Strafrecht overig

Artikelen 287 en 302 van het Wetboek van Strafrecht. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot…

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 3 november 2026

Zaakgegevens

Op 3 november 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Breda
Datum uitspraak
3 november 2026
Datum publicatie
4 november 2026
Zaaknummer
02-108374-26
Procedure
Op tegenspraak
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:10731
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Artikelen 287 en 302 van het Wetboek van Strafrecht. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag en aan drie pogingen tot zware mishandeling. Verdachte is op de vlucht geslagen voor de politie en is tijdens de achtervolging op drie verschillende momenten met zijn personenauto ingereden op verbalisanten. Verdachte is verminderd toerekeningsvatbaar. Strafoplegging: een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk. De bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen toezicht zijn dadelijk uitvoerbaar. Tevens wordt opgelegd de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (GVM).

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02-108374-26

Vonnis van de meervoudige kamer van 3 november 2026

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1989 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonadres]

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te [locatie] ,

raadsvrouw mr. A. Darrazi, advocaat te Breda.

1 Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 20 oktober 2026, waarbij de officier van justitie mr. I. Bouhdan en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte

feit 1: heeft geprobeerd om [verbalisant 1] te doden of zwaar lichamelijk letsel toe te brengen dan wel hem heeft bedreigd;

feit 2: heeft geprobeerd om [verbalisant 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen dan wel hem heeft bedreigd;

feit 3: heeft geprobeerd [verbalisant 3] te doden of zwaar lichamelijk letsel toe te brengen dan wel hem heeft bedreigd

feit 4: heeft geprobeerd om verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen dan wel hen heeft bedreigd.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de onder feit 1 tot en met 4 primair ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. Verdachte is op drie verschillende momenten met zijn personenauto ingereden op verbalisanten, waardoor hij zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag van [verbalisant 1] en aan poging tot zware mishandeling van de verbalisanten [verbalisant 2] , [verbalisant 3] , [verbalisant 4] en [verbalisant 5] .

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het toebrengen van dodelijk of zwaar lichamelijk letsel aan de verbalisanten en evenmin op het bedreigen van de verbalisanten.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1.

De bewijsmiddelen

Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht.

4.3.2.

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Feit 1 primair

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte in de nacht van

11 april 2026 de bestuurder was van een Daihatsu en dat hij met hoge snelheid door Roosendaal reed. Verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 2] zetten met hun dienstvoertuig de achtervolging in en schakelden via de portofoon de hulp in van verbalisant [verbalisant 1] .

[verbalisant 1] bevond zich op dat moment op de Boulevard en ging midden op de weg staan waar hij verdachte een stopteken gaf. Verdachte stopte niet, maar reed zonder te remmen in een rechte lijn op [verbalisant 1] af, waarbij hij zijn snelheid verhoogde toen hij op een afstand was van 30 tot 50 meter. Om een aanrijding te voorkomen stapte [verbalisant 1] op korte afstand van de Daihatsu opzij, waardoor hij tegen een naast hem geparkeerde ambulance kwam te staan, waarna verdachte hem rakelings passeerde.

De rechtbank is van oordeel dat verder kan worden vastgesteld dat verdachte met een snelheid van minstens 55 km/u op [verbalisant 1] is afgereden. Door zes verbalisanten is waargenomen dat verdachte een hogere snelheid reed dan de ter plaatste toegestane snelheid van 50 km/u en dat verdachte zijn snelheid verhoogde bij het naderen van [verbalisant 1] . Een van deze verbalisanten was [verbalisant 2] , die achter verdachte reed met een snelheid van 55 km/u en in afstand steeds verder achter raakte op het voertuig van verdachte. De rechtbank heeft dan ook geen redenen om te twijfelen aan de inschatting van de betrokken verbalisanten, mede gezien hun ervaring en deskundigheid.

De lezing van verdachte dat hij [verbalisant 1] niet midden op de weg heeft zien staan, is volstrekt onlogisch gelet op de positie van de door hem bestuurde Daihatsu ten opzichte van [verbalisant 1] .

