn geraakt en schade hebben geleden;
Feit 3
op 15 juli 2025 te Breda, als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 1075 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;
Feit 4
op 15 juli 2025 te Breda als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, De A16, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde;
Feit 5
als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in Breda op de A16, op 15 juli 2025 de voornoemde plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist aan een ander (te weten [slachtoffer 1] ) letsel en schade was toegebracht;
Feit 6
op 15 juli 2025 in Nederland, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de A59 en A16, opzettelijk zich zodanig in het verkeer heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden, door
terwijl hij verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994 en
terwijl voor hem, verdachte, geen rijbewijs was afgegeven voor het besturen van motorrijtuigen van de categorie waartoe bovenstaande motorrijtuig behoort als bedoeld in artikel 107 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 te rijden, en
meermalen met zeer hoge snelheid te rijden, en
hierbij meerdere voertuigen in te halen, en meermalen te bumperkleven, en
over een vluchtstrook te rijden en hierop stil te staan
terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5 De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6 De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van dertig maanden met aftrek van het voorarrest en een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van vijf jaar.
Het oordeel van de rechtbank
De aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zich op 15 oktober 2026 als bestuurder van een auto roekeloos gedragen. Verdachte was niet in het bezit van een rijbewijs en was onder invloed van meer dan vier keer de toegestane hoeveelheid alcohol. Toch is verdachte in de auto gestapt. Vervolgens heeft hij gedurende een langere tijd op de snelweg gereden met veel te hoge snelheden, waarbij hij ook op de vluchtstrook reed, slingerde en aan het bumperkleven was. Op de A16 is het misgegaan. Verdachte reed op de uitvoegstrook met een snelheid van 184 kilometer per uur waar 100 kilometer per uur was toegestaan en was een vrachtwagen rechts aan het inhalen. Op de dashcambeelden van deze vrachtwagen is het ongeval zichtbaar. Hierop is te zien dat verdachte met een ongelooflijke snelheid aan de rechterkant voorbijrijdt en achterop de auto van [slachtoffer 1] rijdt. Door dit roekeloze rijgedrag heeft [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Dat de aanrijding het leven van de destijds dertigjarige [slachtoffer 1] op zijn kop heeft gezet, blijkt uit de slachtofferverklaring die zij op de zitting heeft voorgelezen. Zij wordt nog iedere dag geconfronteerd met de gevolgen van de aanrijding, is nog steeds angstig in de auto en werkt niet fulltime. Dat [slachtoffer 1] dit ongeval heeft overleefd en dat verdachte niet nog meer ongevallen heeft veroorzaakt, is zeker niet aan het gedrag van verdachte te danken.
Door zijn handelen heeft verdachte onaanvaardbare risico’s genomen. Hij heeft niet alleen zijn eigen veiligheid, maar vooral die van andere weggebruikers op het spel gezet. De rechtbank rekent het verdachte daarnaast zwaar aan dat hij zich na de aanrijding niet eens om [slachtoffer 1] heeft bekommerd. Verdachte heeft de plaats van het ongeval verlaten. Ook hiermee heeft hij er blijk van gegeven geen oog te hebben voor het welzijn van de andere verkeersdeelnemers. Daarbij komt dat verdachte in de eerste plaats tegenover de politie heeft verklaard dat hij niet de bestuurder was. Ook dit rekent de rechtbank verdachte aan, nu hij daarmee geen openheid van zaken heeft willen geven en geen verantwoordelijkheid heeft willen nemen voor zijn handelen. Dat verdachte geen verantwoordelijkheid wil nemen voor zijn handelen, blijkt ook uit de omstandigheid dat hij niet op de inhoudelijke zitting is verschenen. Een en ander getuigt van asociaal (rij)gedrag.
De persoon van verdachte
Het is niet de eerste keer dat verdachte de verkeersregels heeft overtreden. Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij al meerdere malen is veroordeeld voor het rijden zonder rijbewijs en het rijden onder invloed. De rechtbank heeft dan ook de indruk dat verdachte lak heeft aan de verkeersregels en de verkeersveiligheid en zal dit in strafverzwarende zin meewegen.
