Civiel recht overig
Civiel, opzettelijk brandstichten en bedreiging, WhatsApp-berichten, gebieds- en contactverbod…
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba, 25 maart 2026
ECLI:NL:OGEAA:2026:193 · Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba · 25 maart 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerecht-in-eerste-aanleg-van-aruba/civiel-recht/civiel-recht-overig/bodemzaak/ecli-nl-ogeaa-2026-193
Zaakgegevens
Op 25 maart 2026 heeft het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
- Datum uitspraak
- 25 maart 2026
- Datum publicatie
- 7 augustus 2026
- Zaaknummer
- AUA202502548
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- BodemzaakBodemzaakDe gewone procedure waarin de rechter definitief over het geschil beslist, in tegenstelling tot een kort geding of voorlopige voorziening.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:OGEAA:2026:193
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Civiel, opzettelijk brandstichten en bedreiging, WhatsApp-berichten, gebieds- en contactverbod, bewegingsvrijheid, gevoelens van onveiligheid, reële dreiging van toekomstig onrechtmatig handelen.
Uitspraak
Vonnis van 25 maart 2026
Behorend bij AUA202502548 AR
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
VONNIS
in de zaak van:
[Eiseres],
te Aruba,
eiseres,
hierna te noemen: [eiseres],
procederend in persoon,
tegen:
[Gedaagde],
te Aruba,
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. B.M. de Sousa.
1 DE PROCEDURE
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties, ingediend op 14 augustus 2025;
- de conclusie van antwoord van 7 januari 2025;
- de akte overlegging producties aan de zijde van [eiseres], ingediend op 24 oktober
2025;
- de mondelinge behandeling van 25 februari 2026.
Ter zitting zijn verschenen: [eiseres], in persoon, en [gedaagde], in persoon, bijgestaan door zijn advocaat mr. De Sousa. Partijen hebben tijdens de zitting het woord gevoerd en hebben gereageerd of kunnen reageren op elkaars stellingen.
Vonnis is vervolgens bepaald op vandaag.
2 DE FEITEN
Gedaagde] is bij vonnis van de strafrechter van 24 februari 2025 veroordeeld voor twee misdrijven, te weten: opzettelijk brandstichten en bedreiging gericht op [eiseres]. Als gevolg hiervan heeft [gedaagde] een vrijheidsstraf uitgezeten in de penitentiaire inrichting KIA.
Nadat [gedaagde] zijn vrijheidsstraf had ondergaan, ontving [eiseres] op 5 juli 2025 het volgende WhatsAppbericht van [gedaagde]:
“Here we go again. I thought you changed a little. But then I saw your conversation you have with someone on WhatsApp. Long conversation tho. Couple years. But you gave enough statements in that chat that would change things. I’m gonna destroy you witouth breaking the law. That’s my second goal in life. Hail mary.”
Eiseres] ontving tevens op 4 juli 2025, 14 augustus 2025, 6 oktober 2025 en 23 oktober 2025 WhatsApp-berichten, waardoor zij intimidatie ervaart.
3 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
Eiseres] vordert een gebieds- en contactverbod, waarbij [gedaagde] wordt verboden
(i) fysiek contact te hebben met [eiseres] en de dochter van [eiseres] en [gedaagde] (hierna: de dochter);
(ii) de woning, werkplek of plaatsen die [eiseres] regelmatig bezoekt, te benaderen;
(iii) op enigerlei wijze digitaal of elektronisch contact te leggen met [eiseres], waaronder telefoongesprekken, sms- of WhatsApp-berichten, e-mails, sociale mediaplatforms;
(iv) elke andere vorm van direct of indirect contact te hebben met [eiseres], ook via tussenpersonen.
Gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres], met een veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.
4 DE BEOORDELING
Voor toewijzing van het gevorderde gebieds- en contactverbod, dat een ingrijpende beperking vormt van het grondrecht van [gedaagde] op bewegingsvrijheid, is vereist dat er sprake is van een reële dreiging van toekomstig onrechtmatig handelen van [gedaagde] jegens [eiseres] en/of de dochter. De vraag of het opleggen van een dergelijk verbod noodzakelijk en proportioneel is, dient te worden beantwoord aan de hand van alle omstandigheden van het geval, waarbij de belangen van beide partijen moeten worden afgewogen.