Er was brandende straatverlichting en [verbalisant 1] stond naast geparkeerde politievoertuigen en een ambulance met oranje knipperende signaalverlichting. Bovendien was sprake van een rechte weg, dus [verbalisant 1] is langere tijd goed zichtbaar geweest voor verdachte. Dit past ook bij het gegeven dat [verbalisant 1] is gezien door [verbalisant 2] , toen hij ongeveer op een afstand van 50 meter achter het voertuig van verdachte reed.

De vraag is of verdachte zich door zijn handelen schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag van verbalisant [verbalisant 1] . Voor een bewezenverklaring van poging tot doodslag moet verdachte vol of voorwaardelijk opzet op de dood van [verbalisant 1] hebben gehad.

Het dossier bevat geen concreet aanknopingspunt dat verdachte vol opzet had op de dood van [verbalisant 1] .

Van voorwaardelijk opzet is sprake wanneer het handelen van verdachte een aanmerkelijke kans op dodelijk letsel teweeg heeft gebracht, verdachte zich bewust was van die aanmerkelijke kans en die kans ook heeft aanvaard. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten, dat wil zeggen: een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid.

De rechtbank is van oordeel dat wanneer een personenauto met een snelheid van minstens 55 km/u recht op een persoon die op straat staat afrijdt, zonder uit te wijken of te remmen, naar algemene ervaringsregels kan worden aangenomen dat de kans aanmerkelijk is dat die persoon dodelijk letsel oploopt. De gedragingen van verdachte zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van dodelijk letsel dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte door zijn handelen de aanmerkelijke kans op het overlijden van [verbalisant 1] ook bewust heeft aanvaard. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat verdachte voorwaardelijk opzet had op het toebrengen van dodelijk letsel aan verbalisant [verbalisant 1] .

De rechtbank acht de primair ten laste gelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen.

Feit 2 primair, feit 3 primair, feit 4 primair

Na het rakelings passeren van verbalisant [verbalisant 1] werd de achtervolging van verdachte voortgezet door [verbalisant 2] en [verbalisant 3] . Zij zagen dat verdachte de controle over zijn stuur verloor en tot stilstand kwam op de Laan van Luxemburg. Beide verbalisanten begaven zich naar het voertuig van verdachte; [verbalisant 3] ging staan aan de bestuurderszijde van de Daihatsu en [verbalisant 2] aan de bijrijderszijde. Verdachte bleef zitten in zijn auto en reed met verhoogde snelheid achteruit, waarbij [verbalisant 2] opzij moest springen om te voorkomen dat hij zou worden geraakt. Door de achteruitrijmanoeuvre van verdachte kwam [verbalisant 3] voor de neus van de Daihatsu te staan, waarop verdachte zijn auto met enige vaart vooruit reed in de richting van [verbalisant 3] . Ook [verbalisant 3] moest opzij springen om te voorkomen dat hij werd aangereden.

Verdachte reed er vervolgens opnieuw vandoor, waarna de achtervolging werd voortgezet door verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 4] . Verdachte zette zijn voertuig stil op de Kloosterstraat waarop verbalisanten hun dienstvoertuig parkeerden achter verdachte op een afstand van 5 tot 8 meter. Bijrijder [verbalisant 5] stapte uit en ging naast het dienstvoertuig staan met zijn autoportier geopend. Vervolgens zagen en hoorden verbalisanten dat verdachte met slippende banden zijn voertuig achteruit reed in de richting van hun dienstvoertuig. [verbalisant 5] gooide zijn autoportier dicht om te voorkomen dat deze tegen zijn lichaam zou komen. De Daihatsu botste tegen de voorzijde van het dienstvoertuig waardoor deze naar achteren rolde.

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat de onder feit 3 ten laste gelegde poging tot doodslag van verbalisant [verbalisant 3] niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Vast staat dat verdachte met zijn Daihatsu is ingereden op genoemde verbalisant, maar dit gebeurde vanuit stilstand. Niet staat vast dat verdachte met een dusdanig hoge snelheid op [verbalisant 3] is ingereden dat de kans aanmerkelijk was dat hij dodelijk letsel zou bekomen. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van de poging tot doodslag.

