Bestuursrecht overig

De raad heeft de toelatingen van de als sjalotten aangemerkte rassen Davidor en Innovator ingetrokken omdat…

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 3 november 2026

Zaakgegevens

Op 3 november 2026 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
3 november 2026
Datum publicatie
2 november 2026
Zaaknummer
24/1015
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:CBB:2026:517
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

De raad heeft de toelatingen van de als sjalotten aangemerkte rassen Davidor en Innovator ingetrokken omdat de rasbeschrijvingen onjuist zouden zijn. Het College oordeelt dat de raad niet aannemelijk heeft gemaakt dat Davidor en Innovator niet meer aan de toelatingseisen voldoen. De raad heeft namelijk zelf een heronderzoek aangekondigd waarin definitief vastgesteld wordt of Davidor en Innovator sjalotten dan wel uien zijn.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 24/1015

uitspraak van de meervoudige kamer van 3 november 2026 in de zaak tussen

1. Bejo Zaden B.V.te Warmenhuizen (Bejo),

2. De Groot en Slot B.V.te Broek op Langedijk (DGS),

(gemachtigden: [naam 1] en [naam 2] )

en

de Raad voor plantenrassen (raad)

(gemachtigden: mr. G.A. Dictus, mr. R. van der Straten)

Procesverloop in beroep

Bejo en DGS hebben tegen het besluit van 15 oktober 2024 (bestreden besluit) beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Over een stuk dat de raad verplicht is te overleggen, heeft de raad meegedeeld dat uitsluitend het College daarvan kennis zal mogen nemen. Met de beslissing van 9 juli 2026 (ECLI:NL:CBB:2026:338) heeft het College geoordeeld dat de gevraagde beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is. Bejo en DGS hebben het College toestemming verleend om mede op grondslag van dit stuk uitspraak te doen.

Bejo en DGS hebben nadere stukken ingediend.

De zitting was op 17 september 2026. Aan de zitting hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen. Namens de raad heeft ook [naam 3] deelgenomen.

Inleiding

1.1

Bejo en DGS hebben op 29 november 2018 gezamenlijk een aanvraag ingediend voor toelating tot het Nederlandse rassenregister voor het sjalotten-ras Davidor. Op 16 januari 2019 hebben zij een aanvraag tot toelating ingediend voor een tweede sjalotten-ras, Innovator. Naar aanleiding van deze aanvragen heeft Naktuinbouw, in opdracht van de raad, onderzoeken verricht aan de hand van het ‘Protocol for distinctness, uniformity and stability tests’ (technisch protocol) van het Community Plant Variety Office (CPVO). De bevindingen van deze onderzoeken heeft Naktuinbouw opgenomen in twee afzonderlijke rapporten van 25 januari 2022. Onderdeel van deze rapporten zijn de rasbeschrijvingen van Davidor en Innovator.

1.2

Naar aanleiding van de rapporten van Naktuinbouw heeft de raad met twee afzonderlijke besluiten van 3 februari 2022 de rassen toegelaten onder de benaming (respectievelijk) Davidor en Innovator.

1.3

Bejo en DGS hebben ook een aanvraag voor Europees kwekersrecht voor het sjalotten-ras Innovator en voor Davidor ingediend bij het CPVO. Op basis van de rapporten van Naktuinbouw van 25 januari 2022 over Innovator en Davidor heeft het CPVO op 20 juni 2022 het Europees kwekersrecht verleend aan beide rassen.

1.4

In maart 2023 heeft het Franse keuringsinstituut voor plantenrassen en zaden aan het CPVO gevraagd of Innovator op grond van het technisch protocol niet als ui in plaats van als sjalot had moeten worden aangemerkt. Naar aanleiding van die vraag heeft het CPVO een onderzoek ingesteld en vervolgens een procedurefout vastgesteld als gevolg waarvan Innovator ten onrechte als sjalot in plaats van als ui is aangemerkt. Het CPVO heeft het aan Innovator verleende Europese kwekersrecht ingetrokken. Vervolgens heeft de Europese Commissie met een brief van 15 maart 2024 de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (nu: de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur) gewezen op de bevindingen van het CPVO en hem gevraagd om informatie te verstrekken, waaronder een beoordeling van de vraag of Innovator en andere als sjalot aangemerkte gewassen op de nationale rassenlijst kunnen blijven staan.

