Strafrecht overig

Stalking NPO-medewerkers/familie en doxing. Dagvaarding deels nietig: rechtspersoon geen persoonlijke…

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 29 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 29 oktober 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Middelburg
Datum uitspraak
29 oktober 2026
Datum publicatie
29 oktober 2026
Zaaknummer
02.046538.25
Procedure
Op tegenspraak
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:10513
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Stalking NPO-medewerkers/familie en doxing. Dagvaarding deels nietig: rechtspersoon geen persoonlijke levenssfeer.

OM deels n.o. wegens ontbreken klacht bij stalkingfeit.

Veroordeling voor stalking; vrijspraak voor doxing.

Ontoerekeningsvatbaar, ovar.

Tbs met verpleging + art. 38z Sr.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

Parketnummer: 02.046538.25

Vonnis van de meervoudige kamer van 29 oktober 2026

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1972,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] , [afdeling] ,

raadsman mr. T. van Assendelft de Coningh, advocaat te Amsterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 15 oktober 2026, waarbij de officier van justitie mr. M. Poirters en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 1 juni 2023 tot en met 18 februari 2025:

  1. diverse omroepen, hun medewerkers en hun familieleden heeft gestalkt;

  2. persoonlijke gegevens van [benadeelde 1] ( [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] ) en [benadeelde 3] heeft verspreid (doxing).

3 De voorvragen

3.1.

De geldigheid van de dagvaarding

3.1.1.

Het standpunt van de verdediging

De dagvaarding is voor wat betreft feit 1 nietig. Voor zover de verdenking ziet op het wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van de in dat feit genoemde omroepen geldt dat dit geen natuurlijke personen zijn, zodat zij niet in hun ‘persoonlijke levenssfeer’ kunnen worden aangetast.

Verder vormen de in dat feit genoemde ‘medewerkers en hun familieleden’ een te onbestemde groep personen. Dat maakt het voor de verdediging onduidelijk waartegen zij zich moet verdedigen.

3.1.2.

Het standpunt van de officier van justitie

Ook rechtspersonen kunnen gestalkt worden, omdat die in beginsel over een persoonlijke levenssfeer beschikken waarop inbreuk gemaakt kan worden.

Uit de inhoud van het dossier kan worden opgemaakt om welke personen het gaat, zodat het voor de verdediging voldoende duidelijk is wie wordt bedoeld met ‘medewerkers en hun familieleden’.

3.1.3.

Het oordeel van de rechtbank

Persoonlijke levenssfeer

Door de officier van justitie en de verdediging is jurisprudentie naar voren gebracht waarin enerzijds is geoordeeld dat een rechtspersoon wel een persoonlijke levenssfeer kan hebben en anderzijds dat dat niet mogelijk is.

Het feit belaging is in het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) opgenomen in de titel ‘misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid’. Daarbij gaat het volgens de Memorie van Toelichting zowel om de vrijheid ‘van beweging’ als om de vrijheid ‘van doen en laten’. De rechtbank overweegt dat deze terminologie erop wijst dat een slachtoffer van belaging een natuurlijke persoon is, en geen rechtspersoon kan zijn. De rechtbank is daarom van oordeel dat een rechtspersoon niet belaagd kan worden, omdat die geen persoonlijke levenssfeer heeft en dat de tenlastelegging in zoverre nietig is.

De officier van justitie heeft een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van

24 februari 2026 (ECLI:NL:GHARL:2026:1096) aangehaald, waarin wordt verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 25 januari 2000 (ECLI:NL:HR:ZD1679). In dat arrest heeft de Hoge Raad in het kader van de beoordeling van de inzet van het opsporingsmiddel observatie impliciet geoordeeld dat een rechtspersoon een persoonlijke levenssfeer heeft. De rechtbank is echter van oordeel dat laatstgenoemd arrest niet van toepassing is, omdat dit ziet op een andere situatie en geen betrekking heeft op de vraag of een rechtspersoon in het kader van belaging een persoonlijke levenssfeer kan hebben. De rechtbank ziet in deze jurisprudentie daarom geen grond om tot een ander oordeel te komen.