De rechtbank moet vervolgens de vraag beantwoorden of er sprake was van (voorwaardelijk) opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

De rechtbank stelt vast dat het dossier geen concreet aanknopingspunt bevat dat verdachte vol opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, maar dat wel kan worden geconcludeerd tot voorwaardelijk opzet bij verdachte ten aanzien van de verbalisanten [verbalisant 2] , [verbalisant 3] en [verbalisant 5] . De rechtbank is van oordeel dat onder de hierboven gegeven omstandigheden - met name gezien de positionering van deze drie verbalisanten -

de kans aanmerkelijk was dat zij zwaar lichamelijk letsel zouden bekomen als zij niet op tijd opzij waren gesprongen. De gedragingen van verdachte kunnen naar de uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans daarop bewust heeft aanvaard.

De rechtbank komt tot een ander oordeel ten aanzien van verbalisant [verbalisant 4] . [verbalisant 4] zat als bestuurder in zijn stilstaand dienstvoertuig op het moment dat verdachte met zijn Daihatsu vanuit stilstand optrok en met enige vaart tegen de voorzijde van het dienstvoertuig botste. De rechtbank is van oordeel dat in zo’n situatie, naar algemene ervaringsregels, de kans niet aanmerkelijk was dat [verbalisant 4] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Aan de vraag of er ten aanzien van verbalisant [verbalisant 4] wel sprake is van bedreiging, komt de rechtbank niet toe nu zij wel de poging tot zware mishandeling van verbalisant [verbalisant 5] bewezen acht.

De rechtbank acht bewezen de onder feit 2, feit 3 en feit 4 primair ten laste gelegde pogingen tot zware mishandeling van de verbalisanten [verbalisant 2] , [verbalisant 3] en [verbalisant 5] .

4.4.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

feit 1 primair

op 11 april 2026 te Roosendaal, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten de heer [verbalisant 1] (inspecteur bij de Eenheid Zeeland-West-Brabant) van het leven te beroven,

- een stopteken gegeven door die [verbalisant 1] heeft genegeerd en

- vervolgens met een personenauto met een aanzienlijke snelheid in de richting van die [verbalisant 1] is gereden en is blijven rijden zonder te remmen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 2 primair

op 11 april 2026 te Roosendaal, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten de heer [verbalisant 2] (agent bij de Eenheid Zeeland-West-Brabant), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een personenauto, waar die [verbalisant 2] zich aan de bijrijderszijde bevond, vanuit stilstand schuin naar achteren is gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 3 primair

op 11 april 2026 te Roosendaal, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten de heer [verbalisant 3] (hoofdagent bij de Eenheid Zeeland-West-Brabant) zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een personenauto in de richting van die [verbalisant 3] is gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 4 primair

op 11 april 2026 te Roosendaal, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten de heer [verbalisant 5] (agent bij de Eenheid Zeeland-West-Brabant) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

- met een personenauto in de richting van die [verbalisant 5] is gereden en

- vervolgens tegen het politievoertuig waar die [verbalisant 5] zich naast bevond is aangereden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en oplegging van de door de reclassering geadviseerde voorwaarden. Daarnaast is oplegging gevorderd van de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (hierna:

GVM).

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om verdachte tot niet meer te veroordelen dan een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest, aangevuld met een geheel voorwaardelijk strafdeel. Verdachte is bereid tot naleving van de door de reclassering geadviseerde voorwaarden en hij heeft geen bezwaar tegen een proeftijd van 3 jaar.

De verdediging heeft zich verzet tegen oplegging van de GVM.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag van verbalisant [verbalisant 1] en aan poging tot zware mishandeling van de verbalisanten [verbalisant 2] , [verbalisant 3] en

[verbalisant 5] . In de nacht van 11 april 2026 is verdachte op de vlucht geslagen voor de politie. Tijdens de achtervolging in Roosendaal is verdachte op drie verschillende momenten met zijn personenauto ingereden op de verbalisanten. Het is puur te danken aan het snelle handelen van deze verbalisanten dat niemand gewond is geraakt.

