Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba, eerste aanleg - enkelvoudig civiel recht overig

ECLI:NL:OGEAA:2026:235

Op 9 September 2026 heeft de Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van civiel recht overig, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is AUA202504148 AR, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:OGEAA:2026:235.

Soort procedure:
Zaaknummer(s):
AUA202504148 AR
Datum uitspraak:
9 September 2026
Datum publicatie:
21 September 2026

Indicatie

Arbeidsrecht. Vraag of arbeidsovereenkomst met het Land Aruba tot stand is gekomen bevestigend beantwoord.

Uitspraak

Vonnis van 9 september 2026

Behorend bij AUA202504148 AR

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS

in de zaak van:

[Eiseres],

te Aruba,

eiseres,

hierna te noemen: [eiseres],

gemachtigde: de advocaat mr. D.G. Kock,

tegen:

de openbare rechtspersoon

HET LAND ARUBA,

te Aruba,

gedaagde,

hierna te noemen: het Land,

gemachtigde: voorheen mr. Y.F.M. Kaarsbaan thans mr. R. Henriquez.

1
DE PROCEDURE
1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift van 17 december 2025;

- de conclusie van antwoord van 22 april 2026;

- de rolbeschikking van 6 mei 2026 waarbij een comparitie van partijen is bepaald.

1.2

De comparitie van partijen heeft plaatsgevonden op dinsdag 15 juni 2026. Ter zitting zijn verschenen: [eiseres] in persoon, bijgestaan door haar gemachtigde voornoemd en het Land bij haar gemachtigde voornoemd.

1.3

Vonnis is bepaald op vandaag.

2
DE FEITEN
2.1 [

Eiseres] heeft op 8 juli 2024 een open sollicitatie ingediend bij de Dienst Publieke Scholen (hierna: DPS) voor de functie van gedragsspecialist.

2.2

Bij schrijven van 31 augustus 2024 heeft de DPS [eiseres] verzocht om kopieën van haar diploma's, certificaten en persoonsgegevens te verstrekken.

2.3

Bij brief van 2 september 2024 heeft DPS de Minister van Onderwijs en Sport verzocht om toestemming voor de indienstneming van [eiseres] met ingang van 15 september 2024, op contractbasis, als leerkracht Handenarbeid en Tekenen.

2.4

Bij brief van 6 september 2024 heeft DPS [eiseres] een contract aangeboden, waarin het volgende is opgenomen:

“(…)

Betreft: contractaanbieding bij het openbaar onderwijs

Geachte mevrouw [eiseres],

De Minister van Onderwijs & Sport, als bevoegd gezag van het openbaar onderwijs, is voornemens u een contract aan te bieden, behoudens uw medische keuring, gewaarmerkte kopieën van diploma(‘s) en gunstige politionele inlichting:

ingaande 15 september 2024;

contractaanbieding voor een periode van 1 jaar, met als einddatum 31 juli 2025 bij het Openbaar onderwijs;

met tewerkstelling bij Scol Souer Juliette;

in de functie van docent Handvaardigheid en Tekenen;

in een volledige betrekking;

met een maandelijks salaris van AFL 6015,00, conform hoofdschaal D22,34 van het Landsbesluit bezoldiging onderwijspersoneel.

(…)”

2.5

Bij e-mail van 6 september 2024 heeft [eiseres] het door het Land aangeboden contract aanvaard. Daarbij heeft [eiseres] verzocht om de mogelijkheid het contract met ingang van 1 september 2024 te laten ingaan in plaats van 15 september 2024. Hierop heeft een medewerker van DPS aan [eiseres] op 9 september 2024 meegedeeld dat eerst de goedkeuring van de minister diende te worden verkregen en dat, zolang deze goedkeuring niet was verleend, de bestaande situatie “blijft status quo.”

2.6

Bij e-mail van 26 november 2024 heeft DPS aan [eiseres] geschreven:

Bondia [eiseres]

U wordt uitgenodigd om vanmiddag 14:30 pm bij JFK om de pz-formulier, digitale loonstrook en verklaring van indiensttreding in te vullen/ondertekenen.

