Bestuursrecht overig

Teeltverbod, knolcyperus. Het College is van oordeel dat de minister het in bezwaar gehandhaafde teeltverbod…

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 3 november 2026

Zaakgegevens

Op 3 november 2026 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
3 november 2026
Datum publicatie
2 november 2026
Zaaknummer
25/251
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:CBB:2026:518
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Teeltverbod, knolcyperus. Het College is van oordeel dat de minister het in bezwaar gehandhaafde teeltverbod op het punt van de afbakening van het perceelsgedeelte waarvoor het geldt, onzorgvuldig heeft voorbereid en niet deugdelijk heeft gemotiveerd. Het College vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op om een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 25/251

uitspraak van de meervoudige kamer van 3 november 2026 in de zaak tussen

[naam 1] , te [woonplaats 1]

(gemachtigde: mr. S. Oord)

en

de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

(gemachtigden: mr. P.C.T. Bijveld en mr. V.A. Textor)

Procesverloop in beroep

[naam 1] heeft tegen het besluit van 11 februari 2025 (bestreden besluit) beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend en nadere stukken ingezonden.

Ook [naam 1] heeft nadere stukken ingezonden.

De zitting was op 17 september 2026. [naam 1] heeft deelgenomen aan de zitting, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens de minister hebben mr. P.C.T. Bijveld, mr. [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] deelgenomen.

Inleiding

1.1

Een inspecteur van de Stichting Nederlandse Algemene Kwaliteitsdienst voor zaaizaad en pootgoed van landbouwgewassen (NAK) heeft op 25 juli 2024 knolcyperus aangetroffen op een perceel in [woonplaats 2] waarvan [naam 1] eigenaar is (perceel). De inspecteur heeft de besmetting vastgesteld op een oppervlakte van 0,9 ha en opgemerkt dat er mogelijk sprake is van een uitbreiding. De inspecteur heeft [naam 1] meegedeeld dat hij de aanwezige knolcyperus binnen veertien dagen moet vernietigen, dat hij geen planten mag oogsten, dat niet gereinigde planten/producten niet zonder toestemming mogen worden vervoerd en dat grond- en gewasresten op het bedrijf op aanwijzing van Naktuinbouw op fytosanitair verantwoorde wijze moeten worden opgeslagen, bewaard, getransporteerd en vernietigd.

1.2

Met het besluit van 30 september 2024 (KC-24-075) heeft de NAK aan [naam 1] meegedeeld dat met ingang van 30 juli 2024 een teeltverbod van kracht is voor onbepaalde tijd voor alle akker- en tuinbouwgewassen op het perceel die op de bij het besluit gevoegde schets rood zijn gearceerd. De oppervlakte van het gedeelte van het perceel waarop het teeltverbod geldt, bedraagt 18.143 m2. Verder is vermeld dat [naam 1] verplicht is om de op het perceel aanwezige knolcyperus te verwijderen en te vernietigen en om alle werktuigen direct na gebruik op het besmette perceel te (laten) reinigen. Het teeltverbod geldt voor onbepaalde tijd, maar wanneer het perceel gedurende een periode van drie aaneengesloten jaren vrij wordt bevonden van knolcyperus wordt het verbod opgeheven.

1.3

Met het besluit van 21 januari 2025 (KC-25-001) heeft de (directeur van de) NAK de oppervlakte van het perceel waarop het teeltverbod gold teruggebracht naar 9.108 m2.

1.4

Met het bestreden besluit heeft de NAK het bezwaar van [naam 1] tegen het besluit van 30 september 2024 gegrond verklaard voor wat betreft de afbakening van het teeltverbod. Voor het overige heeft de NAK het bezwaar ongegrond verklaard.

1.5

Met het besluit van 24 februari 2025 (KC-25-008) heeft de NAK de oppervlakte van het perceel waarop het teeltverbod gold teruggebracht naar 7.310 m2 met als ingangsdatum 13 februari 2025.

1.6

Met het besluit van 1 mei 2025 heeft de NAK, voor zover hier van belang, de ingangsdatum van het teeltverbod (weer) op 30 juli 2024 gesteld.

Beoordeling van het beroep

Samenvatting

2 Deze zaak gaat over een teeltverbod dat de NAK namens de minister aan [naam 1] heeft opgelegd wegens besmetting met knolcyperus op een perceel(sgedeelte) dat [naam 1] in gebruik heeft. Volgens [naam 1] is ten eerste de door de NAK bij de oplegging van het teeltverbod gevolgde procedure gebrekkig. Verder heeft de NAK het perceelsgedeelte waarvoor het teeltverbod geldt te ruim afgebakend. Het College stelt vast dat de gevolgde procedure rommelig en onoverzichtelijk is geweest. De juridische gevolgen daarvan kunnen in het midden blijven omdat het College van oordeel is dat de minister het in bezwaar gehandhaafde teeltverbod op het punt van de afbakening van het perceelsgedeelte waarvoor het geldt, onzorgvuldig heeft voorbereid en niet deugdelijk heeft gemotiveerd. De minister moet daarom binnen zes weken een nieuwe beslissing nemen op het bezwaar.