Samenloop
De rechtbank is van oordeel dat met betrekking tot feit 1, 3, 4, 6 en voor zover het slachtoffer [slachtoffer 1] betreft ook feit 2 sprake is van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De bewezenverklaarde gedragingen leveren in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex op dat de verdachte daarvan in wezen één verwijt wordt gemaakt, terwijl de strekking van de desbetreffende strafbepalingen niet of slechts enigszins uiteenloopt.
De straf
De rechtbank is van oordeel dat niet met een andere straf dan een gevangenisstraf van aanzienlijke duur kan worden volstaan. Bij het bepalen van de hoogte van de gevangenisstraf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS)-oriëntatiepunten. In de oriëntatiepunten voor overtreding van artikel 6 WVW is roekeloos niet als schuldgradatie opgenomen. De hoogste mate van verwijtbaarheid die in de oriëntatiepunten is vermeld, is ‘een zeer hoge mate van schuld’. In het geval dat daarvan sprake is in combinatie met een alcoholgehalte van meer dan 570 μg/l en waarbij een slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, geldt als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden en een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor een periode van vier jaar.
In dit geval is sprake van een zwaardere vorm van schuld, namelijk roekeloosheid.
In strafverzwarende zin weegt de rechtbank mee dat verdachte niet alleen kort voor het ongeval roekeloos heeft gereden, maar gedurende een langere tijd. Daarnaast heeft verdachte ook de plaats van het ongeval verlaten, was hij een gewaarschuwd mens en houdt de rechtbank ook in het nadeel van verdachte rekening met zijn (proces)houding.
Alles afwegende acht de rechtbank de eis van de officier van justitie passend en geboden. Zij zal daarom conform deze eis voor de feiten 1, 3, 5 en 6 aan verdachte opleggen een gevangenisstraf van 30 maanden en een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor een periode van vijf jaar. Voor de feiten 2 en 4 moet een aparte straf worden opgelegd omdat dit overtredingen betreffen. De rechtbank legt conform de eis van de officier van justitie voor deze feiten aan verdachte op twee maanden hechtenis.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
7 De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 5a, 6, 7, 8, 107, 175, 176, 177 en 179 van de Wegverkeerswet 1994 zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
8 Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
eendaadse samenloop van:
feit 1: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht;
feit 3: overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994 (1075 microgram);
feit 4: overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994;
feit 6: overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994;
en voor zover het slachtoffer [slachtoffer 1] betreft ook:
feit 2: overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994;
en:
feit 5: overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdeel a en b van de Wegenverkeerswet 1994;
- verklaart verdachte strafbaar;
Feiten 1, 3, 5 en 6
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 maanden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Bijkomende straf
- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 5 jaar;
Feiten 2 en 4
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot hechtenis van 2 maanden.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.H. Hamburger, voorzitter, mr. W.A.H.A. Schnitzler
en mr. I. de Graaf, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.C.L.J. Luijten, griffier,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 29 oktober 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
1
hij op of omstreeks 15 juli 2025 te Breda, in elk geval in Nederland als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de A16, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,
zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde, en/of
na het gebruik van alcoholhoudende drank te rijden, en/of
nadat hij voordat hij onderstaande ongeval veroorzaakte op de A59 en/of A16 al langere tijd met een (veel) hogere dan ter plaatse toegestande snelheden had gereden en/of meermalen had gebumperkleefd en/of slingerend had gereden en/of op de vluchtstrook had stilgestaan,
te rijden met een snelheid waarbij hij, verdachte, de vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden, althans te rijden met een (veel) hogere snelheid dan de aldaar voor personenauto’s toegestane maximum snelheid van 100 kilometer per uur, en/of
niet, althans in onvoldoende mate op het voor hem gelegen weggedeelte van die weg en/of op het overige verkeer te letten en/of
onvoldoende afstand te houden van en/of niet tijdig uit te wijken voor de voor hem, verdachte, rijdende medeweggebruikers, en/of