Hierbij verzoek ik u om de volgende documenten mee te nemen:

Originele diploma’s;

Werkvergunning

Bankkaart met naam bank, uw naam en rekeningnummer

Indien gehuwd: huwelijksakte

kopie geldige passpoort, uittreksel Afl. 5,=, AZV kaart echtgenoot

Contactgegevens echtgenoot, werk, telefoon, mobiel en emailadres

AZV kaart kinderen

6. Bewijs van goedgedrag

8. Indien gescheiden: echtscheidingsakte

mvg

(…)”

2.7

Bij e-mailbericht van 26 november 2024 heeft [eiseres] de gevraagde stukken en informatie toegezonden. Zij heeft echter geen uittreksel van Afl. 5,=, bankkaart met naam bank, eigen naam en rekeningnummer en kopie paspoort meegestuurd. In haar emailbericht heeft zij aangegeven zij deze documenten zou meenemen naar de afspraak.

2.8

Bij e-mail van 6 december 2024 heeft [eiseres] het volgende aan DPS geschreven:

“(…)

Zoals jullie weten, heb ik vorige week maandag de overige documenten niet ondertekend, omdat ik het niet eens ben met de afspraak dat ik pas per 1 december betaald zou worden, terwijl de startdatum van mijn contract op 15 september is.

(…). Volgens het Burgerlijk wetboek komt een overeenkomst tot stand op basis van artikel 6:217, waarin wordt gesteld dat een overeenkomst tot stand komt door bindend, aangezien ik deze direct heb geaccepteerd. Dit betekent dat mijn contract op 15 september inging en ik recht heb op mijn salaris met terugwerkende kracht en de bonus van december die eind november uitbetaald zou worden. Ik verwacht dat dit helemaal in december op mijn rekening wordt gestort.

(…)”

2.9

Bij e-mail van 9 december 2024 heeft DPS als volgt gereageerd op de e-mail van [eiseres] van 6 december 2024:

“(…)

Aangezien u tot op heden geen daadwerkelijke dienst heeft verricht, zal uitbetaling van uw salaris geschieden per de datum van aanvang van uw werkzaamheden bij Scol Souer Juliette en tevens na overlegging van de gewaarmerkte diploma’s zoals u reeds hiervan onderling op de hoogte werd gesteld.

(…)

Hierop heeft [eiseres] gereageerd met de mededeling dat zij op 10 december 2024 in de middag zou langskomen om de papieren in te leveren.

2.10

Bij e-mail van 19 december 2024 heeft [eiseres] DPS laten weten dat zij een kopie van haar diploma, voorzien van een stempel van de Inspectie van het Onderwijs, alsmede haar VOG had ingediend. Voorts heeft zij de verklaring en de instemmingsverklaring voor de digitale loonstrook onder voorbehoud van haar rechten ondertekend en toegezonden.

2.11 [

Eiseres] is met ingang van 1 januari 2025 haar werkzaamheden gaan verrichten..

3
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
3.1 [

Eiseres] vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, het Land te veroordelen aan haar te betalen het bedrag van Afl. 26.982,90 vermeerderd met de wettelijke rente ingaande 1 januari 2025 en met veroordeling van het Land in de kosten van deze procedure.

3.2

Het Land voert verweer en concludeert tot integrale afwijzing van de vordering van [eiseres], met veroordeling van [eiseres] in de kosten van de procedure.

3.3

Het Gerecht zal op de standpunten van partijen, hierna waar nodig nader ingaan.