De bevoegdheid om het teeltverbod op te leggen

3 Het College stelt eerst, voor zover nodig ambtshalve, vast dat niet de NAK maar de minister op grond van artikel 30 van de Regeling plantgezondheid (Regeling) bevoegd is een teeltverbod op te leggen. Wel is op grond van artikel 2, vijfde lid, onder b, van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging keuringsdiensten 2021 aan de directeur van de NAK daartoe mandaat verleend. Op de zitting heeft de gemachtigde van de minister verklaard dat de (directeur van de) NAK het bestreden besluit weliswaar zelfstandig heeft ondertekend, maar heeft genomen namens de minister. Daarmee staat vast dat het besluit bevoegdelijk is genomen.

Besluitvorming

4.1

[naam 1] heeft in beroep, onder verwijzing naar artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), aangevoerd dat met het bestreden besluit nog geen sprake was van afgeronde besluitvorming. Hij wijst erop dat de minister het bezwaar met het bestreden besluit van [naam 1] alleen gegrond heeft verklaard maar daarbij heeft nagelaten een aangepast besluit te nemen. Pas met de besluiten van 24 februari 2025 en 1 mei 2025 is de besluitvorming volgens hem geheel afgerond.

4.2

Uit de overgelegde stukken leidt het College af dat de minister het teeltverbod vastlegt met een besluit waarin wordt meegedeeld dat een teeltverbod wordt opgelegd met ingang van de in de brief genoemde datum. Verder wordt in dat besluit toegelicht wat het teeltverbod inhoudt en welke verplichtingen het met zich meebrengt. Aan het besluit is een situatieschets gehecht waarop het perceel(sgedeelte) waarvoor het teeltverbod geldt wordt aangeduid onder vermelding van de GPS-code en de precieze oppervlakte. Onder het besluit wordt een bezwaarclausule vermeld. Als de minister in de loop van de procedure tot het inzicht komt dat het teeltverbod moet worden gewijzigd, stuurt hij een nieuw besluit waarin de nieuwe gegevens over de omvang van het perceel(sgedeelte) of de ingangsdatum staan vermeld.
Verder neemt de minister in geval van een bezwaarprocedure een afzonderlijk besluit waarin wordt beslist op het bezwaar. In dat besluit wordt, bij een gegrond bezwaar, vermeld dat nog een separate brief volgt over het aangepaste teeltverbod.

4.3

In deze zaak heeft de minister het teeltverbod opgelegd met het besluit van 30 september 2024 (KC-24-075) met ingang van 30 juli 2024 voor een oppervlakte van 18.143 m2. Vervolgens heeft de minister in de loop van de bezwaarprocedure het teeltverbod met het besluit van 21 januari 2025 gewijzigd naar een oppervlakte van 9.108 m2 (KC-25-001). Nadat de minister met het besluit van 11 februari 2024 het bezwaar gegrond had verklaard, heeft hij het teeltverbod met het besluit van 24 februari 2025 (KC-25-008) gewijzigd naar een oppervlakte van 7.310 m2. Omdat de minister in dit besluit abusievelijk als ingangsdatum van het teeltverbod 13 februari 2025 had vermeld, heeft hij vervolgens het besluit van 1 mei 2025 (KC-25-009) genomen, waarin de ingangsdatum weer is bepaald op 30 juli 2024.

4.4

Naar het oordeel van het College kan men zich met [naam 1] afvragen of de besluitvorming van de minister met het bestreden besluit is afgerond. Het is immers maar de vraag of voor [naam 1] met dat besluit de reikwijdte van het opgelegde teeltverbod met de daarbij gevoegde kaart voldoende duidelijk was. Pas met de besluiten KC-25-008 (waarin een foutieve ingangsdatum was vermeld) en KC-25-009, die de minister respectievelijk twee weken en ruim twee maanden na het bestreden besluit heeft genomen, heeft de minister de omvang en ingangsdatum van het teeltverbod ondubbelzinnig en juist beschreven. Omdat het beroep van [naam 1] al slaagt vanwege wat hierna over de tweede beroepsgrond wordt overwogen, kan het College in het midden laten welke juridische gevolgen dit moet hebben en wordt volstaan met de vaststelling dat de gang van zaken rond de besluitvorming vanwege het rommelige en verwarrende karakter geen schoonheidsprijs verdient. De minister heeft dat op de zitting ook erkend.

