Bestuursrecht overig
Verzoek om herziening van de uitspraak van het College van 4 maart 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:119). Het College…
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 3 november 2026
ECLI:NL:CBB:2026:515 · College van Beroep voor het bedrijfsleven · 3 november 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/college-van-beroep-voor-het-bedrijfsleven/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-cbb-2026-515
Zaakgegevens
Op 3 november 2026 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfslevenCollege van Beroep voor het bedrijfslevenDe hoogste bestuursrechter voor economisch bestuursrecht, zoals mededinging, telecom, energie en landbouw.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 3 november 2026
- Datum publicatie
- 30 oktober 2026
- Zaaknummer
- 25/133
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2026:515
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verzoek om herziening van de uitspraak van het College van 4 maart 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:119). Het College is van oordeel dat Zonvarken geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. Voor zover Zonvarken meent dat het oordeel van het College in de uitspraak van 4 maart 2025 op een onjuiste rechtsopvatting berust, kan dat niet als grond voor herziening dienen. Wat betreft de verwijzing van Zonvarken naar een bij haar bekende onderneming die subsidie zou hebben gekregen terwijl het project op een andere locatie wordt uitgevoerd en met andere ondernemers dan bij de projectaanvraag is aangegeven, oordeelt het College dat niet duidelijk is of de subsidie daadwerkelijk is verleend. Ook indien de subsidie zou zijn verleend dan geldt dat dit is gebeurd nadat uitspraak is gedaan in de zaak van Zonvarken zodat geen sprake is van feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, onder a, van de Awb. Het verzoek om herziening wordt afgewezen.
Uitspraak
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 25/133
uitspraak van de meervoudige kamer van 3 november 2026 op het verzoek van
Coöperatieve vereniging Zonvarken U.A., te Toldijk (Zonvarken)
(gemachtigden: W.J. Koks, R.H.A. Nieuwenhuis, A.T.A. Offenberg en O.J.J. Offenberg)
om herziening van de uitspraak van het College van 4 maart 2025, zaaknummer 24/609.
Procesverloop
Met de uitspraak van 4 maart 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:119) heeft het College beslist op de beroepen van Zonvarken tegen het besluit van de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 8 juli 2024 en het herzieningsbesluit van 30 december 2024 waarmee hij het bezwaar van Zonvarken tegen de afwijzing van de aanvraag voor een subsidie op grond van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies voor brongerichte verduurzaming van stallen en managementmaatregelen ongegrond heeft verklaard. Het College heeft met de uitspraak van 4 maart 2025 de beroepen niet-ontvankelijk verklaard.
Zonvarken heeft verzocht om herziening van de uitspraak van 4 maart 2025.
De minister heeft gereageerd op het verzoek van Zonvarken.
De zitting was op 8 oktober 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen: de gemachtigden van Zonvarken en de gemachtigden van de minister, mr. N. Adams en mr. H.G.M. Wammes.
Waar gaat deze zaak over
1. Zonvarken heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van haar subsidieaanvraag. De subsidieaanvraag is door de minister afgewezen omdat met het project niet alle reductiepercentages worden behaald die op grond van de Regeling zijn vereist om in aanmerking te komen voor subsidie. In beroep heeft Zonvarken te kennen gegeven dat het project zoals omschreven in de aanvraag inmiddels niet meer geheel kan worden uitgevoerd. Het College heeft in de uitspraak van 4 maart 2025 – kort samengevat – geoordeeld dat geen procesbelang bestaat omdat het beroep niet meer kan leiden tot subsidie voor het project. Het College heeft daarom het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
2 Zonvarken verzoekt om herziening van de uitspraak van 4 maart 2025 omdat deze volgens haar niet juist is. Volgens Zonvarken heeft de minister ten onrechte op de zitting van 16 januari 2025 gesteld dat de subsidie moet worden afgewezen omdat het project wordt gewijzigd. Hiermee heeft hij het College foutief en onvolledig geïnformeerd. Het is Zonvarken namelijk gebleken dat de minister bij andere gehonoreerde subsidieaanvragen wél een wijziging heeft geaccepteerd. Ter onderbouwing heeft Zonvarken meerdere beslissingen van de minister overgelegd waarin een wijzigingsverzoek wordt goedgekeurd. Deze informatie kon redelijkerwijs niet voor Zonvarken bekend zijn, aangezien zij slechts toegang heeft gekregen tot deze informatie via een verzoek op grond van de Wet Open Overheid (WOO). Zonvarken verwijst daarnaast naar een subsidieaanvraag van een bij haar bekende onderneming waarin sprake is van een gelijk geval. Die onderneming heeft ook haar oorspronkelijke projectplan gewijzigd maar aan haar is in vervolg op een uitspraak van het College van 18 maart 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:171) en een beslissing van 13 maart 2026 (ECLI:NL:CBB:2026:121) toch subsidie toegekend. Zonvarken meent dat als deze informatie bij het College bekend was geweest, hij tot een ander oordeel zou zijn gekomen. Tot slot betoogt Zonvarken gemotiveerd dat als het herzieningsverzoek wordt toegewezen, zij nog belang heeft bij een inhoudelijke behandeling van haar beroep.
3 Volgens de minister moet het verzoek worden afgewezen. De minister vindt de door Zonvarken gestelde feiten en omstandigheden geen feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De minister weerspreekt daarnaast dat hij een onjuiste voorstelling van zaken zou hebben gegeven.
Beoordelingskader
4 Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb kan de bestuursrechter op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
5 Het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening strekt ertoe een rechterlijke uitspraak die berust op een naderhand onjuist gebleken feitelijk uitgangspunt te herstellen. Bij de beoordeling van een verzoek om herziening wordt uitsluitend beoordeeld of sprake is van feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. Het College kan slechts rekening houden met feiten en omstandigheden die de verzoeker redelijkerwijs niet naar voren heeft kunnen brengen in de procedure die heeft geleid tot de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd. Het rechtsmiddel herziening is niet gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als hiervoor bedoeld, een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en evenmin om een discussie over de betrokken uitspraak te openen. Dat betekent onder meer dat een vermeende onjuiste rechtsopvatting niet kan dienen als grond voor herziening.
Beoordeling van het verzoek door het College
6 Het College is van oordeel dat Zonvarken geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb en overweegt daartoe als volgt.
7 Voor zover Zonvarken meent dat het oordeel van het College in de uitspraak van 4 maart 2025 op een onjuiste rechtsopvatting berust, kan dat niet als grond voor herziening dienen. Het College merkt daarbij op dat hij in de uitspraak van 4 maart 2025 (uitsluitend) een oordeel heeft gegeven over de situatie van Zonvarken, waarin sprake was van wijzigingen terwijl de aanvraag was afgewezen en dus geen subsidie was verleend. Zonvarken heeft een aantal beslissingen overgelegd waaruit volgt dat een verzoek tot wijziging door de minister is goedgekeurd. De beslissingen waarnaar Zonvarken verwijst zien echter op projecten die worden gewijzigd nadat een subsidie is verleend. Zoals ook volgt uit deze door Zonvarken overgelegde stukken, is een wijziging van het project ná verlening wel mogelijk. Dat is echter een andere situatie. Van onjuiste of onvolledige informatie van de minister op de zitting is dus geen sprake en dit had dus ook niet tot een ander oordeel kunnen leiden. Wat betreft de verwijzing van Zonvarken naar een bij haar bekende onderneming die subsidie zou hebben gekregen terwijl het project op een andere locatie wordt uitgevoerd en met andere ondernemers dan bij de projectaanvraag is aangegeven, oordeelt het College als volgt. De minister heeft op de zitting toegelicht dat de beoordeling in die zaak nog loopt en subsidie in die zaak dus (nog) niet is verleend. Volgens Zonvarken is dit wel het geval, maar zij heeft dit niet nader onderbouwd. Voor het College is daarmee niet duidelijk of de subsidie daadwerkelijk is verleend. Maar ook indien de subsidie zou zijn verleend, dan geldt – zoals volgt uit de onder 4 weergegeven tekst van artikel 8:119 van de Awb – dat dit is gebeurd nadat uitspraak is gedaan in de zaak van Zonvarken. De gestelde feiten en omstandigheden voldoen daarmee niet aan artikel 8:119, eerste lid, onder a, van de Awb.
Slotsom
8 De slotsom is dat het verzoek om herziening wordt afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
Het College wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Jacobs, mr. T. Pavićević en mr. C.T. Aalbers, in aanwezigheid van mr. L. van Loon, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 november 2026.
w.g. M.J. Jacobs w.g. L. van Loon