Onduidelijk wie als slachtoffers worden bedoeld

De rechtbank overweegt voorts dat uit het dossier naar voren komt aan welke personen verdachte berichten heeft gestuurd. Zo bevat het dossier onder meer een proces-verbaal waarin de namen worden genoemd van personen die door verdachte zouden zijn belaagd. Hij heeft zijn berichten gericht tot medewerkers van diverse omroepen en hij noemt daarin ook regelmatig de namen van hun collega’s of familieleden. De rechtbank is daarom van oordeel dat het de verdediging voldoende duidelijk kon zijn waartegen zij zich dient te verdedigen, zodat de dagvaarding in zoverre geldig is.

Conclusie

De rechtbank verklaart de dagvaarding ten aanzien van feit 1 nietig voor zover die ziet op de daarin opgenomen rechtspersonen.

3.2.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

3.2.1.

Het standpunt van de verdediging

Voor zover de dagvaarding geldig is, is de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van feit 1, omdat geen van de in de tenlastelegging genoemde slachtoffers een (geldige) klacht heeft ingediend of anderszins uitdrukkelijk heeft verzocht om vervolging. Evenmin hebben zij aangifte gedaan. Weliswaar heeft [benadeelde 3] , de man van een [radiostation] -DJ, aangifte gedaan en een klacht ingediend, maar deze klacht is te laat ingediend. De klacht dateert van 24 juli 2025 en dat is langer dan 3 maanden na het laatste sms-bericht dat verdachte aan hem verstuurde.

3.2.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De medewerkers van de omroepen zijn blij dat door politie en justitie is ingegrepen, zo blijkt uit het dossier. De omstandigheid dat er geen individuele aangiftes zijn van hen betekent niet dat zij geen strafvervolging wensen.

Aangever [benadeelde 3] heeft een klacht ingediend en daarin de uitdrukkelijke wens uitgesproken dat verdachte wordt vervolgd wegens stalking. De termijn voor het indienen van een klacht is niet zo strikt als de verdediging stelt.

3.2.3.

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1 - ontbreken klacht

Voor de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging van een klachtdelict als belaging is het nodig dat de aangever een klacht indient, waarmee de aangever kenbaar maakt dat hij of zij de bedoeling heeft dat een vervolging zal worden ingesteld. Daaraan gaat vooraf een afweging door de aangever of zijn persoonlijk belang niet te worden geconfronteerd met eventuele negatieve gevolgen van een strafvervolging voorrang heeft boven het algemene belang van strafvervolging.

Uit het dossier blijkt dat de medewerkers van de in de tenlastelegging genoemde omroepen geen aangifte wensen te doen omdat ze bang zijn voor de gevolgen. Zij hebben aangegeven ervoor te vrezen dat door een aangifte hun persoonlijke gegevens bij verdachte bekend en door hem verspreid worden en dat verdachte naar hun privé-adressen en die van hun familie of vrienden zou gaan. Hiermee hebben zij naar het oordeel van de rechtbank hun belang om niet met eventuele negatieve gevolgen te worden geconfronteerd laten prevaleren boven het doen van aangifte. Van een wens tot vervolging is daarmee niet gebleken. Een dergelijke vervolgingswens blijkt ook overigens niet uit het dossier.

Met uitzondering van de aangifte en klacht van aangever [benadeelde 3] , ontbreken in het dossier aangiftes van familieleden en informatie over hun wens om tot vervolging over te gaan.

De rechtbank acht de officier van justitie ten aanzien van feit 1 daarom niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte voor de belaging van medewerkers van de genoemde omroepen en hun familieleden, met uitzondering van aangever [benadeelde 3] .