De omvang van het teeltverbod

5.1

[naam 1] voert aan dat het perceel(sgedeelte) waarvoor het teeltverbod geldt, zoals ingetekend op de situatieschets bij het besluit van 24 februari (KC-25-008), te ruim is afgebakend. De minister heeft daarbij ten onrechte ook de oppervlakte tussen de drie besmettingshaarden meegenomen. Volgens [naam 1] zijn die gedeelten, met een oppervlakte van 2.000 à 3.000 m2, wel degelijk praktisch bewerkbaar. Verder is het voor hem onduidelijk waar de minister op baseert dat het perceel van zuidwestelijke naar noordoostelijke richting werd bewerkt en waarom dat een verdergaand teeltverbod zou kunnen rechtvaardigen. Hij wijst erop dat daarover in de werkinstructie niets is opgenomen.

5.2

De afbakening van de oppervlakte waarvoor het teeltverbod geldt heeft volgens de minister plaatsgevonden aan de hand van de ‘Instructie opsporing knolcyperus 2024’ (werkinstructie). Daarin is het volgende vermeld:

“6.2 Oppervlakte teeltverbod

Het perceel(sgedeelte) waarvoor het teeltverbod gaat gelden, wordt vastgesteld door rond de besmette plaats in alle hoofdrichtingen van het perceel een buffer van 10 m aan te houden. Daardoor ontstaat een vierkant/rechthoek van ten minste 20 x 20 m. In bijzondere gevallen kan bij een partijbesmetting gekozen worden voor een afwijkende buffer. Dit betreft dan de buffer die in de breedte teruggebracht wordt tot5 meter of 2 bedbreedtes. De buffer in de lengte blijft 10 meter.
Perceelsgrenzen mogen niet worden overschreden, tenzij er sprake is van één gebruiker.
Indien er sprake is van meerdere besmettingen, zodanig dat er voor de betreffende bedrijfssituatie geen praktisch bewerkbare oppervlakte overblijft, dan dient het gehele perceel onder het teeltverbod te vallen.
(…)”

Volgens de minister zijn in het geval van [naam 1] de twee gedeeltes tussen de besmettingshaarden (op de afbeelding hieronder door het College met een kruis gemarkeerd) praktisch niet meer bewerkbaar en moeten zij daarom onder het teeltverbod vallen.

[afbeelding niet beschikbaar]

[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]

[afbeelding niet beschikbaar] De oppervlakte van het teeltverbod


Verder heeft de minister bij de afbakening van de oppervlakte rekening gehouden met de bewerkingsrichting van het perceel van zuidwest naar noordoost, zo volgt uit de in beroep overgelegde verklaring van een inspecteur van Naktuinbouw.

5.3

Naar het oordeel van het College heeft de minister, ook op de zitting, niet deugdelijk gemotiveerd waarom het deel van het perceel tussen de drie besmettingshaarden praktisch niet bewerkbaar is en daarmee onder het teeltverbod zou moeten vallen. De stelling van de minister dat rekening gehouden moet worden met de bewerkingsrichting op het perceel leidt niet tot een ander oordeel. In de werkinstructie is, zoals de minister op de zitting heeft bevestigd, niets opgenomen over een ruimere afbakening van een teeltverbod vanwege de bewerkingsrichting van het oppervlak tussen de besmettingshaarden. Daarbij komt dat ook als met een bewerking van het perceel van zuidwestelijke naar noordoostelijke richting rekening zou worden gehouden, de uitleg die de minister in zijn nadere stukken en op de zitting heeft gegeven onvoldoende is voor het College om te begrijpen waarom dit leidt tot de omvang van het teeltverbod zoals dat in het bestreden besluit is vastgesteld. Het College vindt dat met name niet goed te volgen voor de strook tussen de twee besmettingshaarden aan de bovenkant. Het College begrijpt de minister zo dat met het ploegen van het perceel de besmetting met de knolcyperus zogezegd meegetrokken wordt en dat niet besmette grond alsnog besmet kan raken. Maar voor het College is onduidelijk hoe daarmee tot de d-vormige oppervlakte is gekomen. Ook is niet duidelijk over welke afstand een besmetting ‘meegetrokken’ kan worden. Naar het oordeel van het College berust het bestreden besluit dan ook niet op een deugdelijke motivering als vereist in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb en is het in strijd met artikel 3:2 van de Awb onzorgvuldig voorbereid.

Slotsom

6.1

Het beroep tegen het bestreden besluit is gegrond. Het College vernietigt het bestreden besluit. De minister zal worden opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Het College stelt hiervoor een termijn van zes weken.

6.2

Het College veroordeelt de minister in de door [naam 1] gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.868,- voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting; waarde per punt € 934,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

  • verklaart het beroep gegrond;

  • vernietigt het bestreden besluit;

  • draagt de minister op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van de aanwijzingen in deze uitspraak;

  • draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 194,- aan [naam 1] te vergoeden;

  • veroordeelt de minister in de proceskosten van [naam 1] tot een bedrag van
    € 1.868,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman, mr. W.C.E. Winfield en mr. M.L. Noort, in aanwezigheid van A.C. van Helvoort, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 november 2026.

w.g. D. Brugman w.g. A.C. van Helvoort