1.5

Met de afzonderlijke besluiten van 30 april 2024 (intrekkingsbesluiten) heeft de raad de toelatingen van de rassen Davidor en Innovator herroepen, de oorspronkelijke aanvragen voor toelating opnieuw in behandeling genomen en bepaald dat nieuwe technisch onderzoeken (heronderzoeken) zullen plaatsvinden waarbij het technisch protocol strikt zal worden toegepast.

1.6

Met het bestreden besluit heeft de raad de bezwaren van Bejo en DGS tegen de intrekkingsbesluiten ongegrond verklaard. Volgens de raad moeten de toelatingen van Davidor en Innovator worden ingetrokken, omdat niet wordt voldaan aan de volgende toelatingseisen: het technisch protocol moet juist worden toegepast en de rasbeschrijving moet juist en volledig zijn. De verplichting tot intrekking volgt uit zowel het nationale recht als uit het Unierecht. De suggestie van Bejo en DGS om voor afronding van het heronderzoek het technisch protocol aangepast te krijgen, volgt de raad niet. De raad is van mening dat de versie van het technisch protocol, zoals dat gold ten tijde van de start van de heronderzoeken, moet worden toegepast en dat het niet mogelijk is om daarvan af te wijken. Verder heeft de raad met ingang van 15 oktober 2024 een uitlooptermijn (uitverkooptermijn) toegekend voor de nog resterende partijen zaad van beide rassen tot uiterlijk 30 juni 2026.

Wettelijk kader

2 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.

Beoordeling van het beroep

3 Aan de orde is de vraag of de raad de toelatingen van Davidor en Innovator terecht heeft ingetrokken. Het College beantwoordt deze vraag ontkennend en licht dit hieronder toe.

4 De raad heeft de toelatingen ingetrokken op grond van artikel 14, derde lid, van het Besluit werkzaamheden Raad voor plantenrassen (Besluit). Daar is bepaald dat de raad op grond van de artikelen 8, 9, 10 of 11 een toelating intrekt in geval naar zijn oordeel niet meer aan de aan de toelating gestelde eisen wordt voldaan. Volgens de raad is in dit geval niet aan de aan de toelating gestelde eisen voldaan, omdat het technisch protocol niet juist is toegepast en omdat - als gevolg daarvan - de rasbeschrijvingen onjuist zijn. Davidor en Innovator zijn, volgens de raad, ten onrechte als sjalottenrassen aangemerkt.

5 Bejo en DGS hebben in beroep allereerst aangevoerd dat de rasbeschrijvingen van beide rassen weliswaar nog niet volledig zijn, maar dat er geen aanwijzingen zijn dat Davidor en Innovator niet aan de toelatingseisen voldoen. Het gaat dan om de toelatingseisen dat een ras onderscheidbaar, homogeen en bestendig is, zoals geformuleerd in artikel 35, eerste lid, van de Zaaizaad- en plantgoedwet 2005. De heronderzoeken die de minister heeft geëntameerd zullen daarover uitsluitsel moeten geven. Tot aan dat moment bestaat er geen grond voor de raad om tot intrekking van de toelatingen over te gaan.