Feit 1 - overschrijding klachttermijn

[benadeelde 3] heeft als enig familielid van een medewerker van één van de omroepen zowel een aangifte van belaging als een klacht ingediend, allebei op 4 juli 2025. Hij heeft verklaard dat hij al enige tijd ongewenste sms-berichten van verdachte ontving op zijn telefoon. Het laatste bericht dat aan hem werd gestuurd dateert van 17 februari 2025, een dag vóór de aanhouding van verdachte. Aangezien de aangifte dateert van meer dan drie maanden na die laatste datum was het voor aangever niet mogelijk om de bijbehorende klacht binnen een termijn van drie maanden na kennisneming van het strafbare feit in te dienen. Dat zou betekenen dat wanneer eerst buiten de genoemde termijn van drie maanden aangifte wordt gedaan van een klachtdelict vervolging daarvan onmogelijk zou zijn. Omdat aangever direct na de aangifte ook de klacht heeft ingediend, staat naar het oordeel van de rechtbank echter voldoende vast dat aangever de vervolging van verdachte voor het in de aangifte genoemde feit heeft gewenst. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte voor het in de aangifte van [benadeelde 3] genoemde feit.

3.3.

De overige voorvragen

De rechtbank is bevoegd.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte beide feiten heeft gepleegd.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van de feiten kan komen.

Ten aanzien van feit 1 geldt dat het oogmerk ontbreekt. Daarnaast geldt dat het versturen van dertien sms-berichten aan aangever [benadeelde 3] in een periode van vier maanden niet als een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer kan worden aangemerkt.

Voor wat betreft feit 2 gaat het om zakelijke telefoonnummers, zodat niet gesproken kan worden van persoonsgegevens. Verder is niet duidelijk of de [radiostation] -app een openbaar forum is. Ook kan niet vastgesteld worden wanneer het telefoonnummer van aangever [benadeelde 3] is gedeeld in de [radiostation] -app, zodat niet duidelijk is of dit bericht is verstuurd na 1 januari 2024, de datum waarop de strafbaarstelling van doxing in werking is getreden.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1.

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2.

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Ten aanzien van feit 1

Uit het dossier komt naar voren dat verdachte in een periode van ongeveer acht maanden onder verschillende namen tienduizenden berichten heeft gestuurd naar diverse sociale media platforms van diverse omroepen en via de telefoon. Ook heeft hij verschillende radio DJ’s, medepresentatoren, producers en hun familieleden persoonlijk benaderd. Dit alles heeft gezorgd voor een onveilig gevoel bij deze medewerkers en hun familieleden. Tegen deze achtergrond heeft ook aangever [benadeelde 3] diverse sms-berichten van verdachte ontvangen op zijn telefoon. Ook heeft verdachte onder een bericht dat aangever op Facebook had geplaatst reacties geplaatst, waaronder verschillende screenshots. Het dossier bevat diverse sms-berichten die verdachte aan aangever heeft gestuurd in de periode van 11 oktober 2024 tot en met 17 februari 2025. Op verschillende data heeft hij meerdere berichten gestuurd, zodat het gaat om meer berichten dan de door de verdediging genoemde dertien.

Daarbij komt dat op 31 december 2024 door de politie een stopgesprek met verdachte is gevoerd. Daarna is hij doorgegaan met het sturen van berichten aan aangever.

Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangever. De rechtbank acht het feit dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 2

Uit het dossier komt naar voren dat verdachte het (zakelijke) telefoonnummer van de winkel van [benadeelde 2] in de [radiostation] -app heeft geplaatst, en ook het privé-telefoonnummer van aangever [benadeelde 3] dat hij eveneens gebruikte als zakelijk telefoonnummer. Het begrip ‘persoonsgegevens’ in de zin van artikel 285d Sr betreft alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon. Dit betreft informatie die ofwel direct over iemand gaat, ofwel naar deze persoon te herleiden is. Daar is hier sprake van. Aangezien in artikel 285d Sr bovendien ook als negatief gevolg van het bekendmaken van de bedoelde gegevens noemt het ernstig hinderen in de uitoefening van zijn ambt of beroep is de rechtbank van oordeel dat ook het delen van zakelijke telefoonnummers onder het bereik van doxing kan vallen.

