25/1910 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 14 augustus 2025, 24/8320 (aangevallen uitspraak)
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 3 september 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht appellante per 7 augustus 2023 geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellante heeft zij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan zij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend.
Procesverloop
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.L.A.M. van Os, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 23 juli 2026. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten.
Inleiding
1. Appellante heeft gewerkt als callcenter medewerker voor 33,75 uur per week. Op 9 augustus 2021 heeft zij zich ziekgemeld met pijnklachten als gevolg van dystrofie in haar linkerenkel. Later zijn daar als gevolg van een val pijnklachten door dystrofie aan haar rechterelleboog bijgekomen. Appellante heeft vervolgens ook psychische klachten ontwikkeld. Nadat appellante een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een zogenoemde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 13 oktober 2023. Een arbeidsdeskundige heeft aan de hand daarvan vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellante functies geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 14,72%. Het Uwv heeft bij besluit van 29 november 2023 geweigerd appellante met ingang van 7 augustus 2023 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.1.
Bij beslissing van 18 november 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 8 november 2024, een nieuwe FML van 8 november 2024 en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 15 november 2024 ten grondslag. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat appellante haar eigen maatgevende arbeid als callcenter medewerker (vaccinatielijn) kan verrichten met inachtneming van de beperkingen die zijn vastgelegd in de FML van 8 november 2024. Dat betekent dat appellante niet arbeidsongeschikt is.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en bepalingen gegeven over de vergoeding van proceskosten en het door appellante betaalde griffierecht.
2.1.
De rechtbank heeft vastgesteld dat appellante geen kritiek heeft op de beperkingen zoals vermeld in de FML van 8 november 2024. Zij heeft dan ook geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de medische beperkingen van appellante in de FML van 8 november 2024 zijn onderschat.
2.2.
Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank vastgesteld dat het Uwv in beroep een aanvullend rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 6 februari 2025 heeft overgelegd. Uit dat rapport blijkt dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep contact heeft opgenomen met de exwerkgever van appellante, uitzendbureau [naam uitzendbureau] , om navraag te doen over de inhoud van de maatgevende arbeid. Daaruit blijkt dat de werkzaamheden bestonden uit het aannemen van telefoontjes en het inplannen van vaccinatie-afspraken. De werkzaamheden werden thuis en zittend achter een laptop verricht. Appellante moest telefoontjes die geen betrekking hadden op het maken van een vaccinatieafspraak gelijk doorverbinden naar de tweede lijn. Ieder telefoongesprek duurde maximaal 3,5 minuut en er zat meer dan één minuut pauze tussen gesprekken. Omdat dit proces zich steeds herhaalt, is volgens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep sprake van routinematig werk. Voor de volledigheid heeft overleg plaatsgevonden met de verzekeringsarts bezwaar en beroep, onder andere over het punt in de FML van 8 november 2024 dat geen bijzondere eisen aan concentratie en geheugen worden gesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is met de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van mening dat appellante geschikt is voor haar eigen maatgevende arbeid. De rechtbank heeft die conclusie gevolgd en daaraan toegevoegd dat geen wettelijke plicht bestaat voor de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep om contact op te nemen met appellante.
2.3.
De rechtbank heeft vastgesteld dat het bestreden besluit pas in beroep, met het rapport van 6 februari 2025, van een deugdelijke motivering is voorzien. Zij heeft dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb gepasseerd omdat appellante hierdoor niet is benadeeld. Zij blijft namelijk minder dan 35% arbeidsongeschikt.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat zij volledig arbeidsongeschikt is, gelet op haar beperkingen. Op basis van de medische informatie die zich reeds in het dossier bevindt, kan tot die conclusie worden gekomen. Ook de arbeidskundige beoordeling klopt volgens appellante niet. De oordelen van de primaire arbeidsdeskundige en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep zijn tegenstrijdig. Volgens appellante is de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten onrechte tot de conclusie gekomen dat zij haar eigen maatgevende arbeid nog kan verrichten met inachtneming van haar beperkingen. Zij heeft herhaaldelijk aangegeven dat zij haar eigen arbeid niet meer kan uitvoeren. Daarom had de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep contact met haar moeten opnemen. Bovendien had de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep niet bij het uitzendbureau [naam uitzendbureau] , maar bij de inlener Teleperformance navraag moeten doen over de werkzaamheden die appellante feitelijk heeft verricht in de maatgevende arbeid.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5. Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
5.1.
Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, is in essentie een herhaling van de gronden die zij bij de rechtbank heeft ingediend. Anders dan uit de aangevallen uitspraak zou kunnen worden afgeleid, heeft appellante ook de medische grondslag van het bestreden besluit bestreden. Naar het oordeel van de Raad heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 8 november 2024 de medische beperkingen, zoals verwoord in de FML van dezelfde datum, voldoende toegelicht en zijn er geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de medische beperkingen van appellante heeft onderschat. Appellante heeft (ook) in hoger beroep geen medische gegevens overgelegd die twijfel oproepen over deze medische beoordeling.
5.2.
Wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank, dat het Uwv met het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 6 februari 2025 voldoende heeft gemotiveerd dat appellante, met inachtneming van de beperkingen zoals vermeld in de FML van 8 november 2024, in staat is haar maatgevende arbeid te verrichten. Naar aanleiding van het hoger beroep wordt hieraan het volgende toegevoegd.
5.2.1.
Het standpunt van appellante dat de conclusies van de arbeidsdeskundige en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep tegenstrijdig zijn en het bestreden besluit daarom geen stand kan houden, leidt niet tot een ander oordeel. Op grond van artikel 7:11 van de Awb vindt een volledige heroverweging plaats op grondslag van het bezwaar. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep kan dus op basis van eigen onderzoek tot een andere conclusie komen dan de primaire arbeidsdeskundige, zolang daar een deugdelijke motivering aan ten grondslag ligt. Die motivering is gegeven met het rapport van 6 februari 2025. Daarbij wordt er nog op gewezen dat daarmee de beoordeling door de arbeidsdeskundige, die aan appellante functies heeft voorgehouden, niet onjuist was, terwijl voor beide beoordelingen geldt dat ze ten aanzien van het recht op een WIAuitkering een zelfde uitkomst hebben.
5.2.2.
Appellante wordt ook niet gevolgd in haar standpunt dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep verplicht was om met betrekking tot de maatgevende arbeid contact op te nemen met appellante en om daarover navraag te doen bij de inlener in plaats van het uitzendbureau. De gegeven omschrijving van de arbeid is voldoende duidelijk en gedetailleerd. Appellante heeft geen informatie overgelegd waaruit blijkt dat de omschrijving van de maatgevende arbeid van het uitzendbureau onjuist of onvolledig is. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft voldoende gemotiveerd waarom de functie passend is voor appellante en waarom geen sprake is van overschrijding van de beperkingen zoals vastgesteld in de FML van 8 november 2024. Bovendien heeft overleg plaatsgevonden over de geschiktheid van de functie met de verzekeringsarts bezwaar en beroep.