Het spreekt voor zich dat het strafbare handelen van verdachte heeft geleid tot negatieve emoties bij de verbalisanten. Zowel [verbalisant 1] als [verbalisant 5] hebben aangegeven dat ze zich genoodzaakt voelden om hun dienstvuurwapen ter hand te nemen en te richten toen verdachte op hen af reed. Dit heeft op beiden diepe indruk gemaakt. [verbalisant 5] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] ervoeren na die bewuste nacht gevoelens van onrust en spanning en een aangetast gevoel van veiligheid bij de uitoefening van hun werkzaamheden. De rechtbank rekent deze gevolgen verdachte zwaar aan.

Bij de bepaling van de strafmaat slaat de rechtbank acht op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht en op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.

In strafverzwarende zin weegt de rechtbank mee dat de strafbare feiten tegen verbalisanten zijn gepleegd. De politie zet zich dag en nacht in voor de veiligheid van anderen en door toedoen van verdachte waren minstens vijf dienstvoertuigen die nacht niet elders inzetbaar, met alle mogelijke gevolgen van dien. Extra zorgwekkend is dat verdachte al eerder op 6 mei 2021 is veroordeeld voor het plegen van geweld tegen de politie. De toen aan hem opgelegde gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, heeft verdachte blijkbaar niet doen inzien dat zulk gedrag onacceptabel is.

De rechtbank kijkt ook naar de rapportages die over verdachte zijn opgemaakt.

In het psychologisch onderzoek van 7 augustus 2026 wordt vermeld dat verdachte zwakbegaafd is en dat bij hem sprake is van een antisociale persoonlijkheidsstoornis met borderline trekken. Hierdoor was verdachte op 11 april 2026 beperkt in zijn vermogen om de situatie adequaat te beoordelen, spanning te reguleren, alternatieven voor zijn handelen te overwegen en de gevolgen van zijn gedrag te overzien. Er was echter geen sprake van een dusdanige ernstige psychologische ontregeling dat verdachte geen controle had over zijn handelen. De psycholoog adviseert om het bewezenverklaarde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. De kans op gewelddadige recidive wordt ingeschat als matig tot hoog. Langdurige structuur, toezicht en begeleiding zijn noodzakelijk om het recidiverisico te beperken, waarbij de nadruk ligt op begeleiding en het behouden van stabiliteit. Behandeling van de bij verdachte aanwezige problematiek kan worden overwogen als sprake is van meer stabiliteit. Een en ander kan worden geboden binnen het kader van een (deels) voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden. Aanvullend kan een GVM worden overwogen, gezien de verhoogde kans op recidive bij oplopende spanningen en het wegvallen van toezicht en begeleiding.

Door de reclassering is een advies uitgebracht op 13 augustus 2026. Zij schrijft dat risicofactoren aanwezig zijn op meerdere leefgebieden. Verdachte heeft geen dagbesteding en geen inkomen en er is sprake van schulden. Ook de relatie met zijn ex-partner met wie verdachte een zoon heeft wordt als risicofactor benoemd. Verder wordt melding gemaakt van criminogene statische factoren, zoals huiselijk geweld in de jeugd van verdachte, zijn delict verleden en andere ingrijpende levensgebeurtenissen die nog altijd invloed lijken te hebben op zijn psychosociaal functioneren. De huisvesting van verdachte wordt als enige beschermende factor genoemd. De reclassering schat het risico op recidive in als gemiddeld tot hoog. Zij ziet een verhoogd risico bij aanwezigheid van externe stressoren als structuur en begeleiding ontbreken. Geadviseerd wordt om verdachte te veroordelen tot een (deels) voorwaardelijk straf en om hieraan als bijzondere voorwaarden te verbinden een meldplicht, ambulante behandeling en ambulante begeleiding. Daarbij wordt gevraagd om de voorwaarden en het toezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Daarnaast acht de reclassering aanvullend de oplegging van de GVM van belang. Een langdurig kader met toezicht, begeleiding en risicomanagement is noodzakelijk ter bescherming van de maatschappij.

Verdachte heeft op zitting verklaard dat hij spijt heeft van zijn daden en wil meewerken aan alle geadviseerde voorwaarden. Hij heeft erkend als een dolle te hebben gereden en zou willen dat hij dit kon terugdraaien. De rechtbank heeft de indruk dat bij verdachte sprake is van oprecht berouw.

Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan

12 maanden voorwaardelijk, passend en geboden. Aan het voorwaardelijk strafdeel worden verbonden de door de reclassering geadviseerde voorwaarden. Gezien de bestaande zorgen over verdachte zal de proeftijd worden vastgesteld op drie jaar, zoals dit is gevorderd door de officier van justitie.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan misdrijven die zijn gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van meerdere personen. Gelet op de over verdachte opgemaakte rapporten is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.

Naast de deels voorwaardelijke gevangenisstraf zal de rechtbank ook de GVM aan verdachte opleggen. Daarmee wordt de mogelijkheid gecreëerd om verdachte ook na verloop van de gevangenisstraf onder toezicht te stellen indien dat in verband met dan bestaande risico's noodzakelijk is. Aan de wettelijke vereisten voor oplegging van de maatregel is voldaan. Wat betreft de noodzaak tot deze maatregel overweegt de rechtbank dat langdurige ondersteuning gelet op de problematiek van verdachte nodig is, waardoor gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende voorwaarden na de gevangenisstraf passend en geboden kunnen zijn.

7 Het beslag

Het onder verdachte in beslag genomen voertuig (goednummer 2983631) wordt verbeurd verklaard. Het voertuig is hiervoor vatbaar en het wordt passend geacht om naast de hoofdstraffen verbeurdverklaring op te leggen, omdat de bewezenverklaarde feiten met behulp van dit voertuig zijn begaan.

8 De vorderingen van de benadeelde partijen

De benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een schadevergoeding van € 750,00 voor immateriële schade (feit 2).

De benadeelde partij [verbalisant 3] vordert een schadevergoeding van € 1.000,00 voor immateriële schade (feit 3).

De benadeelde partij [verbalisant 5] vordert een schadevergoeding van € 400,00 voor immateriële schade (feit 4).

De rechtbank heeft overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte feit 2 primair, feit 3 primair en feit 4 primair heeft gepleegd. Dit betekent dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partijen en dat verdachte verplicht is de door hen geleden schade te vergoeden.

De rechtbank stelt voorop dat als schade, die het gevolg is van een onrechtmatige daad, een nadeel omvat dat niet uit vermogensschade bestaat, de benadeelde op grond van artikel 6:106 lid 1, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding. Dat kan als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.

Van ‘een aantasting in zijn persoon op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hier op beroept, moet voldoende concrete gegevens aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daarvoor is nodig dat het bestaan van geestelijk letsel naar objectieve maatstaven kan worden vastgesteld, bijvoorbeeld aan de hand van informatie afkomstig van een psychiater of psycholoog. Nu bij de ingestelde vorderingen een dergelijke onderbouwing ontbreekt, zal de rechtbank de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 38z, 45, 57, 287 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 primair: Poging tot doodslag;

feit 2 primair: Poging tot zware mishandeling;

feit 3 primair: Poging tot zware mishandeling;

feit 4 primair: Poging tot zware mishandeling;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;

* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

* dat verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt verdachte zich binnen drie werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het adres Langendijk 34 (4819 EW Breda);

* dat verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Fivoor of een soortgelijke

zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start zo spoedig mogelijk. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op persoonlijkheidsproblematiek, traumaverwerking en emotie- en agressieregulatie en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;

* dat verdachte zich laat begeleiden door een FACT-team of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De begeleiding start zo spoedig mogelijk en duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de begeleiding;

- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- bepaalt dat de aan de voorwaardelijke straf verbonden voorwaarden en het op de naleving van die voorwaarden uit te oefenen reclasseringstoezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel

- legt aan verdachte op de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht;

Benadeelde partijen

- verklaart de benadeelde partij [verbalisant 2] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij [verbalisant 3] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij [verbalisant 5] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil;

Beslag

- verklaart verbeurd het onder verdachte in beslag genomen voertuig (goednummer 2983631).

