Civiel recht overig

Koninklijke Marine. schadestaat. causaal verband

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 23 april 2024

Zaakgegevens

Op 23 april 2024 heeft het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Datum uitspraak
23 april 2024
Datum publicatie
6 juni 2024
Zaaknummer
CUR202102297 - CUR2022H00360
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:OGHACMB:2024:69
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Koninklijke Marine. schadestaat. causaal verband

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2024

Registratienummers: CUR202102297 - CUR2022H00360

Uitspraak: 23 april 2024

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

de naamloze vennootschap

EXPLOITATIEMAATSCHAPPIJ BRAKKEPUT N.V.,

gevestigd in Curaçao,

in eerste aanleg: eiseres in conventie, gedaagde in reconventie, thans: appellante,

gemachtigden: mrs. E.R. de Vries en C.R. Rutte.

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE STAAT DER NEDERLANDEN, handelend namens het krijgsmachtsdeel de KONINKLIJKE MARINE,

zetelend in Nederland,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiser in reconventie, thans: geïntimeerde,

gemachtigde: mr. Th. Aardenburg.

Partijen worden hierna aangeduid als Brakkeput en de Koninklijke Marine.

1 De zaak in het kort

Deze schadestaatprocedure is het vervolg op het vonnis van dit Hof van 13 oktober 2020 (ECLI:NL:OGHACMB:2020:248) waarin het Hof een verklaring voor recht heeft uitgesproken inhoudende dat tussen partijen sprake is van een gemengde overeenkomst waarop van toepassing zijn de dwingendrechtelijke huurbepalingen, en dat deze overeenkomst niet op rechtsgeldige wijze door de Koninklijke Marine is opgezegd. De zaak is door het Hof naar de schadestaatprocedure verwezen voor de verdere afwikkeling van de schade.

Het Gerecht heeft (in conventie) de Koninklijke Marine veroordeeld te betalen aan Brakkeput een bedrag van NAf 20.000,- (zijnde de waarborgsom) en de overige vorderingen afgewezen (bij gebreke aan een causaal verband tussen de tekortkoming en de gestelde schade). Voorts heeft het Gerecht (in reconventie) de Koninklijke Marine niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

In hoger beroep beoordeelt het Hof de vorderingen opnieuw.

2 Het verloop van de procedure

2.1

Bij op 22 december 2022 ingekomen akte van hoger beroep is Brakkeput in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 14 november 2022 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht).

2.2

Bij op 1 februari 2023 ingekomen memorie van grieven, met producties, heeft Brakkeput acht grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht, onder aanbieding van bewijs van haar stellingen. Zij concludeert tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep, voor zover daarbij in conventie haar vorderingen zijn afgewezen, en veroordeling alsnog van de Koninklijke Marine tot betaling van NAf 10.074.236,30, met veroordeling in de proceskosten.

2.3

Bij op 22 maart 2023 ingekomen memorie van antwoord, met producties, heeft de Koninklijke Marine de grieven bestreden en geconcludeerd tot bevestiging van het vonnis waarvan beroep in conventie, met veroordeling van Brakkeput in de proceskosten.

2.4

Op 24 oktober 2023 hebben partijen pleitnotities overgelegd.

2.5

Vonnis is gevraagd en nader bepaald op vandaag.

3 De beoordeling

3.1

Het Hof gaat uit van de feiten zoals vastgesteld door het Gerecht in rechtsoverweging 2 van het vonnis waarvan beroep, nu partijen daartegen geen bezwaren hebben aangevoerd en het Hof er geen bedenkingen bij heeft.

3.2

Brakkeput vorderde in eerste aanleg, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, de Koninklijke Marine te veroordelen tot betaling van een bedrag van NAf 10.328.236,30, zijn het totaal van (A) NAf 8.238.000,- aan derving (genormaliseerde) winst, (B) NAf 1.739.594,40 aan omzetderving ter zake van bestuurderssalarissen, (C) NAf 330.641,90 aan directe kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW, en (D) NAf 20.000,- wegens niet-terugbetaling van de borgsom, een en ander vermeerderd met de kosten en nakosten van deze procedure. In hoger beroep heeft zij haar vordering (impliciet) verminderd doordat zij post (A) met NAf 234.000 heeft verlaagd.

3.3

Brakkeput heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat de Koninklijke Marine is tekortgeschoten in haar verplichtingen uit overeenkomst door die overeenkomst niet op geldige wijze op te zeggen (althans niet te verlengen) per 24 juli 2016, alsmede door de ontruiming aan te zeggen op basis van het vonnis van het Gerecht van 1 oktober 2018, gevolgd door de daadwerkelijke ontruiming per 16 januari 2019.