in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeersteken 1990 de snelheid van het door hem bestuurde voertuig niet zodanig te regelen dat hij in staat was het voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was,
waardoor hij, verdachte, met het door hem bestuurde motorrijtuig (personenauto) tegen de personenauto (merk Seat, gekentekend [kenteken] ) met daarin de bestuurster [slachtoffer 1] , is gereden,
waardoor een of meer anderen (genaamd [slachtoffer 1] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten een afwijkende stand van de rechter elleboog (uit de kom) en/of een hersenschudding en/of een onderhuidse zwelling met vocht in het rechter bovenbeen, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994, dan wel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, zevende of negende lid van genoemde wet;
( art 6 Wegenverkeerswet 1994 )
2
hij op of omstreeks 15 juli 2025 te Breda als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de A16,
zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde, en/of
na het gebruik van alcoholhoudende drank te rijden, en/of
nadat hij voordat hij onderstaande ongeval veroorzaakte op de A59 en/of A16 al langere tijd met een (veel) hogere dan ter plaatse toegestande snelheden had gereden en/of meermalen had gebumperkleefd en/of slingerend had gereden en/of op de vluchtstrook had stilgestaan,
heeft gereden met een snelheid waarbij hij, verdachte, de vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden, althans heeft gereden met een (veel) hogere snelheid dan de aldaar voor personenauto’s toegestane maximum snelheid van 100 kilometer per uur, en/of
niet, althans in onvoldoende mate op het voor hem gelegen weggedeelte van die weg en/of op het overige verkeer heeft gelet en/of
onvoldoende afstand heeft gehouden van en/of niet tijdig heeft uitgeweken voor de voor hem, verdachte, rijdende medeweggebruikers, en/of
in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeersteken 1990 de snelheid van het door hem bestuurde voertuig niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was het voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was,
waardoor hij, verdachte, met het door hem bestuurde motorrijtuig (personenauto) tegen de personenauto (merk Seat, gekentekend [kenteken] ) met daarin de bestuurster [slachtoffer 1] , is gereden, en/of
door is gereden na deze bovengenoemde aanrijding in plaats van zijn voertuig aan de kant van de weg te zetten en/of diens voertuig uiteindelijk, nadat deze niet meer verder kon rijden, heeft laten staan op de middelste rijstrook van de A16,
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd,
immers heeft verdachte aldus een verkeersongeval veroorzaakt waarbij [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of het/een zoontje van [slachtoffer 2] , gewond zijn geraakt en/of schade hebben geleden
( art 5 Wegenverkeerswet 1994 )
3
hij op of omstreeks 15 juli 2025 te Breda, als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek, als
bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 1075 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn
( art 8 lid 2 ahf/ond a Wegenverkeerswet 1994 )
4
hij op of omstreeks 15 juli 2025 te Breda als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, De A16, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde;
De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;
( art 107 lid 1 Wegenverkeerswet 1994 )
5
hij, als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval
dat had plaatsgevonden in Breda op/aan de A16, op of omstreeks 15 juli 2025 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een
ander (te weten [slachtoffer 1] ) letsel en/of schade was toegebracht
( art 7 lid 1 ahf/ond a Wegenverkeerswet 1994, art 7 lid 1 ahf/ond b Wegenverkeerswet 1994 )
6
hij op of omstreeks 15 juli 2025 te Breda en/of elders in Nederland, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de A59 en/of A16,
opzettelijk zich zodanig in het verkeer heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden, door
terwijl hij verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, eerste, tweede, derde, vierde en/of vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994 en/of
terwijl voor hem, verdachte, geen rijbewijs was afgegeven voor het besturen van motorrijtuigen van de categorie waartoe bovenstaande motorrijtuig behoort als bedoeld in artikel 107 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 te rijden, en/of
meermalen althans eenmaal, met (zeer) hoge snelhe(i)d(en) te rijden, in elk geval met (een) snelhe(i)d(en) die hoger lagen dan de wettelijk toegestane maximum snelhe(i)d(en), en/of
(hierbij) één of meerdere voertuig(en) in te halen, en/of éénmaal of meermalen te bumperkleven, en/of
over een vluchtstrook te rijden en/of hierop stil te staan
terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was
( art 5a lid 1 Wegenverkeerswet 1994 )