6 Het College is van oordeel dat de raad de toelatingen van Davidor en Innovator ten onrechte heeft ingetrokken. Zoals uit artikel 14, derde lid, van het Besluit volgt, is de raad slechts bevoegd om tot intrekking van de toelating over te gaan, als niet meer aan de aan de toelating gestelde eisen wordt voldaan. Het is aan de raad om dit aannemelijk te maken. Daarin is de raad (nog) niet geslaagd. De raad heeft de aanvragen om toelating van Davidor en Innovator immers opnieuw in behandeling genomen en in dat kader heronderzoeken gelast. Dat betekent dat Naktuinbouw de technische onderzoeken op grond van het technisch protocol geheel opnieuw uitvoert. Weliswaar verwacht de raad niet dat op grond van deze heronderzoeken Davidor en Innovator als sjalotten zullen worden aangemerkt, maar de raad sluit dit ook niet uit. In het verweerschrift in beroep heeft de raad vermeld dat (alleen) als Naktuinbouw in de heronderzoeken andere scores toekent op bepaalde te onderzoeken kenmerken de uitkomst ‘sjalot’ kan zijn. Zouden die scores hetzelfde blijven, dan worden de Davidor en Innovator als ‘ui’ aangemerkt. Of die conclusie getrokken wordt, zal echter definitief moeten blijken uit de heronderzoeken en de scores die op grond daarvan zullen worden toegekend, aldus de raad. Hieruit leidt het College af dat de raad op het moment van de intrekking van de toelatingen nog niet uitsloot dat Davidor en Innovator toch als sjalottenrassen zouden worden aangemerkt. Weliswaar heeft de raad gesteld dat het overduidelijk is dat er fouten zijn gemaakt in het volgen van het technisch protocol bij het onderzoek ten behoeve van de toelating en dat als die fouten niet zouden zijn gemaakt het evident is dat Davidor en Innovator als uien zouden zijn aangemerkt, maar dat laat onverlet dat de raad dit onderzoek ten behoeve van de toelating niet ten grondslag heeft gelegd aan de intrekking van de toelating, maar, zoals gezegd, ook zelf een nieuw onderzoek nodig acht. Anders dan de raad lijkt te betogen, dwingt artikel 14 van de Richtlijn 2002/55/EG van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het in de handel brengen van groentezaad niet tot een andere uitkomst.

7 Uit wat onder 6 is overwogen, volgt dat aan de voorwaarden voor intrekking van de toelatingen op grond van artikel 14, derde lid, van het besluit niet was voldaan. De onder 5 weergegeven beroepsgrond slaagt dus. Gelet op de gevolgen die het College hieraan verbindt - zie hierna onder 8 - behoeven de andere beroepsgronden geen bespreking meer.

Slotsom

8 Het beroep is gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 14, derde lid, van het Besluit. Bij gebreke van een (andere) grond voor intrekking, ziet het College aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak te voorzien door de intrekkingsbesluiten te herroepen. Het is aan de raad om na ontvangst van de resultaten van de heronderzoeken te bezien of wordt voldaan aan de voorwaarden voor intrekking van de toelatingen.

9 Het College veroordeelt de raad in de door Bejo en DGS gemaakte proceskosten in bezwaar en beroep. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.266,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen op hoorzitting; waarde per punt € 666,- en wegingsfactor 1; 1 punt voor het indienen van het beroepschrift; waarde per punt € 934,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

  • verklaart het beroep gegrond;

  • vernietigt het bestreden besluit;

  • herroept de intrekkingsbesluiten van 30 april 2024 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • draagt de raad op het betaalde griffierecht van € 371,- aan Bejo en DGS te vergoeden;

  • veroordeelt de raad in de proceskosten van Bejo en DGS tot een bedrag van € 2.266,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman, mr. W.C.E. Winfield en mr. M.L. Noort, in aanwezigheid van mr. A.C. van Helvoort, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 november 2026.

w.g. D. Brugman w.g. A.C. van Helvoort

Bijlage

Richtlijn 2002/55/EG van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het in de handel brengen van groentezaad

Artikel 3

1. De lidstaten schrijven voor dat groentezaad slechts goedgekeurd, als standaardzaad gecontroleerd en in de handel gebracht mag worden, wanneer het ras in minstens één lidstaat officieel toegelaten is.

2. Elke lidstaat stelt een of meer lijsten op van de rassen waarvan het zaad op zijn grondgebied officieel tot de keuring toegelaten, als standaardzaad gecontroleerd en in de handel gebracht kan worden. De lijsten worden onderverdeeld:

a. a) volgens de rassen waarvan het zaad hetzij toegelaten kan worden als "basiszaad" of "gecertificeerd zaad", hetzij gecontroleerd kan worden als "standaardzaad" en

b) volgens de rassen waarvan het zaad slechts als standaardzaad gecontroleerd kan worden.

