Socialezekerheidsrecht
De Raad wijst het verzoek om het college te veroordelen in de proceskosten van appellante af. Geen sprake van…
ECLI:NL:CRVB:2026:1015 · Centrale Raad van Beroep · 21 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2026-1015
Zaakgegevens
Op 21 juli 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 21 juli 2026
- Datum publicatie
- 3 augustus 2026
- Zaaknummer
- 24/2781 PW-PV
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2026:1015
Samenvatting
De Raad wijst het verzoek om het college te veroordelen in de proceskosten van appellante af. Geen sprake van van een tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb.
Uitspraak
24/2781 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 26 november 2024, 24/107 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Heerlen (college)
Datum uitspraak: 21 juli 2026
Zitting heeft: C.F.E. van Olden-Smit
Griffier: R.R. Olde Engberink
Voor appellante is mr. O.C. Bozbiyik, advocaat, verschenen. Het college heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om het college te veroordelen in de proceskosten van appellante af.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. Appellante heeft op 29 september 2023 een verzoek bij het college ingediend om ontheffing van de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9 van de Participatiewet (PW).
2. Met een besluit van 30 november 2023, verzonden op 10 januari 2024, heeft het college appellante vrijstelling verleend voor de periode van drie maanden, van 23 november 2023 tot en met 22 februari 2024.
3. Met een uitspraak van 26 november 2024 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard voor wat betreft het niet tijdig beslissen op het verzoek van appellante. Daarbij is een dwangsom toegekend van € 857,-, is bepaald dat het college het griffierecht van € 51,- aan appellante moet vergoeden en is het college veroordeeld in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 837,-. Het beroep tegen het besluit van 30 november 2023 heeft de rechtbank ongegrond verklaard. Appellante heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.
4. Hangende het hoger beroep heeft appellante op 5 maart 2025 opnieuw een verzoek ingediend om ontheffing van de arbeidsverplichtingen. Met een besluit van 3 juni 2025 heeft het college geoordeeld dat sprake is van een situatie als genoemd in artikel 9, vijfde lid, van de PW en dat de verplichtingen van artikel 9, eerste lid aanhef en onder a, b en c, van de PW niet meer op appellante van toepassing zijn.
5. Omdat de Raad uit de gedingstukken niet is gebleken dat het college in de periode van 22 februari 2024 tot 3 juni 2025 arbeidsverplichtingen aan appellante heeft opgelegd of dat maatregelen zijn genomen wegens het niet nakomen van de arbeidsverplichtingen, heeft de Raad met een brief van 6 maart 2026 het procesbelang in hoger beroep aan de orde gesteld.
6. Op 27 maart 2026 heeft appellante het hoger beroep ingetrokken. Daarbij heeft appellante verzocht het college te veroordelen in de proceskosten. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Appellante heeft de Raad verzocht op zitting te worden gehoord.
7. Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden beoordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
8. Het besluit van 30 november 2023 betreft de ontheffing van de arbeidsverplichtingen op grond van de PW voor de periode van 23 november 2023 tot en met 22 februari 2024. Het besluit van 3 juni 2025, op grond waarvan niet langer de verplichtingen van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, van de PW van toepassing zijn, ziet op de periode vanaf 3 juni 2025. Het besluit van 30 november 2023 is intact gebleven. Daarom is er van een tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb geen sprake. Dat, zoals appellante stelt, het besluit van 3 juni 2025 is gebaseerd op dezelfde medische beperkingen als de beperkingen die aanwezig waren voor 3 juni 2025, doet daaraan niet af. Er bestaat dan ook geen aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van appellante, zoals zij heeft verzocht. De Raad wijst het verzoek af.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) R.R. Olde Engberink (getekend) C.F.E. van Olden-Smit