Het Gerecht neemt in aanmerking dat de door [gedaagde] in het verleden gepleegde misdrijven jegens [eiseres] impact hebben gehad. Het is voorstelbaar dat een confrontatie met [gedaagde] gevoelens van onveiligheid oproept. Hoewel dergelijke gevoelens begrijpelijk zijn, geldt dat voor het opleggen van een contact- en/of gebiedsverbod meer is vereist. Daartoe moet sprake zijn van een reële dreiging van toekomstig onrechtmatig handelen van [gedaagde] jegens [eiseres] en/of de dochter.
Eiseres] baseert haar vordering op de strafbare handelingen van [gedaagde] uit 2024, waarvoor [gedaagde] reeds een vrijheidsstraf heeft uitgezeten. Daarnaast legt [eiseres] WhatsApp-berichten over van 4 en 5 juli 2025, 14 augustus 2025, 6 en 23 oktober 2025, waaruit volgens haar blijkt dat [gedaagde] contact met haar tracht te leggen. Op grond hiervan stelt [eiseres] dat zij door [gedaagde] wordt geïntimideerd en onder ongepaste druk staat, hetgeen naar haar oordeel een contact- en gebiedsverbod rechtvaardigt.
Gedaagde] erkent dat hij het WhatsAppbericht van 5 juli 2025 heeft verzonden, maar betwist dat alle door [eiseres] gestelde WhatsApp-berichten van hem afkomstig zijn. Hij zegt het bericht van 5 juli 2025 te hebben verzonden omdat hij emotioneel was over het feit dat hij zijn dochter niet mocht zien, terwijl bij beschikking van 9 oktober 2023 door dit Gerecht is bepaald dat hij recht heeft op een omgangsregeling. [Gedaagde] erkent tevens dat het in het verleden gepleegde misdrijf een fout was, maar hij ontkent gevaarlijk te zijn voor [eiseres] en benadrukt dat er nooit enig gevaar of misdrijf tegen de dochter heeft plaatsgevonden, zodat dit nog sterker geldt voor haar.
Op basis van de stukken en hetgeen ter zitting is besproken, kan het Gerecht niet vaststellen dat van [gedaagde] een zodanige reële dreiging jegens [eiseres] en de dochter uitgaat dat een gebieds- of contactverbod noodzakelijk is. Het enkele feit dat [gedaagde] in het verleden is veroordeeld voor een strafbaar feit jegens [eiseres], acht het Gerecht daarvoor onvoldoende. [Gedaagde] heeft betwist dat alle door [eiseres] gestelde WhatsApp-berichten van hem afkomstig zijn, en afgezien van het verzenden van in ieder geval één bericht blijkt uit de stukken niet dat hij daadwerkelijk een dreiging vormt voor [eiseres]. Voor de vorderingen met betrekking tot de dochter geldt dit temeer, nu jegens haar geen bedreigende of vervelende berichten zijn verzonden en zij nooit het slachtoffer is geweest van enig misdrijf door [gedaagde].
Hoewel gevoelens van onveiligheid als gevolg van eerdere handelingen van [gedaagde], waarvoor hij reeds is veroordeeld, bij [eiseres] voorstelbaar zijn, biedt dit op zichzelf onvoldoende grond om de ingrijpende maatregel van een contact- en gebiedsverbod te rechtvaardigen. Gelet hierop volgt het Gerecht dat de vorderingen van [eiseres] worden afgewezen.
Eiseres] wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van [gedaagde]. Die kosten worden tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 2.500,- aan gemachtigdensalaris.
5 DE UITSPRAAK
Het Gerecht:
wijst de vorderingen van [eiseres] af;
veroordeelt [eiseres] in de kosten van deze procedure aan de zijde van [gedaagde], tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 2.500,-.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.J. van Rijen, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 maart 2026 in aanwezigheid van de griffier.