Brakkeput stelt ten gevolge daarvan de hiervoor onder 3.2 vermelde schade te hebben geleden. De onder (A) gevorderde gederfde winst is berekend vanaf 2013 (toen de aanzegging van niet-verlenging is gedaan) en loopt door tot en met juni 2026 (omdat toen de overeenkomst – die na de ongeldige opzegging per 2016 met 10 jaar is verlengd – in 2026 afliep). Op dezelfde grondslag vordert Brakkeput onder (B) een bedrag ter vergoeding van gederfde omzet ter betaling aan bestuurderssalarissen. Onder (C) vordert Brakkeput op de voet van artikel 6:96 lid 2 BW de kosten van de tijd die directeuren/aandeelhouders vanaf 2011 aan deze zaak hebben besteed (NAf 90.000,-), alsmede de kosten van advocaten en accountants (NAf 209.631,52). Onder (D) wordt de betaalde waarborgsom terug gevorderd.

3.4

Het Gerecht heeft – behoudens de onder (D) gevorderde waarborgsom van NAf 20.000,- - de door Brakkeput gevorderde schadevergoeding afgewezen. Het Gerecht heeft daaraan ten grondslag gelegd – kort samengevat – dat het vereiste causale verband ontbreekt tussen de tekortkoming aan de zijde van de Koninklijke Marine (bestaande in de ongeldige opzegging, althans niet-verlenging, van de overeenkomst omdat daaraan de vereiste toestemming van de Huurcommissie ontbrak) en de door Brakkeput gestelde en gevorderde schadeposten (als hiervoor onder 3.2 en 3.3 vermeld). Die schadeposten berusten namelijk op het uitgangspunt dat Brakkeput zonder de vastgestelde tekortkoming het restaurant Boathouse (hierna: Boathouse) in ieder geval tot juni 2026 had kunnen exploiteren en (doordat zij dit niet heeft kunnen doen) over die hele periode winst heeft gederfd.

Dat uitgangspunt oordeelt het Gerecht onjuist omdat die schade zich ook zou hebben verwezenlijkt indien geen sprake was geweest van een gebrek in de opzegging (althans niet-verlenging) van de overeenkomst. Doordat het Hof in zijn vonnis van 13 oktober 2020 besliste dat de overeenkomst het karakter had van een gemengde overeenkomst waarop de dwingendrechtelijke huurbepalingen van toepassing zijn (zodat daarvoor toestemming van de Huurcommissie vereist was), kleefden achteraf bezien formele gebreken aan de opzegging van de Koninklijke Marine in 2013. Dat neemt evenwel niet weg (aldus het Gerecht) dat de in de tussentijd genomen beslissingen van het Gerecht, de Huurcommissie en het Hof, inhielden dat de beëindiging per juni 2016 (inhoudelijk) op redelijke gronden rustte en een rechtmatig belang diende. Er is derhalve geen reden om aan te nemen dat bij een formeel juiste opzegging anders zou zijn geoordeeld; ook dan zou de overeenkomst per juni 2016 zijn beëindigd. De door Brakkeput gevorderde schade – gebaseerd op het uitgangspunt dat zij de exploitatie van het restaurant tot 2026 had kunnen voortzetten (welk uitgangspunt derhalve onjuist is) – kan dus niet aan de ongeldige beëindiging (niet-verlenging) worden toegerekend. De vorderingen onder (A) en (B) stuiten hierop af.

De onder (C) gevorderde schade heeft het Gerecht afgewezen omdat zij kort gezegd niet is aan te merken als redelijke kosten ter vaststelling van de schade en van aansprakelijkheid en redelijke kosten ter voorkoming dan wel beperking van schade, als bedoeld in artikel 6:96, tweede lid, BW.

3.5

Brakkeput bestrijdt het vonnis waarvan beroep met acht grieven. Brakkeput betoogt (in grief 1) dat de toepasselijkheid van de dwingendrechtelijke huurbepalingen meebrengt dat partijen een huurovereenkomst voor bepaalde tijd zijn aangegaan (namelijk tien jaren) die – bij gebreke van een tussentijdse opzegging met toestemming van de Huurcommissie per juni 2016 – van rechtswege met een(zelfde) periode van tien jaren is verlengd (derhalve tot 2026). Voor een tussentijdse beoordeling van de redelijkheid van de gronden en de rechtmatigheid van het belang bij beëindiging – zoals in de overeenkomst voorzien – was derhalve op grond van de wet geen plaats.

Voorts is het Gerecht in deze schadestaatprocedure niet bevoegd om (in de plaats van de Huurcommissie) die afweging te maken (grief 2). Het oordeel van het Gerecht dat een causaal ontbreekt is onjuist, zo vervolgt Brakkeput onder grief 3, omdat zonder de opzegging (aanzegging van niet-verlenging) in juni 2013 door de Koninklijke Marine en de daarop volgende ontruiming Brakkeput in ieder geval tot juni 2026 de Boathouse hebben geëexploiteerd. Voor de periode van 27 juni 2013 tot 24 juli 2016 (de datum van de aanzegging tot de oorspronkelijke einddatum) is een causaal verband aanwezig omdat de Koninklijke Marine is gestopt met het promoten van de Boathouse, hetgeen Brakkeput omzet en winst heeft gekost (dus schade heeft opgeleverd, althans de kans op winst ). Ook voor de periode van 25 juli 2016 tot 16 januari 2019 (de oorspronkelijke einddatum tot de feitelijke ontruiming) geldt hetzelfde. De Koninklijke Marine voldeed niet langer aan haar verplichting om Boathouse aan haar werknemers en hun familie te ‘vermarkten’. Voor de periode van 16 januari 2019 tot 24 juli 2026 heeft te gelden dat de huurovereenkomst – zonder feitelijke ontruiming in 2019 op grond van een ongeldige opzegging – zou hebben voortgeduurd, waarschijnlijk tot de dag van vandaag (grief 4). Brakkeput heeft daarom nog steeds belang bij een beslissing van de Huurcommissie (grief 5).

De slotsom is dat er wel een causaal verband is tussen de tekortkomingen zijdens de Koninklijke Marine (het stoppen van de promotie en het aanvallen van het bedrijfsdebiet van Brakkeput en vervolgens de niet-rechtsgeldige beëindiging van de overeenkomst) en de schade in de hiervoor onderscheiden periodes. Grief 6 behelst een specificatie en toelichting van de vorderingen onder (A) en (B). Grief 7 is gericht tegen de afwijzing van de vordering onder (C), zijnde de kosten van advocaten en (interne) deskundigen. Grief 8 is gericht tegen de kostenveroordeling.

3.6

De eerste grief is gericht tegen het oordeel van het Gerecht (in r.o 5.4) dat de overeenkomst tussen partijen (per 25 juli 2016) voor onbepaalde tijd is voortgezet, nu rechtens van een verlenging voor een bepaalde tijd van tien jaren sprake is. De grief berust op het betoog dat de overeenkomst tussen partijen – bij gebreke van een rechtsgeldige tussentijdse opzegging per 25 juli 2016 – van rechtswege voor eenzelfde periode van tien jaren is verlengd. Dat betoog faalt. In de gegeven omstandigheden was de schriftelijke kennisgeving van niet-verlenging op 27 juni 2013 door de Koninklijke Marine verzonden, derhalve ruimschoots voor de fatale datum van 1 juli 2015. Een redelijke uitleg van artikel 7:228, eerste lid, BW en artikel 7:248 BW brengt mee dat de enkele omstandigheid dat de Huurcommissie vóór die datum geen toestemming heeft gegeven, weliswaar tot gevolg heeft dat de overeenkomst niet wordt beëindigd, maar niet dat de overeenkomst daarmee met eenzelfde termijn wordt verlengd. Het staat de Huurcommissie immers ook vrij de overeenkomst voor ommekomst van die termijn te beëindigen, zoals zij in deze zaak ook bij beslissing van 5 juli 2018 heeft gedaan. De grief stuit daarop af.

3.7

De kernvraag in dit geding is de vraag naar het vereiste causale verband tussen de tekortkoming aan de zijde van de Koninklijke Marine (bestaande in de ongeldige opzegging, althans niet-verlenging, van de overeenkomst op 27 juni 2013 omdat daaraan de vereiste toestemming van de Huurcommissie ontbrak) en de door Brakkeput gestelde en gevorderde schadeposten (als hiervoor onder 3.2 en 3.3 vermeld). Voor de beoordeling van die vraag is van belang of de opzegging (althans niet-verlenging) een noodzakelijke voorwaarde (condicio sine qua non) is voor de gestelde en gevorderde schadeposten (art. 6:74, eerste lid, BW). Het antwoord op die vraag vergt een vergelijking van de feitelijke situatie met de hypothetische situatie waarin die tekortkoming zou hebben ontbroken. In het voorliggende geval betekent dit een vergelijking met de situatie waarin de Koninklijke Marine bij de aanzegging van de opzegging op 27 juni 2013 wèl toestemming van de Huurcommissie had gevraagd.

3.8

Het is eigen aan een hypothetische situatie dat niet met zekerheid kan worden gezegd wat er zou zijn gebeurd, met andere woorden, of de gevraagde toestemming zou zijn verleend. Het Gerecht heeft dit probleem het hoofd geboden door – abstraherend van de omstandigheid dat de Huurcommissie niet tijdig om toestemming is verzocht – de uit de betreffende periode wèl beschikbare uitspraken van het Gerecht, het Hof, en de Huurcommissie, te onderzoeken. Hoewel die uitspraken elkaar tegenspreken waar het de kwalificatie van de overeenkomst betreft, stemmen zij wel in hoge mate overeen waar het de inhoudelijke beoordeling van de opzegging (niet-verlenging) betreft, in die zin dat die opzegging op redelijke gronden berust en een rechtmatig belang dient. Dat rechtvaardigt het oordeel dat in de hypothetische situatie waarin wèl toestemming aan de Huurcommissie zou zijn gevraagd, die toestemming ook daadwerkelijk zou zijn gegeven.

Dat oordeel wordt ondersteund door de omstandigheid dat op het moment van ontruiming (16 januari 2019) twee titels voor ontruiming bestonden, te weten het vonnis van het Gerecht van 1 oktober 2018 (waarin de vordering tot ontruiming werd toegewezen) en de beschikking van de Huurcommissie van 5 juli 2018 (waarin toestemming voor beëindiging van de overeenkomst werd verleend per 1 december 2018 met bevel ontruiming tegen die datum). Beide uitspraken hebben later hun rechtskracht verloren, zo overweegt het Gerecht, maar dat neemt niet weg dat achteraf beoordeeld – nu vaststaat dat de overeenkomst tussen partijen een huurovereenkomst is – deze uitspraken in stand hadden kunnen blijven. Anders dan Brakkeput aanvoert eigent het Gerecht zich hiermee geen jurisdictie toe die het niet toekomt, noch anticipeert het op mogelijke beslissingen, maar schetst het het meest waarschijnlijke hypothetische scenario, namelijk dat de toestemming van de Huurcommissie (indien gevraagd) wèl zou zijn verleend. Grief 2 faalt dan ook. Aan de grieven 4 en 5 komt de grondslag te ontvallen.

3.9

De derde grief faalt eveneens. Tegen de achtergrond van de hiervoor geschetste redenering, heeft het Gerecht terecht geconcludeerd dat zonder de tekortkoming van de Koninklijke Marine de overeenkomst ook zou zijn beëindigd, sterker nog, dat Brakkeput tot aan de ontruiming in 2019 in feite langer profijt van het gehuurde heeft gehad dan bij tussentijdse beëindiging in 2016. Voor het door Brakkeput gestelde causale verband tussen de tekortkoming van de Koninklijke Marine en de door Brakkeput gevorderde schadeposten onder (A) en (B) bestaat dan ook geen grond. Voor de periode van 27 juni 2013 tot 24 juli 2016 heeft Brakkeput daaraan voorts ten grondslag gelegd de stelling dat de Koninklijke Marine is gestopt met het promoten (het ‘vermarkten’) van Boathouse, hetgeen Brakkeput omzet en winst zou hebben gekost. Voor de periode van 25 juli 2016 tot 16 januari 2019 zou hetzelfde gelden. Deze stelling – wat er verder ook van zij – treft geen doel omdat deze schadestaatprocedure is gebaseerd op de vaststelling in het Hofvonnis dat aan deze schadestaatprocedure ten grondslag ligt dat de tekortkoming van de Koninklijke Marine bestaat in de niet-rechtsgeldige opzegging van de overeenkomst (en niet in de niet-nakoming van enige andere verplichting).

3.10

Gelet op het hiervoor onder 3.8 overwogene – resulterend in de slotsom dat het vereiste causale verband tussen de tekortkoming en de gestelde schade ontbreekt - zijn de vorderingen onder (A) en (B) terecht afgewezen.. Het Hof komt daarom niet toe aan grief 6.

3.11

Grief 7 is gericht tegen de beslissingen van het Gerecht over de gevorderde advocaatkosten, de kosten van deskundigen, en de interne kosten. Ook deze grief faalt. De gevorderde advocaatkosten zijn gedeeltelijk gedekt in de vorm van geliquideerde proceskosten, en voor het overige niet gespecificeerd. Voor vergoeding van de kosten van deskundigen bestaat geen grondslag omdat zij niet zijn opgemaakt ter berekening van de door Brakkeput ten gevolge van de tekortkoming van de Koninklijke Marine geleden schade, als bedoeld in artikel 6:96, tweede lid, BW. Voor vergoeding van de gevorderde interne kosten acht het Hof evenmin enige grondslag aanwezig.

3.12

De slotsom is dat het vonnis waarvan beroep wordt bevestigd met veroordeling van Brakkeput, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van het hoger beroep.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

bevestigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt Brakkeput in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van de Koninklijke Marine gevallen en tot op heden begroot op NAf 499,50 aan betekeningskosten en NAf 27.000,- (3 x tarief 11) aan salaris voor de gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mrs. E.M van der Bunt, G.C.C. Lewin en M.A. Loth, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 23 april 2024 in tegenwoordigheid van de griffier.