Socialezekerheidsrecht
Namens appellante is het hoger beroep ingetrokken, omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van…
Centrale Raad van Beroep, 10 juni 2026
ECLI:NL:CRVB:2026:754 · Centrale Raad van Beroep · 10 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2026-754
Zaakgegevens
Op 10 juni 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 10 juni 2026
- Datum publicatie
- 11 juni 2026
- Zaaknummer
- 22/2786 WAJONG
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2026:754
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Namens appellante is het hoger beroep ingetrokken, omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 11 februari 2026 aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen. Geen proceskostenvergoeding. Geen beroepsmatig verleende rechtsbijstand door de voormalige gemachtigde.
Uitspraak
22/2786 WAJONG
Datum uitspraak: 10 juni 2026
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 27 juli 2022, 20/9223 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft [naam 1] , hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2023. Appellante is verschenen, vergezeld door [naam 2] en bijgestaan door de heer [naam 1] . Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten. Het onderzoek ter zitting is geschorst.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
De Raad heeft L. Greveling-Fockens als deskundige benoemd. Greveling-Fockens heeft op 4 september 2024 rapport uitgebracht. Partijen hebben hun zienswijzen op het deskundigenrapport gegeven. De heer [naam 1] heeft zich onttrokken als gemachtigde. Nadien heeft mr. L.L. Ross, advocaat, zich als nieuwe gemachtigde gesteld.
De Raad heeft vervolgens psychiater J.A. Bouwens als deskundige benoemd. Bouwens heeft op 24 november 2025 rapport uitgebracht.
Het Uwv heeft op 11 februari 2026 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten. Het Uwv heeft op dit verzoek gereageerd.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.
OVERWEGINGEN
In artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Namens appellante is het hoger beroep ingetrokken, omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 11 februari 2026 aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen.
Het Uwv wordt gevolgd in zijn standpunt dat er geen grond is voor een proceskostenvergoeding. Niet is gebleken dat de voormalige gemachtigde van appellante, [naam 1] , beroepsmatig rechtsbijstand heeft verleend. Mr. Ross heeft zich pas in een latere fase in hoger beroep als gemachtigde gesteld en heeft geen voor vergoeding in aanmerking komende procesbehandeling als genoemd in de bijlage van het Besluit proceskosten bestuursrecht verricht.
Wel dient het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bepaalt dat het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 184,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door S.B. Smit-Colenbrander, in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2026.
(getekend) S.B. Smit-Colenbrander
(getekend) M.G.J. van Eck