Dit vonnis is gewezen door mr. D. van Kralingen, voorzitter,

en mr. C.H.M. Pastoors en mr. A.K. Bloemendal, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H.J.E.M. Hoezen, griffier,

en is uitgesproken ter de openbare zitting op 3 november 2026.

Bijlage I: De tenlastelegging

1.

hij op of omstreeks 11 april 2026 te Roosendaal, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten de heer [verbalisant 1] (inspecteur bij de Eenheid Zeeland-West-Brabant) van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

- ( een) stopteken(s) gegeven door die [verbalisant 1] heeft genegeerd en/of

- ( vervolgens) met een (personen)auto (met een hoge, althans aanzienlijke snelheid) in de richting van die [verbalisant 1] is gereden en/of blijven rijden zonder (voldoende) zijn snelheid te minderen/te remmen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

( art 287 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 11 april 2026 te Roosendaal, in elk geval in Nederland, de heer [verbalisant 1] (inspecteur bij de Eenheid Zeeland-West-Brabant) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door

- ( een) stopteken(s) gegeven door die [verbalisant 1] te negeren en/of

- ( vervolgens) met een (personen)auto (met een hoge, althans aanzienlijke snelheid) in de richting van die [verbalisant 1] te rijden en/of blijven rijden zonder (voldoende) zijn snelheid te minderen/te remmen;

( art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

2.

hij op of omstreeks 11 april 2026 te Roosendaal, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten de heer [verbalisant 2] (agent bij de Eenheid Zeeland-West-Brabant), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een (personen)auto waar die [verbalisant 2] zich aan de linkerzijde van de bestuurderszijde bevond vanuit stilstand (met aanzienlijke snelheid) schuin naar achteren is gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 11 april 2026 te Roosendaal, in elk geval in Nederland, de heer [verbalisant 2] (agent bij de Eenheid Zeeland-West-Brabant) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door met een (personen)auto waar die [verbalisant 2] zich aan de linkerzijde van de bestuurderszijde bevond vanuit stilstand (met aanzienlijke snelheid) schuin naar achteren te rijden;

( art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

3.

hij op of omstreeks 11 april 2026 te Roosendaal, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten de heer [verbalisant 3] (hoofdagent bij de Eenheid Zeeland-West-Brabant) van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een (personen)auto (met een hoge, althans aanzienlijke snelheid) in de richting van die [verbalisant 3] is gereden en/of blijven rijden zonder (voldoende) zijn snelheid te minderen/te remmen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

( art 287 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 11 april 2026 te Roosendaal, in elk geval in Nederland, de heer [verbalisant 3] (hoofdagent bij de Eenheid Zeeland-West-Brabant) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door met een (personen)auto (met een hoge, althans aanzienlijke snelheid) in de richting van die [verbalisant 3] te rijden en/of blijven rijden zonder (voldoende) zijn snelheid te minderen/te remmen;

( art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

4.

hij op of omstreeks 11 april 2026 te Roosendaal, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten de heer [verbalisant 4] (hoofdagent bij de Eenheid Zeeland-West-Brabant) en/of de heer [verbalisant 5] (agent bij de Eenheid Zeeland-West-Brabant) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

- met een (personen)auto (met een hoge, althans aanzienlijke snelheid) in de richting van die [verbalisant 4] en/of [verbalisant 5] is gereden en/of blijven rijden zonder (voldoende) zijn snelheid te minderen/te remmen en/of

- ( vervolgens) tegen het politievoertuig waar die [verbalisant 4] zich in en/of die [verbalisant 5] zich naast bevond is aangereden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 11 april 2026 te Roosendaal, in elk geval in Nederland, de heer [verbalisant 4] (hoofdagent bij de Eenheid Zeeland-West-Brabant) en/of de heer [verbalisant 5] (agent bij de Eenheid Zeeland-West-Brabant) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door

- met een (personen)auto (met een hoge, althans aanzienlijke snelheid) in de richting van die [verbalisant 4] en/of [verbalisant 5] te rijden en/of blijven rijden zonder (voldoende) zijn snelheid te minderen/te remmen en/of

- ( vervolgens) tegen het politievoertuig waar die [verbalisant 4] zich in en/of die [verbalisant 5] zich naast bevond te rijden.

( art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht )