Bestuursrecht overig
Beslissing wrakingskamer. Toepassing artikel 3, vierde lid, aanhef en onder g, van de Wrakings- en…
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 1 september 2022
ECLI:NL:CBB:2022:588 · College van Beroep voor het bedrijfsleven · 1 september 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/college-van-beroep-voor-het-bedrijfsleven/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/wraking/ecli-nl-cbb-2022-588
Zaakgegevens
Op 1 september 2022 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfslevenCollege van Beroep voor het bedrijfslevenDe hoogste bestuursrechter voor economisch bestuursrecht, zoals mededinging, telecom, energie en landbouw.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 1 september 2022
- Datum publicatie
- 2 september 2022
- Zaaknummer
- 20/808
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- WrakingWrakingEen partij vraagt om een rechter van de zaak te halen, omdat zij twijfelt aan diens onpartijdigheid.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2022:588
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Beslissing wrakingskamer. Toepassing artikel 3, vierde lid, aanhef en onder g, van de Wrakings- en verschoningsregeling bestuursrechterlijke colleges 2022. Voor zover verzoeker evident misbruik maakt van het in artikel 8:15 van de Awb gegeven rechtsmiddel, neemt de wrakingskamer het verzoek niet in behandeling. Voor het overige neemt de wrakingskamer het verzoek in behandeling.
Uitspraak
beslissing
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 20/808
beslissing op het wrakingsverzoek van
[naam] , te [plaats] , verzoeker.
Procesverloop
Bij brief van 23 augustus 2022 heeft verzoeker in de zaak met nummer 20/808 een verzoek tot wraking gedaan als bedoeld in artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Deze zaak heeft betrekking op het verzet dat verzoeker heeft gedaan tegen de uitspraak van 29 juni 2021, waarbij zijn verzoek om herziening van de uitspraak van 25 februari 2020 met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, en artikel 8:119, eerste lid, van de Awb is afgewezen.
Het lid van de enkelvoudige kamer van het College, mr. M.C. Stoové, dat het verzet behandelt, heeft het wrakingsverzoek voorgelegd aan de wrakingskamer.
Overwegingen
1. In artikel 3, vierde lid, aanhef en onder g, van de Wrakings- en verschoningsregeling bestuursrechterlijke colleges 2022 is bepaald dat de wrakingskamer zonder daartoe een zitting te houden kan beslissen een verzoek om wraking niet in behandeling te nemen indien het evident blijk geeft van misbruik van het wrakingsmiddel.
2. Bij beslissing van 14 december 2017 heeft de wrakingskamer naar aanleiding van wrakingsverzoeken van verzoeker in de zaak met nummer 17/331 overwogen dat artikel 8:15 van de Awb een partij een rechtsmiddel biedt om een of meer van de rechters die zijn zaak behandelen te wraken. Nu dit betekent dat het niet mogelijk is een niet met rechtspraak belaste ambtenaar – zoals een griffier – te wraken, is de wrakingskamer toen alleen ingegaan op wat verzoeker met betrekking tot rechters naar voren had gebracht. Voorts heeft de wrakingskamer bij die beslissing een van de wrakingsverzoeken van verzoeker wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid afgewezen, omdat het neerkwam op een verzoek tot wraking van alle rechters van het College, de rechters die die wrakingskamer vormden daarbij inbegrepen. Een wrakingsgrond moet immers zijn gelegen in feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de (persoon van de) rechter of rechters die een zaak behandelt respectievelijk behandelen, niet op het rechterlijk college als zodanig.
3. Bij beslissing van 1 februari 2018 in diezelfde zaak heeft de wrakingskamer, nadat verzoeker voor de tweede maal kort voor de behandeling van zijn zaak ter zitting een wrakingsverzoek had ingediend en wederom had verzocht elke bij het College werkzame persoon te wraken, verzoeker er nogmaals op gewezen dat het niet mogelijk is een niet met rechtspraak belaste ambtenaar te wraken en evenmin alle rechters van het College, de rechters die die wrakingskamer vormden daarbij inbegrepen. De wrakingskamer heeft geoordeeld dat de wijze waarop verzoeker van het in artikel 8:15 van de Awb gegeven rechtsmiddel gebruik maakt als misbruik is te kwalificeren en heeft daarom met toepassing van artikel 8:18, vierde lid, van de Awb bepaald dat een volgend verzoek om wraking niet in behandeling wordt genomen.
4. Voor zover het in de brief van 23 augustus 2022 geformuleerde wrakingsverzoek van verzoeker tegen niet met rechtspraak belaste ambtenaren en alle leden van het College is gericht, moet worden geoordeeld dat verzoeker door opnieuw op deze wijze een wrakingsverzoek in te dienen evident misbruik maakt van het wrakingsmiddel. Uit wat hiervoor onder 3 is overwogen, volgt dat de wrakingskamer het verzoek niet in behandeling neemt. Voor zover de brief van 23 augustus 2022 aldus moet worden begrepen dat op voorhand ook de leden van de wrakingskamer worden gewraakt, is dit eveneens het geval. Dit verzoek zou immers neerkomen op wraking van alle leden van de wrakingskamer. Bij toewijzing van een dergelijk verzoek zou het verzoek om wraking niet behandeld kunnen worden. Bovendien moet een wrakingsgrond, zoals gezegd, zijn gelegen in feiten en omstandigheden die betrekking hebben op – in dit geval – de persoon van een lid of meer leden van de wrakingskamer die een zaak behandelt respectievelijk behandelen. Dergelijke feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, konden op 23 augustus 2022 niet bekend zijn.
5. De slotsom is dat de wrakingskamer het verzoek van 23 augustus 2022, voor zover verzoeker op de in 4 van deze beslissing genoemde wijze gebruik maakt van het in artikel 8:15 van de Awb gegeven rechtsmiddel, niet in behandeling neemt. Voor het overige neemt de wrakingskamer het verzoek in behandeling. Over de verdere behandeling daarvan volgt op korte termijn nader bericht.
Beslissing
Het College:
-
neemt het wrakingsverzoek van 23 augustus 2022 niet in behandeling voor zover verzoeker op de in 4 van deze beslissing genoemde wijze van het in artikel 8:15 van de Awb gegeven rechtsmiddel gebruik maakt;
-
houdt iedere verdere beslissing aan.
Aldus genomen door mr. S.C. Stuldreher, mr. H.O. Kerkmeester en mr. A. Venekamp, in aanwezigheid van mr. C.G.M. van Ede, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 september 2022.
w.g. S.C. Stuldreher De griffier is verhinderd de
uitspraak te ondertekenen
Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 8:18, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht geen rechtsmiddel open.