Bestuursrecht overig

TVL Q4 2021. Proces-verbaal mondelinge uitspraak. Verzet ongegrond.

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 6 februari 2025

Zaakgegevens

Op 6 februari 2025 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
6 februari 2025
Datum publicatie
21 februari 2025
Zaaknummer
23/1121
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:CBB:2025:117
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

TVL Q4 2021. Proces-verbaal mondelinge uitspraak. Verzet ongegrond.

Uitspraak

proces-verbaal uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 23/1121

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 februari 2025


Rechter: mr. W.J.A.M. van Brussel

Griffier: mr. C.D.V. Efstratiades

Partijen

[naam 1] , handelend onder de naam [naam 2] ,

te [plaats] (ondernemer), waarvoor aanwezig is [naam 1]

en

de minister van Economische Zaken, vertegenwoordigd door mr. J.W.P. van Oosten

Beslissing

Het College verklaart het verzet ongegrond.

Overwegingen

1. Met de uitspraak van 27 augustus 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:592) heeft het College het beroep van de ondernemer tegen het besluit van de minister van 13 maart 2023 ongegrond verklaard. Het College heeft geoordeeld dat de minister de subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het vierde kwartaal (Q4) van 2021 terecht op € 3.851,75,- heeft vastgesteld. Het College oordeelde dat de minister terecht is uitgegaan van de omzet die uit de aangifte omzetbelasting blijkt. Dat de accountant de jaaromzet in de aangifte omzetbelasting over Q4 van 2021 heeft opgegeven, komt voor rekening van de ondernemer.

2. De ondernemer voert aan dat de minister twee bedrijfsauto’s die in het derde kwartaal (Q3) van 2021 zijn verkocht, maar over Q4 van 2021 in de aangifte omzetbelasting zijn opgegeven, in mindering had moeten brengen op de omzet van Q4 van 2021.

3. Het College overweegt dat de minister terecht is uitgegaan van de omzet die uit de aangifte omzetbelasting over Q4 van 2021 blijkt. Dat deze opgegeven omzet voor een deel bestaat uit de verkoop van bedrijfsauto’s in Q3 van 2021, doet hier niet aan af. De ondernemer heeft de aangifte omzetbelasting over Q4 van 2021 namelijk niet aangepast. Het verzet is ongegrond.

w.g. W.J.A.M. van Brussel w.g. C.D.V. Efstratiades