De lijsten kunnen door iedereen worden geraadpleegd.

3. Er wordt een gemeenschappelijke rassenlijst voor groentegewassen opgesteld op basis van de nationale rassenlijsten der lidstaten overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 16 en 17.

[…]

Artikel 4, eerste lid

1. De lidstaten dragen er zorg voor dat een ras slechts wordt toegelaten indien het onderscheidbaar, bestendig en voldoende homogeen is. […]

Artikel 5

1. Een ras is, ongeacht de kunstmatige of natuurlijke oorsprong van de eerste mutatie waaruit het is ontstaan, onderscheidbaar wanneer het zich door een of meer belangrijke eigenschappen duidelijk onderscheidt van elk ander in de Gemeenschap bekend ras.

De eigenschappen moeten duidelijk kunnen worden herkend en beschreven.

Als in de Gemeenschap bekend ras wordt beschouwd ieder ras dat, op het ogenblik waarop de aanvraag tot toelating van het te beoordelen ras volgens de voorschriften wordt ingediend:

- ofwel voorkomt op de gemeenschappelijke rassenlijst voor groentegewassen of op de gemeenschappelijke rassenlijst voor landbouwgewassen,

- ofwel, zonder op één van de lijsten te staan, is toegelaten dan wel het onderwerp is van een aanvraag tot toelating in de betrokken lidstaat of in een andere lidstaat, hetzij tot de keuring en de handel, hetzij tot de keuring voor andere landen, hetzij tot de controle als standaardzaad,

tenzij vóór het besluit inzake het verzoek om toelating van het te beoordelen ras niet meer in alle betrokken lidstaten aan voornoemde voorwaarden wordt voldaan.

2. Een ras is bestendig wanneer het na opeenvolgende vermeerderingen of, wanneer de kweker een bijzondere vermeerderingscyclus heeft vastgesteld, op het einde van elke cyclus, wat de wezenlijke eigenschappen betreft nog aan zijn beschrijving beantwoordt.

3. Een ras is voldoende homogeen indien de planten van dit ras - afgezien van enkele afwijkingen - rekening houdend met de bijzonderheden van het voortplantingssysteem van de planten, ten aanzien van alle daarvoor in aanmerking genomen eigenschappen met elkaar overeenstemmen of genetisch identiek zijn.

Artikel 7

1. De lidstaten schrijven voor dat een ras slechts kan worden toegelaten na een officieel onderzoek, in het bijzonder op het veld, ten aanzien van een voldoende groot aantal kenmerken om het ras te kunnen beschrijven. Voor het vaststellen van deze kenmerken moeten nauwkeurige en betrouwbare methoden worden gebruikt. Om het onderscheid te bepalen omvat het onderzoek op het veld ten minste de beschikbare vergelijkbare rassen die in de Gemeenschap bekend zijn in de zin van artikel 5, lid 1. Voor de toepassing van artikel 9 behoren hiertoe andere beschikbare vergelijkbare rassen. Voor rassen waarvan het zaad slechts als standaardzaad kan worden gecontroleerd, mogen de resultaten van niet-officieel onderzoek en de bij de teelt opgedane praktische ervaring in aanmerking worden genomen in samenhang met de resultaten van een officieel onderzoek.

Niettemin kan volgens de in artikel 46, lid 2, bedoelde procedure worden voorgeschreven dat rassen van bepaalde soorten groenten vanaf zekere data slechts op grond van officiële zaadonderzoeken worden toegelaten.

2. Volgens de in artikel 46, lid 2, bedoelde procedure en rekening houdend met de stand van wetenschap en techniek worden vastgesteld:

a. a) de kenmerken waartoe het onderzoek zich voor de verschillende soorten ten minste moet uitstrekken;

b) de minimumeisen betreffende het verrichten van het onderzoek.

[…]

Artikel 14

1. De lidstaten dragen er zorg voor dat de toelating van een ras wordt ingetrokken:

a. a) indien bij het onderzoek is aangetoond dat een ras niet meer onderscheidbaar, bestendig of voldoende homogeen is,

b) op verzoek van de voor het ras verantwoordelijke persoon of personen, tenzij een instandhouding verzekerd blijft.