Overwegingen

4
DE BEOORDELING

Arbeidsovereenkomst

4.1 [

Eiseres] stelt dat tussen haar en het Land met ingang van 15 september 2024 een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen. Daartoe voert zij aan dat de Minister van Onderwijs en Sport op 9 september 2024 goedkeuring heeft verleend aan DPS om haar per 15 september 2024 als leerkracht Handenarbeid en Tekenen op contractbasis in dienst te nemen. Volgens [eiseres] moet deze goedkeuring worden aangemerkt als toestemming aan DPS om haar een aanbod tot het aangaan van een arbeidsovereenkomst te doen, welk aanbod zij vervolgens heeft aanvaard. Zij stelt dat door deze aanvaarding een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen en baseert dit standpunt op de civielrechtelijke regels over de totstandkoming van overeenkomsten. Deze regels brengen mee dat een overeenkomst tot stand komt door aanbod en aanvaarding.

4.2

Het Land betwist dat tussen partijen met ingang van 15 september 2024 een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen. Volgens het Land moet het aan [eiseres] aangeboden document worden gekwalificeerd als een contractaanbieding (letter of intent) en niet als een definitieve arbeidsovereenkomst. Aan deze contractaanbieding waren verschillende opschortende voorwaarden verbonden, waaronder het ondergaan van een medische keuring, het overleggen van gewaarmerkte kopieën van diploma’s en het verkrijgen van een gunstige politionele inlichting. Er kon pas een arbeidsovereenkomst tot stand komen nadat aan deze voorwaarden was voldaan. Het Land stelt dat eerst op 19 december 2024 aan alle aan de contractaanbieding verbonden opschortende voorwaarden was voldaan. Daarmee kon pas vanaf dat moment een arbeidsovereenkomst worden aangegaan. Nu de kerstperiode kort daarna aanving en een indiensttreding gedurende deze periode niet meer mogelijk dan wel niet gebruikelijk was, bleek 1 januari 2025 de eerstvolgende logische en feitelijk mogelijke ingangsdatum van de arbeidsovereenkomst. Van een arbeidsovereenkomst met ingang van 15 september 2024, zoals [eiseres] stelt, kan volgens het Land dan ook geen sprake zijn.

4.3

Het Gerecht overweegt als volgt. Artikel 7:615 BWA bepaalt dat de bepalingen van Titel 10 van Boek 7 BWA niet van toepassing zijn op arbeidsovereenkomsten met personen die in dienst zijn van de overheid. Dit laat natuurlijk onverlet dat de algemene civielrechtelijke bepalingen over de totstandkoming van overeenkomsten wél van toepassing zijn. Op grond van artikel 6:217 lid 1 BWA komt een overeenkomst immers tot stand door een aanbod en de aanvaarding daarvan. Het Gerecht dient daarom te beoordelen of sprake is geweest van een aanbod en, zo ja, of dit aanbod door [eiseres] is aanvaard.

4.4

Uit de stukken volgt dat DPS op 2 september 2024 een brief aan de Minister van Onderwijs en Sport heeft gestuurd met het verzoek om [eiseres] aan te stellen als leerkracht. Op 9 september 2024 heeft de minister op deze brief de aantekening geplaatst: “9-9-2024 acc cfm”. Hoewel de gemachtigde van het Land ter zitting heeft verklaard niet te kunnen bevestigen dat deze aantekening van de minister afkomstig is, heeft [eiseres] aangevoerd dat de brief aan de minister was gericht en dat de afkorting “acc cfm” kan worden verstaan als “akkoord conform”. Nu het Land onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat de aantekening en het daarop geplaatste krabbeltje van de minister afkomstig zijn, zal het Gerecht ervan uitgaan dat deze door de minister zijn geplaatst, temeer nu het Land deze brief met aantekening zélf in het geding heeft gebracht. Het Gerecht leidt daaruit af dat de minister heeft ingestemd met het verzoek van DPS en daarmee met de aanstelling van [eiseres] als leerkracht per 15 september 2024. Tegen deze achtergrond heeft DPS op 6 september 2024 een arbeidsovereenkomst aan [eiseres] aangeboden, welk aanbod zij heeft aanvaard. Het Land stelt zich echter op het standpunt dat de arbeidsovereenkomst, gelet op de daarin opgenomen opschortende voorwaarden, niet tot stand is gekomen.