Uit het dossier komt echter naar voren dat verdachte zowel het telefoonnummer van de winkel van [benadeelde 2] als het telefoonnummer van aangever [benadeelde 3] éénmaal heeft gedeeld in de [radiostation] -app, te weten op 29 januari 2025 respectievelijk 12 januari 2025. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt hieruit onvoldoende of verdachte daarmee het oogmerk had om de genoemde personen vrees aan te jagen, overlast aan te doen of te hinderen in hun werk. Ook uit de verklaringen van verdachte kan dit niet worden afgeleid. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van dit feit.

4.4.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1

in de periode van 11 oktober 2024 tot en met 18 februari 2025 te [geboorteplaats] ,

wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt

op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van

een familielid van een medewerker van NPO door dit familielid van die

medewerker berichten te sturen middels facebook en sms

met het oogmerk dat familielid van de medewerker te dwingen iets

te dulden.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1.

De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

5.2.

De strafbaarheid van de verdachte

5.2.1.

Het standpunt van de officier van justitie

Op basis van de stukken van de politie, de rapportages van de gedragsdeskundigen en het verhandelde ter terechtzitting heeft de officier van justitie verzocht om verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar te verklaren en te ontslaan van alle rechtsvervolging.

5.2.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft hierover geen standpunt naar voren gebracht.

5.2.3.

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte is geobserveerd in het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC). Op basis van deze observatie en het onderzoek van het multidisciplinaire team hebben [psycholoog] en [psychiater] een rapport opgemaakt dat is gedateerd op 16 februari 2026. Geconcludeerd is dat bij verdachte ten tijde van de feiten sprake was van een chronische realiteitstoetsingsstoornis met paranoïde wanen vallend binnen een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis. Het chronisch psychotisch beeld met oordeels- en kritiekstoornissen en een geheel ontbrekend ziektebesef, zowel ten tijde van het tenlastegelegde als tijdens de observatie, is volgens de gedragsdeskundigen geheel van invloed op het gedrag van verdachte, waarbij er sprake is van een volledige doorwerking van de stoornis in de ten laste gelegde feiten. Geadviseerd is om de feiten in het geheel niet toe te rekenen aan verdachte.

De rechtbank neemt deze conclusies van de gedragsdeskundigen over en maakt deze tot de hare. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het bewezenverklaarde feit verdachte niet kan worden toegerekend. De rechtbank acht verdachte daarom niet strafbaar en zal hem ontslaan van alle rechtsvervolging.

6 Oplegging van maatregelen

6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege (hierna: de tbs-maatregel).

6.2.

Het standpunt van de verdediging

Er wordt niet voldaan aan het gevaarscriterium, omdat verdachte geen gevaar vormt voor personen. De tbs-maatregel kan daarom niet worden opgelegd.

Subsidiair is aangevoerd dat oplegging van de tbs-maatregel niet proportioneel is. Er kan worden volstaan met een zorgmachtiging.

Meer subsidiair heeft de verdediging erop gewezen dat er geen schending van de lichamelijke integriteit heeft plaatsgevonden, zodat hooguit een gemaximeerde tbs-maatregel kan worden opgelegd.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

Uit de hierboven aangehaalde rapportage van het PBC blijkt dat bij verdachte vanaf april 2020 voor het eerst paranoïde waanideeën zijn vastgesteld. Hij belaagde toen andere personen dan in deze zaak. Het is ongericht en onvoorspelbaar op wie verdachte zijn preoccupatie richt. Er is een sterk verhoogd risico dat hij preoccupaties zal ontwikkelen.

Zowel op basis van de klinische inschatting als de risicotaxatie-instrumenten schatten de gedragsdeskundigen het risico op herhaling van delictgedrag zoals de ten laste gelegde belaging en uitbreiding van belaging naar andere personen en/of instanties als hoog in.