2. De lidstaten kunnen de toelating van een ras intrekken:

a. a) wanneer de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die uit hoofde van deze richtlijn zijn vastgesteld, niet worden nagekomen,

b) wanneer bij de aanvraag tot toelating of bij het onderzoek onjuiste of misleidende inlichtingen zijn verstrekt ten aanzien van feiten waarvan de toelating afhankelijk is gesteld.

Richtlijn 2003/91/EG van de Commissie van 6 oktober 2003 houdende bepalingen ter uitvoering van artikel 7 van Richtlijn 2002/55/EG van de Raad wat betreft de kenmerken waartoe het onderzoek van bepaalde rassen van groentegewassen zich ten minste moet uitstrekken, en de minimumeisen voor dat onderzoek

Artikel 1

1. De lidstaten nemen rassen van groentegewassen die voldoen aan de eisen van lid 2, op in een nationale rassenlijst in de zin van artikel 3, lid 2, van Richtlijn 2002/55/EG.

2. Ten aanzien van onderscheidbaarheid, homogeniteit en bestendigheid:

a. a) voldoen de in bijlage I opgenomen gewassen aan de eisen van de in die bijlage opgenomen „Protocollen inzake het onderzoek op onderscheidbaarheid, homogeniteit en bestendigheid” van de raad van bestuur van het Communautair Bureau voor plantenrassen (CBP);

b) voldoen de in bijlage II opgenomen gewassen aan de in die bijlage opgenomen testrichtsnoeren voor het uitvoeren van tests inzake onderscheidbaarheid, homogeniteit en bestendigheid van de Internationale Unie tot bescherming van kweekproducten (UPOV).

In afwijking van de eerste alinea mogen biologische rassen die geschikt zijn voor biologische teelt die behoren tot de in deel A van bijlage III genoemde soorten in plaats daarvan wat homogeniteit betreft, voldoen aan de voorwaarden van deel B van die bijlage.

De lidstaten brengen tot en met 31 december 2030 uiterlijk op 31 december van elk jaar verslag uit aan de Commissie en de andere lidstaten over het aantal aanvragen voor registratie van rassen en de resultaten van de onderzoeken inzake de onderscheidbaarheid, homogeniteit en bestendigheid van die biologische rassen.

Zaaizaad- en plantgoedwet 2005

Artikel 35

1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de toelating van rassen en opstanden, die per gewas verschillend kunnen zijn. Deze regels kunnen in ieder geval betreffen:

a. de eis dat op basis van een technisch onderzoek wordt vastgesteld of een ras onderscheidbaar, homogeen en bestendig is;

b. de eis dat op basis van een technisch onderzoek wordt vastgesteld of een ras voldoende cultuur- en gebruikswaarde bezit;

c. de eis dat op basis van een technisch onderzoek wordt vastgesteld of een opstand voor bosbouwkundige doeleinden voldoet aan bij of krachtens de in de aanhef bedoelde maatregel vast te stellen voorwaarden ten behoeve van de productie van bij die maatregel aan te wijzen categorieën van teeltmateriaal;

d. de kenmerken waartoe het in de onderdelen a, b en c bedoelde technisch onderzoek zich uitstrekt alsmede de voor dit onderzoek geldende eisen en

e. nadere eisen aan de toelating alsmede de voorwaarden waaronder en de gevallen waarin de toelating door de Raad wordt gewijzigd of ingetrokken.

2. Een ras wordt als onderscheidbaar aangemerkt indien het duidelijk te onderscheiden is van elk ander ras waarvan het bestaan op het tijdstip van indiening van de aanvraag algemeen bekend is. Een ras wordt als algemeen bekend beschouwd indien het ras op het ogenblik waarop de aanvraag tot toelating van een te beoordelen ras wordt ingediend, hetzij voorkomt op een vanwege de Europese Commissie vastgestelde gemeenschappelijke lijst van rassen, hetzij is toegelaten dan wel het onderwerp is van een aanvraag tot toelating in een lidstaat van de Europese Unie.