4.5

Het Gerecht dient daarom te beoordelen of, zoals het Land stelt, geen arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen omdat aan het aanbod voorwaarden waren verbonden waaraan [eiseres] niet heeft voldaan. Het betrof de volgende voorwaarden: het ondergaan van een medische keuring, het overleggen van gewaarmerkte kopieën van haar diploma’s en het verkrijgen van een gunstige politionele inlichting.

4.6 [

Eiseres] heeft, wat door het Land niet is betwist, gesteld dat zij haar gewaarmerkte diploma’s al op 2 september 2024 heeft toegezonden en deze vervolgens viermaal heeft overgelegd omdat het Land er elke weer opnieuw om vroeg. Daarmee heeft zij aan deze voorwaarde voldaan.

4.7

Ten aanzien van de voorwaarde over de medische keuring geldt dat [eiseres] deze keuring niet zelfstandig kon laten uitvoeren. Het was immers aan het Land om de keuring te organiseren en [eiseres] daarvoor op te roepen. Het feit dat zij niet eerder medisch is gekeurd, kan haar daarom niet worden tegengeworpen. Daarbij komt dat [eiseres], wat door het Land niet is betwist, de medische keuring uiteindelijk pas maanden na de aanvang van haar werkzaamheden heeft ondergaan. Dit bevestigt dat het Land de tijdige naleving van het beleid van 19 juli 2005, DPO/957/05, niet als een voorwaarde zag die aan de aanvang van haar werkzaamheden in de weg stond.

4.8

Ten aanzien van de voorwaarde van een gunstige politionele inlichting geldt dat achteraf weliswaar kan worden betoogd dat hiermee een verklaring van goed gedrag werd bedoeld, maar dat uit de contractaanbieding niet blijkt dat het aan [eiseres] is om een dergelijke verklaring over te leggen. Evenmin is een termijn opgenomen waarbinnen zij dit document diende in te dienen. De formulering “behoudens (….) een gunstige politionele inlichting” wekt juist de indruk dat het Land zélf bij de politie zou nagaan of over [eiseres] relevante politie-informatie beschikbaar was. Daarbij komt dat uit het door het Land overgelegde beleid van 19 juli 2005, DPO/957/05, volgt dat het Korps Politie Aruba binnen één maand na het ministerraadbesluit tot aanstelling de politionele inlichting aan de DPO en het diensthoofd verstrekt. Hieruit kan ook worden afgeleid dat het verkrijgen van de politionele inlichting een interne procedure van het Land betreft. Tegen deze achtergrond kon van [eiseres] redelijkerwijs niet worden verwacht dat zij wist of had moeten begrijpen dat met een ‘gunstige politionele inlichting’ een verklaring van goed gedrag werd bedoeld en dat het aan haar was om deze verklaring zelf aan te vragen en over te leggen.

4.9

De concrete vraag naar een bewijs van goed gedrag kwam bovendien voor het eerst op 26 november 2024 aan de orde. [Eiseres] heeft de gevraagde documenten diezelfde dag per e-mail bij DPS ingediend. Ter zitting heeft zij toegelicht dat zij aanvankelijk een Nederlands bewijs van goed gedrag had overgelegd, waarna haar werd meegedeeld dat een Arubaanse verklaring van goed gedrag was vereist. Deze verklaring heeft zij vervolgens op 19 december 2024 bij DPS ingediend. Het Gerecht is van oordeel dat het niet aan [eiseres] kan worden verweten dat zij het Arubaanse bewijs van goed gedrag niet eerder heeft overgelegd. Het Land heeft bij het opvragen van het document niet duidelijk gemaakt dat een Arubaanse verklaring van goed gedrag was vereist. Dit geldt temeer nu [eiseres] kort daarvoor nog in Nederland woonde.