Gezien de ernstige pathologie en het hoge risico op herhaling van delictgedrag, adviseren

de gedragsdeskundigen om aan verdachte een gedwongen behandeling op te leggen teneinde het risico op delictgedrag duurzaam te verminderen. Een behandeling binnen een voorwaardelijk kader, zoals bijzondere voorwaarden of tbs met voorwaarden, wordt niet aangewezen en niet haalbaar geacht. Dit hangt samen met het ontbreken van ziekte- en probleembesef bij verdachte, alsmede het ontbreken van enige behandelmotivatie. Er is sprake van langdurige en hardnekkige psychische problematiek, waarbij waanovertuigingen een prominente en richtinggevende rol spelen in het denken en handelen. Deze overtuigingen zijn niet corrigeerbaar en gaan gepaard met een structureel gebrek aan ziektebesef. Hierdoor ontbreekt intrinsieke motivatie om zich te houden aan behandel- en toezichtafspraken. Hoewel een zorgmachtiging op grond van de Wvggz mogelijkheden

biedt tot het opleggen van verplichte zorg, biedt dit civielrechtelijke kader volgens de gedragsdeskundigen onvoldoende waarborgen om het risico voor derden adequaat te beheersen.

Met name de externe gerichtheid van het risico, in combinatie met de hardnekkigheid van de

waanovertuigingen, maakt dat sprake is van een reëel en aanhoudend gevaar voor derden, aldus de gedragsdeskundigen.

Naar aanleiding van aanvullende vragen van de verdediging hebben de gedragsdeskundigen benadrukt dat een langdurend klinisch traject geïndiceerd is. Hoewel dat ook mogelijk zou zijn in het kader van een zorgmachtiging, kent dat kader niet hetzelfde wettelijk uitgewerkte systeem van langdurig beveiligingsgericht toezicht, verlofbeoordeling en gefaseerde resocialisatie als de tbs-maatregel. Binnen de tbs-maatregel bestaan volgens de gedragsdeskundigen meer mogelijkheden om langdurig toezicht en beveiliging af te stemmen op het recidiverisico van verdachte.

De tbs-maatregel

Gelet op de inhoud van de rapporten en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd is de rechtbank van oordeel dat een maatregel van terbeschikkingstelling noodzakelijk is.

Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat voldaan wordt aan de eisen die de wet daaraan stelt, te weten:

- bij verdachte bestond ten tijde van het plegen van het feit een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens;

- het gepleegde misdrijf is een misdrijf als bedoeld in artikel 37a, eerste lid, aanhef en onder 2, Sr;

- de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen eist die maatregel.

De rechtbank neemt de conclusies van de gedragsdeskundigen over het hoge recidiverisico en het reële en aanhoudende gevaar voor derden over. Gelet op dit gevaar, de aard en de ernst van de problematiek en het ontbreken van ziektebesef en behandelmotivatie, acht de rechtbank dwangverpleging noodzakelijk.

De rechtbank stelt vast dat de maatregel wordt opgelegd voor een misdrijf dat niet gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De totale duur van de maatregel kan daarom een periode van vier jaar niet te boven gaan.

Voor een zorgmachtiging ziet de rechtbank geen ruimte, omdat gelet op de aard, de ernst en de duur van de stoornis en het hoge recidiverisico een zeer gecontroleerd resocialisatietraject noodzakelijk is ter bescherming van derden. Het kader van een zorgmachtiging biedt daarvoor onvoldoende waarborgen.

De maatregel van artikel 38z Sr

Daarnaast is een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z, eerste lid, Sr (hierna: maatregel langdurig toezicht) noodzakelijk. Uit het rapport van het PBC blijkt dat sprake is van een groot gevaar voor herhaling van delictgedrag, met name belaging, vanwege de chronische stoornis in de realiteitstoetsing. Met name de externe gerichtheid van het risico, in combinatie met de hardnekkigheid van de

waanovertuigingen, maakt dat sprake is van een reëel en aanhoudend gevaar voor derden. Omdat de opgelegde tbs-maatregel gemaximeerd is, eindigt deze uiterlijk na vier jaar. Gelet op deze omstandigheden dient verdachte naar het oordeel van de rechtbank langdurig onder toezicht te staan om de algemene veiligheid van personen te beschermen.