3. Een ras wordt als homogeen aangemerkt, indien het, behoudens de variatie die mag worden verwacht van de bijzonderheden die eigen zijn aan de vermeerdering ervan, voldoende eenvormig is wat zijn van belang zijnde eigenschappen betreft.

4. Een ras wordt als bestendig aangemerkt indien zijn van belang zijnde eigenschappen onveranderd blijven na achtereenvolgende vermeerderingen of, in het geval van een bijzondere vermeerderingscyclus, aan het einde van iedere cyclus.

5. Een ras bezit voldoende cultuur- en gebruikswaarde wanneer het ten opzichte van andere in Nederland toegelaten rassen door het geheel van zijn hoedanigheden, ten minste voor de productie in een bepaald gebied, een duidelijke verbetering betekent voor hetzij de teelt, hetzij de valorisatie van de oogst of van de daaruit verkregen producten. Een lager niveau van bepaalde eigenschappen kan door andere gunstige eigenschappen gecompenseerd worden.

6. Het in het eerste lid, onderdeel a, b en c, bedoelde technisch onderzoek wordt uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van de Raad. Bij of krachtens de in het eerste lid bedoelde maatregel kunnen regels worden gesteld over de gevallen waarin en de voorwaarden waaronder de Raad ten behoeve van het technisch onderzoek van een ras gebruik kan maken van reeds met betrekking tot dat ras bestaande onderzoeksrapporten of van de resultaten van door de aanvrager zelf verrichte onderzoeken en bij de teelt opgedane praktische ervaringen.

Besluit werkzaamheden Raad voor plantenrassen

Artikel 8, eerste lid

Een ras van bij ministeriële regeling aan te wijzen groentegewassen wordt toegelaten indien het

a. blijkens een technisch onderzoek voldoet aan het vereiste, bedoeld in artikel 35, eerste lid, onderdeel a, van de wet en

b. in stand wordt gehouden door degene, onderscheidenlijk degenen, die in verband met de aanvraag tot toelating zulks heeft, onderscheidenlijk hebben, verklaard.

Artikel 14, derde lid

De Raad trekt een toelating ingevolge de artikelen 8, 9, 10 of 11 in, ingeval naar zijn oordeel niet meer aan de aan de toelating gestelde eisen wordt voldaan.

Artikel 16, eerste lid

Het technische onderzoek, bedoeld in artikel 35, eerste lid, onderdelen a, b en c, van de wet, wordt in opdracht van de Raad uitgevoerd door een door de Raad daartoe aangewezen instelling.

Artikel 17

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de wijze waarop een onderzoek als bedoeld in artikel 16 wordt uitgevoerd en de per gewas vastgestelde kenmerken waarover het onderzoek zich uitstrekt.

Regeling werkzaamheden Raad voor plantenrassen

Artikel 10, eerste lid

Het onderzoek, bedoeld in artikel 16 van het besluit, wordt bij rassen van groentegewassen uitgevoerd overeenkomstig de voorschriften bedoeld in:

a. bijlage I of bijlage II van Externe richtlijn (EG) 2003/91, voor wat betreft de vaststelling van de onderscheidbaarheid, bestendigheid en homogeniteit van de in die bijlagen opgenomen gewassen waarbij:

– alle raskenmerken zoals opgenomen in de voorschriften, bedoeld in bijlage I, in aanmerking worden genomen, of

– de met een asterisk aangeduide raskenmerken zoals opgenomen in de voorschriften, bedoeld in bijlage II, in aanmerking worden genomen, […]

Technisch protocol Allium cepa (TP) CPVO/TP-046/2 van 1 april 2009, zie bijlage I van Richtlijn 2003/91 van de Commissie van 6 oktober 2003 houdende bepalingen ter uitvoering van artikel 7 van Richtlijn 2002/55/EG van de Raad wat betreft de kenmerken waartoe het onderzoek van bepaalde rassen van groentegewassen zich ten minste moet uitstrekken, en de minimumeisen voor dat onderzoek.