4.10

De stelling van het Land dat de arbeidsovereenkomst niet tot stand is gekomen omdat de genoemde voorwaarden niet zijn vervuld, wordt dus gepasseerd. Het door het Land op 6 september 2024 aan [eiseres] verstrekte document moet worden aangemerkt als een aanbod, welk aanbod [eiseres] diezelfde dag heeft aanvaard terwijl de gestelde voorwaarden zijn vervuld. Daarmee is tussen partijen een arbeidsovereenkomst tot stand gekomen met als ingangsdatum 15 september 2024.

Betaling van loon

4.11

Het Land stelt dat het geen loon aan [eiseres] verschuldigd is, omdat zij de bedongen arbeid niet heeft verricht. Het Land heeft daarbij aangevoerd dat, voor zover het al enig bedrag aan [eiseres] verschuldigd zou zijn, dit bedrag ten hoogste Afl. 22.260,- bedraagt. [Eiseres] erkent dat zij de bedongen arbeid niet heeft verricht, maar stelt dat dit het gevolg is van het feit dat het Land haar niet tot de werkzaamheden heeft toegelaten. Zij voert aan dat zij zich vanaf september 2024 steeds beschikbaar heeft gehouden om de bedongen werkzaamheden te verrichten en dat blijkt ook overtuigend uit haar overgelegde e-mailberichten aan het Land in en na september 2024 waaruit volgt dat zij popelt om aan de slag te gaan.

4.12

Naar het oordeel van het Gerecht komt de omstandigheid dat [eiseres] in de periode van 15 september tot en met 31 december 2024 geen arbeid heeft verricht, in redelijkheid voor rekening van het Land. [Eiseres] heeft zich dus gedurende die periode beschikbaar heeft gehouden voor het verrichten van de bedongen arbeid, maar het Land heeft haar niet in de gelegenheid gesteld deze werkzaamheden te verrichten.

4.13

De slotsom van het vorenstaande is dan ook dat [eiseres] recht heeft op betaling van haar loon vanaf 15 september 2024 tot en met 31 december 2024. Met betrekking tot het toe te wijzen bedrag oordeelt het Gerecht als volgt.

4.14

De periode van 15 september 2024 tot en met 31 december 2024 omvat 108 dagen. Uit de contractaanbieding volgt dat [eiseres] aanspraak had op een bruto maandsalaris van Afl. 6.015,00, wat neerkomt op een bruto jaarsalaris van Afl. 72.180,--. Aangezien 2024 een schrikkeljaar is, bedraagt het bruto dagloon Afl. 197,21 (Afl. 72.180,-- / 366). Over een periode van 108 dagen komt dit neer op een brutoloon van Afl. 21.299,02. Daarnaast heeft [eiseres] aanspraak op de voorjaarspremie, die in november wordt uitgekeerd. Deze premie bedraagt in totaal Afl. 2.129,00. Naar rato van de periode waarin [eiseres] in dienst is geweest, bedraagt de premie Afl. 628,23 (Afl. 2.129,-- / 366 × 108). Het Land is daarom gehouden om aan [eiseres] een bedrag van in totaal Afl. 21.927,25 bruto aan loon en voorjaarspremie te voldoen.

4.15

Het Land zal, als de in het ongelijk gestelde partijen, worden veroordeeld in de kosten van de procedure gevallen aan de zijde van [eiseres], die tot aan deze uitspraak worden begroot op Afl. 750,- aan griffierecht, Afl. 215,- aan explootkosten en Afl. 2.500,-- aan salaris van de gemachtigde.

5
DE UITSPRAAK

Het Gerecht:

5.1

veroordeelt het Land tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van Afl. 21.927,25 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2025 tot de dag waarop volledig zal zijn betaald;

5.2

veroordeelt het Land in de kosten van de procedure, die tot de datum van uitspraak aan de kant van [eiseres] worden begroot op Afl. 750,-- aan griffierecht, Afl. 215,-- aan explootkosten en Afl. 2.500,-- aan salaris van de gemachtigde;

5.3

verklaart de veroordelingen in dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.J. van Rijen, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 9 september 2026 in aanwezigheid van de griffier.