Ook aan de overige wettelijke vereisten voor de oplegging van de maatregel langdurig toezicht is voldaan. De verdachte zal namelijk ter beschikking worden gesteld.

Gelet op het voorgaande zal de maatregel langdurig toezicht worden opgelegd.

7 Het beslag

Ten aanzien van de in beslag genomen voorwerpen, te weten twee telefoons, wordt een last gegeven tot teruggave aan verdachte.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 37a, 37b, 38z en 285b van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 Beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de dagvaarding ten aanzien van feit 1 nietig voor zover deze betrekking heeft op de daarin genoemde rechtspersonen (omroepen);

- verklaart de dagvaarding voor het overige geldig;

- verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte voor het onder feit 1 ten laste gelegde feit, voor zover dat betrekking heeft op de medewerkers van de omroepen en hun familieleden (met uitzondering van aangever [benadeelde 3] );

- verklaart de officier van justitie voor het overige ontvankelijk in de vervolging;

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder feit 2 ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder feit 1 tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

feit 1: belaging

- verklaart verdachte niet strafbaar voor het onder 1 bewezenverklaarde en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging;

Oplegging maatregelen

- gelast de terbeschikkingstelling van verdachte, met verpleging van overheidswege;

- legt aan verdachte op de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

- 1 stk GSM, Google, voorwerpnummer G2828498;

- 1 stk GSM, Oppo, voorwerpnummer G2828506.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Bergen, voorzitter,

en mr. H. Skalonjic en mr. M. Koek, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.J. Moggré-Hengst, griffier,

en is uitgesproken ter openbare zitting op 29 oktober 2026.

De voorzitter en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1
hij meermalen in of omstreeks de periode van 1 juni 2023 tot en met 18 februari 2025 te [geboorteplaats] ,
althans in Nederland,
wederrechtelijk
stelselmatig
opzettelijk
inbreuk heeft gemaakt
op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van
medewerkers van omroep PowNed en/of NPO en/of Avro Tros (radio
DJ's, presentatoren, producers en andere medewerkers) en/of
familieleden van voornoemde medewerkers en/of
omroepvereniging Powned en/of Stichting NPO en/of
omroepvereniging Avro Tros ,
door de omroepen en/of de medewerkers en/of familieleden van die
medewerkers berichten te sturen middels de [radiostation] app en/of
instagram en/of direct messages en/of facebook, althans via sociale
media, en/of sms en/of die medewerkers en/of hun familieleden
telefonisch te benaderen en/of naar het mediapark te Hilversum te gaan
en daar foto's van zichzelf te maken en deze vervolgens te delen met die
medewerkers en/of stichting en/of omroepen
met het oogmerk die medewerkers en/of omroepvereniging Powned
en/of Stichting NPO en/of omroepvereniging Avro Tros , te dwingen iets
te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;
( art 285b lid 1 Wetboek van Strafrecht )

2
hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2023 tot en met 18 februari 2025
te [geboorteplaats] , in elk geval in Nederland, zich
een of meer persoonsgegevens van een ander/of een derde, te weten het
telefoonnummer en huisadres van [benadeelde 3] (echtgenoot van [radiostation]
[radiostation] DJ [persoon] ) en/of de telefoonnummer van [benadeelde 1]
en/of [benadeelde 2]
heeft verschaft, heeft verspreid en/of anderszins ter beschikking heeft
gesteld,
met het oogmerk om voornoemde personen
- vrees aan te (laten)jagen
- ernstige overlast aan te (laten) doen en/of
- in de uitoefening van zijn ambt of beroep ernstig te (laten) hinderen;
( art 285d lid 1 Wetboek van Strafrecht )